Tijdens het interview krijgt Omar Mussa - straks 21 - telefoon. Van zijn broer. De wanhoop aan de andere kant van de lijn is te horen. Mussa's broer ontvluchtte in zijn zog met twee jaar vertraging het door burgeroorlog verscheurde Burundi en zit nu in Brussel. Op basis van nagenoeg hetzelfde dossier als de Antwerpvoetballer vroeg hij politiek asiel aan, maar het verdict van Brussel is onherroepelijk : de aanvraag is afgewezen en hij moet binnen de zeven dagen het Belgisch grondgebied verlaten. Mussa kan hem niet helpen. Zijn aanvraag tot politiek asiel werd wél ontvankelijk verklaard, maar het dossier is nog niet afgesloten. Een definitieve verblijfskaart heeft hij (nog) niet.
...

Tijdens het interview krijgt Omar Mussa - straks 21 - telefoon. Van zijn broer. De wanhoop aan de andere kant van de lijn is te horen. Mussa's broer ontvluchtte in zijn zog met twee jaar vertraging het door burgeroorlog verscheurde Burundi en zit nu in Brussel. Op basis van nagenoeg hetzelfde dossier als de Antwerpvoetballer vroeg hij politiek asiel aan, maar het verdict van Brussel is onherroepelijk : de aanvraag is afgewezen en hij moet binnen de zeven dagen het Belgisch grondgebied verlaten. Mussa kan hem niet helpen. Zijn aanvraag tot politiek asiel werd wél ontvankelijk verklaard, maar het dossier is nog niet afgesloten. Een definitieve verblijfskaart heeft hij (nog) niet. In tegenstelling tot veel lotgenoten heeft Omar Mussa geluk : zijn voetbalkwaliteiten haalden hem uit de anonimiteit. In afwachting van een definitieve uitspraak heeft hij bij Antwerp een arbeidskaart, een driejarig profcontract met een meer dan degelijk inkomen. En een nieuwe familie. Ze zien hem graag op de Bosuil, en hij ziet Antwerp graag. Nooit had hij hier van durven dromen, zegt hij zacht. Natuurlijk zijn er nog zaken die beter kunnen : dat zijn vrouw en zijn zoontje mogen overkomen, bijvoorbeeld. Bij Antwerp wil men dat ook, maar kan men de speler alleen moreel steunen. Zo'n beslissing ligt bij Binnenlandse zaken. Eén dag voor zijn comeback wacht Mussa in de McDonalds aan het Antwerps centraal station. Naarmate de vragen elkaar opvolgen, zakt hij steeds dieper weg in zijn winterjas. Hij grinnikt als hij afscheid neemt : "Volgende keer draaien we de rollen om. Dan stel ik de vragen en mag u antwoorden." En schuift weg : "Nog veel succes met de job !" Opmerkelijk is dat je niet uit Afrika vertrok om te voetballen. Je bent gevlucht.Omar Mussa : Op het juiste moment. Met de laatste Sabenavlucht die uit Burundi vertrok. Sabena gaat misschien failliet, maar ik heb waarschijnlijk wel mijn leven aan die maatschappij te danken. Een echt mirakel. Natuurlijk zit ik hier alleen, mis ik mijn vader en mijn familie. Maar ik kan niet meer terug naar daar. C'est la vie. Je hebt in Burundi nooit echt bij een grote club gevoetbald.Ik werd ontdekt op school, door scouts van Saint Louis van het eiland La Réunion. Dat is een eiland naast de kust van Afrika dat deel uitmaakt van Frankrijk, maar een eigen competitie heeft en mee doet aan de Afrikaanse beker voor clubteams. Ze nodigden drie jonge talenten uit om een voetbalstage te volgen. Ik heb er een half jaar bij de plaatselijke eersteklasser gespeeld. Heerlijk eiland, Jean-Pierre Papin voetbalde er nog, Roger Milla vroeger ook. En Jean-Marc Bosman !Jean-Marc wie ? Nooit van gehoord. Ik heb er nog in de Afrikaanse beker tegen Aruna Dindane gespeeld die voor ASEC Abidjan uitkwam. Ze hadden me daar graag, maar toen ik geblesseerd raakte, veranderde dat ineens. Daarom keerde ik terug naar Burundi. Maar niet om te voetballen. Mijn vader raadde me aan om te stoppen. Omdat met voetballen toch niets te verdienen was, wilde hij dat ik verder zou studeren. Je voetbalde niet meer, maar je was wél internationaal.Op mijn zestiende werd ik jeugdinternationaal, later speelde ik met de beloftenploeg, de olympische ploeg en een keer of zes met de A-ploeg. Na mijn verblijf op La Réunion ben ik nog met de nationale ploeg in Nigeria gaan spelen. Maar voetballen in Burundi werd uitzichtloos. Toen de oorlog écht uitbrak, ben ik met voetballen gestopt. We werden toch al niet betaald, het was enkel voor het plezier. Soms ging de competitie gewoon door, soms werd er niet gespeeld.Waar leefde je toen van ?We probeerden gewoon genoeg eten te krijgen. U kan dat niet begrijpen, omdat u daar niet leeft. Moest u daar nu zitten, u zou wel begrijpen wat ik bedoel. Ik kan dat niet uitleggen. We knoopten de eindjes aan elkaar. Mijn vader was vroeger slager, maar hij heeft zijn activiteiten stopgezet toen de oorlog uitbreidde. Voordien kwam iedereen bij hem langs, plots werd de sfeer grimmig. Als de stemming omslaat, veranderen mensen. Vanaf toen hadden we geen vast inkomen meer. We leefden nog wel, maar het ging moeilijk. Thuis zijn we met zes kinderen, waaronder één halfbroer : mijn moeder was eerder overleden en mijn vader had een nieuwe vrouw leren kennen. Vroeger waren we met zeven. Eén van mijn broers is op straat neergeschoten, in de dagen dat er aan de grens een conflict was met de Congolezen. Puur pech. We hoorden schieten, iedereen liep naar overal en nergens, straat in, straat uit. Het was lopen voor je leven. Ik had geluk, hij niet. Het had mij even goed kunnen overkomen.Voelde je je persoonlijk geviseerd ?Ja en nee. Je weet ginder nooit waar je aan toe bent. Oorlog verandert mensen. Sinds 1995 is niemand meer zeker. Je overleeft, maar je kan nergens naartoe werken. Er is geen doel meer. Dat vind ik geen leven. Je verkeert voortdurend in gevaar, er is een latente angst. Je weet niet wie je wel en niet kan vertrouwen, je moet constant attent zijn. Dat maakt je heel wantrouwig en ongelukkig.Wanneer dacht je voor het eerst : ik moet hier weg ?Al veel vroeger. Maar ik had er de middelen niet voor. Iedereen wil ginder weg. Maar om dat ook te doen, moet je geld hebben. Ik had geen geld. Ook al dacht iedereen dat ik wél geld had, omdat ik bekend was via het voetbal. Daarom wilden ze allemaal dat ik hen hielp, door ze geld te lenen. Maar ik had niets. Alleen het geld van mijn vader. Hij voelde dat ik niet langer meer veilig was. Daarom had hij van het weinige geld dat hij bezat een deel opzij gelegd."Ik ben een oude man, als ze mij doden, is dat niet erg", zei hij. "Maar jij bent jong, jij mag niet sterven. Je moet hier weg."Waarom ?Omdat men mij viseerde.Men ?Leeftijdsgenoten van mij, die me er van verdachten dat ik als voormalig bekende voetballer geld had. En die me plots heel anders bekeken, jaloers waren."Mussa verdient dollars, waarom wij niet ?" Il y a des gens qui t'aiment et ceux qui ne t'aiment pas. Je kan wel opmerken dat het weinig zou uitgehaald hebben me te vermoorden, want ze zouden toch geen geld gevonden hebben. Dat maakt niets uit. Er zou niet eens een onderzoek gevoerd worden. Ze schieten je zomaar neer en dat is het. Zo gaat dat in een oorlogssituatie in Afrika. Vroeger hadden we een goed leven. Maar toen het conflict uitdeinde, werd het een rassenstrijd. Hutu's tegen Tutsi's. Waar wij woonden, kon iedereen het vroeger goed met elkaar vinden. Toen het conflict losbarstte, veranderde dat. Iedereen ging zich anders gedragen, ook je buurman, de ouders van je vrienden. Mensen die altijd vreedzaam met je samenleefden, kijken je raar en en vragen : "wat doe je hier nog, ga terug naar waar je vandaan komt !" Mijn vader kwam uit Congo, was in Burundi komen wonen. Ik was dus van gemengde afkomst, half Hutu. Thuis hebben we niets meer. Ze leven van het geld dat ik ze opstuur. Als ik hier morgen zonder inkomen val, is dat een drama voor mijn familie. Ik bid elke dag opdat dat niet gebeurt. Hoe ben je uiteindelijk uit Burundi weggeraakt ?Op een dag wandelde ik met een vriend zakenman naar de luchthaven. Hij zou naar Europa vliegen, naar Duitsland, via Brussel. Omdat hij thuis een paar documenten vergeten was, ging ik ze ophalen om ze naar de luchthaven te brengen. Het enige wat ik op zak had, was het geld dat mijn vader voor me had bijeengespaard. Op de luchthaven mocht ik ongestoord passeren, tot bij het vliegtuig dat die vriend van me zou nemen. Het is daar niet zoals in Europa. Bovendien kent iedereen me daar als voetballer. Het is Mussa van hier en Mussa van daar. Met de nationale ploeg was ik zo vaak de luchthaven in en uit gewandeld dat niemand me tegenhield. Ik zei dat ik even iemand wat papieren moest afgeven. Ook de soldaten kenden me en lieten me zomaar het vliegtuig in, waar ik de documenten overhandigde. Toen ik wilde weggaan, hield mijn vriend me tegen. Het vliegtuig zat maar half vol. Assieds-toi, ga zitten, beet hij me toe. "Dit is je kans, er is plaats genoeg. Zo kom je in Europa. Daar zie je wel. Zo'n kans krijg je nooit meer." Ik ben naast hem gaan zitten. Niemand vroeg me iets. De hostessen van die Sabenavlucht vroegen geen documenten. Ik had ook geen vliegticket, enkel mijn paspoort. Niemand thuis wist waar ik was. Die vlucht duurde zes uur. Ik zat in het vliegtuig, maar mijn hoofd was elders. Mijn vriend raadde me aan om in Brussel in de luchthaven naar de politie te stappen en te zeggen dat ik politiek asiel aanvroeg. Ik zag dat niet zitten, ik kende daar niemand, maar hij overtuigde me. We namen in Zaventem afscheid. Hij stapte op een andere vlucht, ik verzamelde mijn moed en stapte naar de politie. Die leidde me naar een lokaal waar ik een vragenlijst moest invullen. Daar zag ik nog mensen van dezelfde vlucht uit Burundi. Dat stelde me gerust : ik was niet alleen. Wie kende je in België ?Niemand. Ik was nooit in Europa geweest, ook niet via het voetbal. Ik voelde me helemaal ontheemd. Het was winter, behoorlijk koud en ik zat daar in mijn zomerhemdje. Van de politie kreeg ik iets warms om aan te trekken. Na een week kwam ik op het Klein Kasteeltje terecht, waar ik een kamer deelde met twee andere vluchtelingen. Ik zat de hele tijd buiten, te kijken naar wat zich op straat afspeelde. Ik zocht geen contact met voetbalclubs, ik dacht ook niet aan voetballen. Na anderhalve maand kreeg ik een voorlopige verblijfsvergunning en wat zakgeld en vertrok uit Brussel. In Lommel was het goedkoper wonen.Wist men thuis in Burundi van je vertrek ?Nee. Toen ik in Brussel was, belde ik mijn vader. Toen hij hoorde waar ik me bevond, was hij niet kwaad, maar opgelucht. "Dan ben je tenminste veilig", zei hij.Je hebt ook een vrouw. Voelde zij zich niet in de steek gelaten ?Aangezien ik zelf niet wist dat ik op dat vliegtuig zou blijven, hoorde zij het ook maar toen ik al in Brussel was. Toen liet ze me weten dat ze zwanger was. Toen ik op het vliegtuig stapte, wist ik van niets. Zo zijn vrouwen, altijd vol verrassingen. Ze had het willen verborgen houden tot de vierde maand, om me dan met het goede nieuws te verrassen. Uiteindelijk zei ze het me uit schrik dat ik anders andere vrouwen zou leren kennen en misschien wel eens op andere ideeën kon komen. Dat was even schrikken. Mijn zoontje is zes maanden later geboren, Mussa Junior. Hij is nu één jaar en twee maanden. Ik heb hem nooit gezien, behalve op foto. Daar heb ik het best moeilijk mee. Sinds ik een voorlopige verblijfsvergunning heb, vroeg ik of ze mag overkomen. Ik hoop dat het lukt, maar het duurt al een paar maanden. Maar ik kan niets doen. C'est la vie. Ik wacht. Waarom ben je hier nooit zelf op zoek gegaan naar een club ?Omdat het me op dat moment niet interesseerde. ik voelde wat voor het plezier. Ik had ook geen manager. Van andere Afrikaanse voetballers hoorde ik dat ze alleen maar problemen hadden met managers. Want die denken vooral aan zichzelf, aan hun verdiensten en niet aan jou. Daarom ging ik ze uit de weg. Het nadeel was dat ik zelf niemand kende of door niemand geïntroduceerd werd.Hoe kom je dan bij Berkenbos terecht ? Toch niet meteen 'the place to be' waar een Burundees van droomt ?Het toeval speelt een grote rol. Wij, Afrikanen, spelen tijdens de zomer af en toe multiculturele toernooien voor de fun, per nationaliteit. De ploegen spelen elk jaar een toernooi op de Gentse Blaarmeerssen. Eén van de Congolezen die daar meedeed, voetbalde bij Berkenbos en organiseerde ginder een vriendenwedstrijd. Zo merkten ze me op. Wat vond je van Berkenbos ?Alles is anders. In Afrika speel je voetbal. Fysiek en techniek, wat je wil, maar tactiek komt er niet bij te pas. Bij Berkenbos was ik niet-amateur. Omdat ik toch niets anders te doen had, trainde ik twee keer per dag. Samen met twee andere Afrikanen ging ik elke ochtend dagelijks trainen op een veldje in het bos van Lommel. De andere spelers gingen de hele dag uit werken. 's Avonds en in het weekend waren zij moe. Wij liepen ze gewoon voorbij, ook in de wedstrijd, omdat we beter voorbereid en frisser waren. Hoe beviel het daar ?Ik keek niet neer op Berkenbos. Ik was er graag, omdat ik besefte dat ik er een kans kreeg om me te tonen. Niemand kende me in België. Dus moest ik eerst tonen wat ik kon. Ik heb er niet het hele seizoen, gespeeld, omdat ik mijn hand brak. In acht wedstrijden scoorde ik veertien keer. Ondertussen droomde ik er van ooit hoger te spelen. Aan eerste klasse durfde ik niet eens denken. Mijn droom was tweede of derde klasse. Niet dat ik twijfelde aan mijn talent. Op basis van wat ik kan en van wat ik op TV zie aan beelden van eerste klasse, wist ik dat ik dat niveau ooit moest aankunnen. Maar ik ben jong, en moet nog veel leren.Hoe kwam je bij Antwerp terecht ?Men merkte me op in een bekerwedstrijd met Berkenbos tegen Heusden-Zolder dat in tweede klasse uitkwam. We wonnen met 2-0. Achteraf kwam een manager naar me toen, Filip Schots. Hij vroeg me waarom ik met mijn kwaliteiten niet in eerste maar in vierde klasse voetbalde. Ik antwoordde dat ik niemand had die me in eerste klasse kon brengen. Toen dacht ik : laat hem maar eens proberen iets voor me te vinden. Hij bracht me eerst naar KV Mechelen. Daar trainde ik iets meer dan een week mee, mocht met hen een wedstrijd tegen de nationale ploeg van Luxemburg spelen, waar ik de assist gaf voor de gelijkmaker, maar de zaak ging niet door. Ik was tevreden over mijn prestatie, ook al was ik geblesseerd aan de knie. Waarom speelde je dan ?Wie garandeerde me dat ik een nieuwe kans zou krijgen als ik weer fit was ? Ik heb de pijn verbeten en alles gegeven om die test te laten slagen. In de hoop dat het zou volstaan voor een contract, zodat ik nadien rustig die knie kon laten genezen. Maar ze namen me niet, er liep iets verkeerd bij de besprekingen. Gelukkig was er in Luxemburg een scout van Antwerp en die namen me wel. Berkenbos wilde me liever niet laten gaan, ze hadden me daar allemaal graag, maar zij moeten begrijpen dat ik ook moet leven. Met wat ik bij Berkenbos verdiende, kwam ik niet ver. Bij Antwerp heb ik ook de zekerheid naast het veld. Ik voel me hier thuis. Antwerp is mijn nieuwe familie. Iedereen heeft me graag, ik heb iedereen graag. Weet men in Burundi wat je hier doet ?Natuurlijk. Ik ben de enige Burundees die als prof in Europa voetbalt. Er was er nog één bij Monaco, maar nu niet meer. Via satelliet volgt men af en toe mijn prestaties. De helft van Burundi is nu supporter van Antwerp. De goeie helft (grijnst).Zou je er ooit nog aan denken voor de nationale ploeg te spelen ?Onlangs vroeg men het me nog. Maar ik kan het niet maken, om politieke redenen. Tenminste niet in Burundi zelf. Misschien in de uitwedstrijden elders in Afrika. Daar ga ik nog eens over nadenken.door Geert Foutré