Marc Janssen is de grootste supporter van het land. Althans volgens Studio Brussel. Die radiozender reikte begin dit jaar De Gouden Sjaal uit aan die fan die de meeste vragen over zijn favoriete club juist beantwoordde. Janssen haalde het onder meer omdat hij de tekst kon aanvullen van een lied dat de doorsnee-Beerschotfan niks zegt. Ons ploeg doet het weer goed en is bezield met leeuwenmoed. Ons ploeg mag er weer zijn en krijgt de tegenstrevers klein. Bij Studio Brussel dachten ze dat ze Janssen het clublied voorschotelden, maar de diehardfan zelf wist beter: "Dit stond ooit op de B-kant van een plaatje met ons clublied. Eigenlijk heeft het niks met de club te maken; indertijd zetten ze op zo'n B-kant maar iets om er iets op te zetten." Toch kende Janssen het deuntje, want het bewuste plaatje is een van de vele items in zijn verzameling Beerschotobjecten. "Ik ben geïnteresseerd in alles waar het oude embleem van Beerschot op staat," zegt hij, "alles tot 1999 dus. Ti...

Marc Janssen is de grootste supporter van het land. Althans volgens Studio Brussel. Die radiozender reikte begin dit jaar De Gouden Sjaal uit aan die fan die de meeste vragen over zijn favoriete club juist beantwoordde. Janssen haalde het onder meer omdat hij de tekst kon aanvullen van een lied dat de doorsnee-Beerschotfan niks zegt. Ons ploeg doet het weer goed en is bezield met leeuwenmoed. Ons ploeg mag er weer zijn en krijgt de tegenstrevers klein. Bij Studio Brussel dachten ze dat ze Janssen het clublied voorschotelden, maar de diehardfan zelf wist beter: "Dit stond ooit op de B-kant van een plaatje met ons clublied. Eigenlijk heeft het niks met de club te maken; indertijd zetten ze op zo'n B-kant maar iets om er iets op te zetten." Toch kende Janssen het deuntje, want het bewuste plaatje is een van de vele items in zijn verzameling Beerschotobjecten. "Ik ben geïnteresseerd in alles waar het oude embleem van Beerschot op staat," zegt hij, "alles tot 1999 dus. Tientallen dozen heb ik, met sjaals, pins en clubbladen van de jaren veertig en vijftig. Ooit gaf ik zelfs eens tachtig euro voor een stickertje. Maar echt trots ben ik op mijn zilveren bekertje van Rik Larnoe, een Beerschotspeler van de jaren dertig die nog Rode Duivel is geweest." Janssen is ook de stichter van supportersclub De Mannekes, zo'n honderd leden sterk. "Vorig jaar," zegt hij, "toen Beerschot failliet ging, informeerde ik al vlug bij de voetbalbond over mogelijke uitwegen. Samen met mijn vriend Marc Smet lieten we twee juristen alles uitpluizen." Zo ontstond het Beerschot Collectief, een groep supporters die het initiatief namen om een oplossing te zoeken. Janssen raakte betrokken bij besprekingen met eersteprovincialer KFCO Wilrijk over een samensmelting. Wat later hielp hij bij de abonnementenverkoop van het nieuwe Beerschot-Wilrijk. "In het begin vroegen ze mij", vertelt hij, "hoeveel abonnementen Beerschot-Wilrijk zou kunnen verkopen. Ik zei: 3000 à 4000. Die mannen van Wilrijk antwoordden: "Als er 500 supporters meestappen in dit verhaal, zal het al veel zijn." Die wisten toen dus niet waarover ze het hadden; enkele dagen eerder hadden we op vier dagen 1200 man bijeengekregen, louter voor een vergadering over de toekomst van de club." Uiteindelijk drukte de printer van Beerschot-Wilrijk 5600 abonnementen. Janssen: "En bij de openingsmatch stond er 8300 man op het Kiel. Toen heb ik geblèt van geluk." Maar wat is het toch dat die Beerschotters zo massaal in de slipstream zuigt van hun club, ook als die liefst vier niveaus omlaag dondert? "Jan Mulder," zo legt Janssen uit, "die verwoordde het eens perfect: 'Beerschot, de naam alleen al.' Die naam is speciaal. Ook omdat het geen plaatsnaam is; de plaats heette vroeger Bernescot. Als we dit concept hadden gehad onder de naam Wilrijk, was daar geen 2000 man op afgekomen. Jamais. Die naam is dus het allerbelangrijkste. En ten tweede is er de plaats waar we spelen: het Olympisch Stadion. We zijn een van de weinige clubs in België die nog altijd daar voetballen waar we begonnen zijn, in 1899. Dat is onze heilige grond." Volgens Janssen geldt de fandag van vorig jaar als dé aanzet van de huidige hype. "Dat was een bom", zegt hij. Die fandag vond plaats toen Beerschot al failliet was, wat hielp om grote gevoelens op te wekken. Janssen: "Er kwamen spelers van de jaren zeventig, tachtig en negentig, dat lokte veel volk. En iedereen is blijven plakken, tot vandaag." De organisatie van die fandag was in handen van Wij Zijn Beerschot, nog zo'n groep fans die zich verzamelden toen Beerschot de afgrond inreed. En het is Wij Zijn Beerschot dat nu zes mensen in het bestuur van Beerschot-Wilrijk heeft. "Op vraag van de supporters stelde ik mij ook kandidaat om in het bestuur te zetelen, spijtig genoeg kreeg ik nooit een ja of neen", zegt Janssen. "Maar de voornaamste punten voor mij zijn ingevuld: onze naam bestaat nog, de fans zijn nog bijeen en we spelen nog in ons eigen stadion. En er is veel vertrouwen in het huidige bestuur. Het idee leeft dat de club nu door de fans wordt gerund. Er is weer een wij-gevoel." Veel Beerschotfans noemen dit seizoen "het plezantste jaar ooit". "Maar bij mij zit het net iets dieper", besluit Janssen. "Mijn liefde voor de club is nog groot, maar toen Beerschot in 1999 verdween en Germinal Beerschot in de plaats kwam, is die liefde teruggevallen naar 80 procent. Dat werd weer 85 procent bij het Beerschot AC van Patrick Vanoppen (zie kader, nvdr) en met Beerschot-Wilrijk is het nu weer 80 procent. Ik blijf ook nog altijd teleurgesteld omdat we in provinciale zijn verzeild. En ik besef heel goed dat we moeten blijven groeien, anders gaan we fans verliezen. Ik heb het volste vertrouwen in een goeie afloop, maar ik hou er ook rekening mee dat het kan mislukken. En dan is al dit werk voor niks geweest. Dus iedereen moet zijn schouders er blijven onderzetten." DOOR KRISTOF DE RYCK