In een afgelopen vrijdag verschenen interview in Krant van West-Vlaanderen plaatste Cercleverdediger Anthony Portier enkele kritische kanttekeningen bij de aanpak van trainer Bob Peeters. Dat soort ontboezemingen zijn tegenwoordig zeldzaam in het voetbal. Vele verhalen worden vooraf nagelezen. Op zich is daar niets verkeerd mee, als ingrepen zich beperken tot feitelijke onjuistheden en het niet vervalt in censuur.
...

In een afgelopen vrijdag verschenen interview in Krant van West-Vlaanderen plaatste Cercleverdediger Anthony Portier enkele kritische kanttekeningen bij de aanpak van trainer Bob Peeters. Dat soort ontboezemingen zijn tegenwoordig zeldzaam in het voetbal. Vele verhalen worden vooraf nagelezen. Op zich is daar niets verkeerd mee, als ingrepen zich beperken tot feitelijke onjuistheden en het niet vervalt in censuur. Vroeger praatten voetballers veel ongeremder en vrijer. Een hele reeks interviews hebben we gemaakt waarin spelers hun hart luchtten en, niet gehinderd door welke remmingen dan ook, bepaalde problemen in hun club op tafel gooiden. We herinneren ons een gesprek met Walter Meeuws in zijn Standardperiode. De Rouches worstelden op een gegeven moment met een vormcrisis en Meeuws legde de reden van de malaise bloot: er woedde een machtsstrijd in het middenveld omdat Gerard Plessers niet als spelmaker werd geaccepteerd en zowel Guy Vandersmissen als Jos Daerden die rol van regisseur claimden. Dat zorgde voor de merkwaardige situatie dat drie middenvelders om de bal schreeuwden en uitsluitend voor zichzelf liepen te voetballen. Meeuws, met wie je nooit een slecht interview kon maken en die altijd vrijuit praatte, gooide bewust een knuppel in het hoenderhok, zijn mening sloeg in als een bom. Later mochten ook Jos Daerden en Guy Vandersmissen hun mening ventileren. En Gérard Plessers. Het leek wel een feuilleton. Een andere keer maakte Ronny Somers, een van de boegbeelden van Lokeren, brandhout van het bestuur van zijn club. Hij zei niet te begrijpen dat de dirigenten na een overwinning juichend de kleedkamer binnen stormden, maar dat je na een nederlaag niemand zag. Hij praatte onverbloemd over de attitude van de soms briesende voorzitter Gaston Keppens. En werd prompt geschorst. Hetzelfde gebeurde met Danny Veyt, een paar maanden nadat hij de overstap maakte van Waregem naar Club Luik. Hij hekelde de trainingsmethodiek van Robert Waseige. Als het hard regende, ging niemand naar buiten en werd er in de zaal geoefend. De lichtste training van Haesaert, vond Veyt, is nog drie keer zwaarder dan de hardste oefensessie bij Club Luik. En hij praatte over zijn ploegmaats die het allemaal niet zo nauw namen. Ze trainden met broeken vol gaten en vonden het abnormaal als je daar een opmerking over maakte. Na een training gooiden ze hun schoenen ergens in een hoek, er hing dikwijls vijf centimeter modder aan, maar de dag nadien werd alles gewoon weer aangetrokken. De kleedkamer, vertelde Veyt, lag er zo smerig bij dat hij zelf de muren had geschilderd. Bij deze club, verwonderde hij zich, werd er maar negentig minuten per week aan voetbal gedacht. Met de opmerkingen van Danny Veyt konden ze bij Club Luik niet lachen, al ging de storm snel liggen. Het was een andere tijd, alles werd veel minder uitvergroot. Ergens kreeg je een vrijbrief om je mening te zeggen. Een van de meest merkwaardige interviews hadden we met Hugo Broos toen die in juni 1990 aan zijn derde seizoen als trainer van RWDM was begonnen. Hij zat met zijn club, die net een corruptiezaak achter de rug had, op trainingskamp in Sittard en vertelde dat hij na het behalen van de titel in tweede klasse in Molenbeek alleen maar ellende beleefde. Hij had een lijstje van spelers gegeven die hij wilde aantrekken, maar daar werd niet op ingegaan. Rudi Cossey was, zo ging hij geïrriteerd verder, achter zijn rug verkocht. Hij had de club ogenblikkelijk verlaten toen hij dat hoorde, maar had zich uiteindelijk toch weer laten overhalen om terug te keren. Hij sakkerde erover dat de trainingsvelden slecht waren en dat hij met de spelers een tijdje moest trainen in het Instituut voor Doofstommen in Sint-Agatha-Berchem, maar dat dat veld zo klein was dat het bijvoorbeeld onmogelijk was om op het doorkomen langs de flanken te oefenen. En zo ging die aaneenschakeling van ergernissen maar door. Of het bestuur hem na dit verhaal ter verantwoording had geroepen, vroegen we Broos een paar weken later. Absoluut niet, zei hij. En grijnsde: "Ze hadden het ook niet moeten proberen."