Ook een laatbloeier van 1,79 meter kan de beste doelman van zijn generatie worden. Op zijn 32ste is Vincent Vanasch het uithangbord van een sport in volle expansie, en als hij komende zomer in Tokio goud pakt met de Red Lions, zou hij wereldwijd één van de meeste bekroonde hockeyspelers kunnen worden. Met M.H.C. Oranje-Zwart en Waterloo Ducks veroverde hij in respectievelijk 2015 en 2019 de Euro Hockey League, met de nationale ploeg won Vanasch het WK (2018), het EK (2019) en olympisch zilver (2016). Begin februari werd hij door de Internationale Hockey Federatie (FIH) voor de derde opeenvolgende keer verkozen tot beste doelman van het jaar.
...

Ook een laatbloeier van 1,79 meter kan de beste doelman van zijn generatie worden. Op zijn 32ste is Vincent Vanasch het uithangbord van een sport in volle expansie, en als hij komende zomer in Tokio goud pakt met de Red Lions, zou hij wereldwijd één van de meeste bekroonde hockeyspelers kunnen worden. Met M.H.C. Oranje-Zwart en Waterloo Ducks veroverde hij in respectievelijk 2015 en 2019 de Euro Hockey League, met de nationale ploeg won Vanasch het WK (2018), het EK (2019) en olympisch zilver (2016). Begin februari werd hij door de Internationale Hockey Federatie (FIH) voor de derde opeenvolgende keer verkozen tot beste doelman van het jaar.Went het ooit om de beste te zijn? Vincent Vanasch: 'Gezien mijn seizoen had ik me er wel aan verwacht, maar zeker weet je het nooit. Soms zijn de keuzes van de FIH verrassend. Zo werd Arthur Van Doren niet beloond met een derde titel van beste speler ter wereld. Een paar weken geleden zagen we in het vliegtuig naar Nieuw-Zeeland een documentaire over Usain Bolt. Arthur legde uit hoe de Jamaïcaan ertoe kwam om zich in vorm te krijgen voor de Spelen in Rio van 2016. Justin Gatlin had op een dag in een interview iets over Bolt gezegd in de trant van: 'Het is gedaan met hem, in Rio versla ik hem zonder problemen.' Daarop vertienvoudigde de motivatie van Bolt. Toen ik vernam dat Arthur naast de titel gegrepen had, heb ik hem meteen een berichtje gestuurd waarin ik hem zei dat ik dat bijzonder oneerlijk vond, maar dat dit voor ons hetzelfde effect moest geven als bij Bolt met Gatlin. Ik denk echt dat dit een detail is dat bij hem een gevoelige snaar raakt. Een detail dat misschien wel een impact kan hebben op de Spelen in Tokio.' Hoe komt een kind in de jaren negentig eigenlijk op het idee om hockey te gaan spelen? Vanasch: 'Het was nog een zeer gesloten sport. Ik ben erin terecht gekomen omdat ik uit een familie van hockeyspelers kwam. Mijn twee grote broers en mijn zus speelden hockey, ik ben hen gewoon gevolgd. Toen ik drie was, liep ik thuis door de gangen met een stick. En omdat ik me graag vermomde, vond ik het cool om me in de keepersuitrusting te hullen. Ik had een helm die tien keer te groot en honderd keer te zwaar was, maar als ik dat ding op mijn hoofd zette, had ik het gevoel dat ik transformeerde in een superheld. Bijna dertig jaar later motiveert Shane McLeod ( trainer van de Red Lions, nvdr.) me nog steeds op die manier. Voor de finale van de wereldbeker kwam hij naar me toe en zei: 'Trek je superheldenpak aan en win de match voor ons!' Het is bizar, maar door dat soort dingen stijg je boven jezelf uit.' Wie waren buiten je familie je referentiepunten op een moment dat het hockey in België nog niets of bijna niets voorstelde op mondiaal vlak? Vanasch: 'Toen ik klein was, sprak de nationale hockeyploeg nog niet tot de verbeelding, dat klopt. Zelfs de beste Belgische spelers moesten aangespoord worden om er deel van uit te maken. Maar er was een doelman, Michel Van Oost. Hij was een monster. Ik had posters van hem in mijn kamer. Waarschijnlijk was ik de enige ter wereld ( lacht). En aangezien ik een lange ontwikkeling heb doorgemaakt in het spel, had ik ook veel bewondering voor Marc Coudron, die vandaag voorzitter is van de Belgische hockeybond. Hij was de ster van mijn club, White Star in Evere. Hij was het soort gast dat het hele veld over liep alvorens te scoren. Ik was fan!' Je begon al zeer jong als keeper, maar pas op je achttiende koos je definitief voor het doel. Is dat de verklaring voor je late doorbraak op het hoogste niveau? Vanasch: 'Tot mijn achttiende speelde ik als midvoor én als doelman. Vandaag zou zoiets niet meer kunnen, de concurrentie is te sterk geworden. Het verklaart zeker waarom ik voor mijn achttiende nooit in de districtsselecties zat. En zelfs nadien was het nog gecompliceerd. In 2009 transfereerde ik naar Leuven, waar ik een serieuze dip kreeg. De club had me gehaald als titularis omdat hun keeper vertrok, maar uiteindelijk bleef die jongen, die de schoonzoon van de voorzitter was. Ik beleefde een nachtmerrie, ze zeiden me dat ik niet goed genoeg was, terwijl het probleem duidelijk ergens anders lag. Op het einde werd ik zelfs niet meer geselecteerd, terwijl ik wel nog altijd de nummer drie van de nationale ploeg was... Het sloeg nergens op. Ik was 21 jaar, het vrat me op. Ik dacht er zelfs aan om te stoppen omdat ik geen zelfvertrouwen meer had. Ik was voortdurend gestresseerd, of ik nu speelde of niet. Gelukkig kon ik me herpakken bij Waterloo Ducks. Toch was het daar ook niet simpel. Na een jaar wilde de voorzitter me laten gaan. Gelukkig zetten de trainer en de spelers druk om me te houden.' Je was op dat moment 23 jaar, je stond op een jaar van de Olympische Spelen, en bij de nationale ploeg was je niet in beeld. Vanasch: 'Toen ik bij de Watducks arriveerde, heb ik zelf gevraagd om niet meer geselecteerd te worden. Ik wilde de tijd nemen om de dingen goed te doen. Tegelijkertijd wilde ik me op mijn studies concentreren, want ik was bezig mijn carrière te vergooien en daar leden ook mijn studies kine onder. Pas tijdens mijn tweede seizoen bij de Watducks kreeg ik opnieuw goesting in hockey. 'In september 2011 stuurde ik een mail naar Colin Batch ( destijds coach van de Red Lions, nvdr.) om hem te zeggen dat ik me opnieuw ter beschikking stelde van de nationale ploeg. Hij antwoordde dat hij al vier keepers had, en dat hij mij niet nodig had. Ik was niet verbitterd, maar dat gaf me een enorme honger. Gedurende zes maanden speelde ik de sterren van de hemel, en Batch nodigde me uit voor een stage in februari, in Alicante. Vlak voor de Spelen, en vlak nadat ik de titel had gewonnen met de Watducks, belde hij me om me te vertellen dat ik zijn nummer één zou worden in Londen. Dat was een groot moment, en achteraf denk ik dat het een keerpunt was in mijn carrière. Ik herinner me nog precies het moment waarop ik de telefoon ophing. Ik was in tranen. Ik was bij mijn vader, we trokken meteen een fles champagne open.' Wat is het verschil tussen de Red Lions van toen en de groep van nu? Vanasch: 'Het is niet altijd rooskleurig geweest. Toen we ons voorbereidden op Peking 2008, waren er ploeggenoten die niet wilden spelen met mij. Ze dachten dat ik het groentje zou zijn die stomme doelpunten ging pakken. Wanneer je jong bent en in een groep terecht komt, is het shockerend om zulke dingen te horen of te voelen. Mij heeft dat voor het leven getekend. Vier jaar later speelde ik in Londen een zotte match tegen India. We wonnen met 3-0, maar ik had vijftien of twintig reddingen gedaan. Na de wedstrijd werd ik aangeklampt door de pers, dus ik kwam een beetje later terug in de kleedkamer, waar ze me allemaal opwachtten en applaudisseerden. Eén van de spelers die vier jaar daarvoor terughoudend was - Jérôme Dekeyser - nam het woord. Hij zei dat we op een dag titels zouden pakken met een keeper zoals ik...' Hoe vermijd je van in dezelfde fouten te vervallen, nu je zelf ancien bent? Vanasch: 'Je probeert zorgzaam te zijn. Neem het voorbeeld van Victor Wegnez. De dag dat hij in het team arriveerde, hoorde ik jongens tegen hem brullen omdat hij niet op de juiste plaats stond. Ik voelde dat hij een beetje zat te stressen, dus ben ik na de training naar hem toe gegaan: 'Maak je niet ongerust, speel zoals je wil spelen, en ik zal samen met de meest ervaren spelers compenseren wanneer je bijvoorbeeld een dribbel mist'. Dat is de instelling die we deze laatste jaren hebben kunnen creëren.' De Red Lions worden vaak voorgesteld als een vriendengroep. Klopt dat beeld? Vanasch: 'Natuurlijk, maar ik kan je verzekeren dat na vijf weken stage, zoals in januari, iedereen blij is om terug naar huis te keren. Ik zie ons meer als een familie dan een groep vrienden. We voelen ons goed bij elkaar, ontspannen. En we proberen zo open mogelijk te zijn, als het niet gaat, spreken we de zaken uit. 'Ik vond het niet plezant dat je zo tegen me sprak, kunnen we erover praten?' Dat soort dingen. Het is niet de bedoeling dat ieder in zijn hoekje zit te kniezen. We hebben trouwens allemaal persoonlijkheidstesten gedaan waarvan de resultaten voor iedereen beschikbaar zijn. Zo kunnen we zien hoe de een of de ander reageert in een bepaalde situatie. Sommige jongens haten het als er tegen hen geroepen wordt, anderen houden daarvan. Het is belangrijk om dat soort zaken te weten.' Waar in het spectrum situeer jij je? Vanasch: 'Op mij moeten ze niet te veel roepen. Anders sluit ik me af, dan word ik een beetje doofstom op het terrein. En dat bevalt me niet. Door ervaring begrijp ik nu bepaalde zaken beter. Vroeger ging ik minder en minder praten als ik een doelpunt binnen kreeg, en begon ik pas terug te communiceren als ik een mooie redding deed. Als ik nu een doelpunt pak, ga ik net meer praten en tonen dat ik geen schrik heb. Lichaamstaal is belangrijk. Wanneer je een verslagen indruk maakt, speel je je tegenstander in de kaart. Zelfs tegenover je eigen ploeg is het belangrijk dat ze weten dat de volgende bal voor jou is.' Er wordt wel eens gezegd dat je een klein beetje gek moet zijn om doelman te zijn in het hockey. Wie jou bezig hoort, ziet veeleer een kalm en beheerst type. Of is dat een vergissing? Vanasch: 'Vaak zeggen jonge gastjes me: 'Ja! Ik wil ook doelman worden.' Vervolgens zie ik hen bezig op training en draaien ze zich weg bij elke inkomende bal. Die angst zie je onmiddellijk, want die is onoverkomelijk. Ik heb me nooit weggedraaid, ook al kwamen de ballen aan 130, 140 kilometer per uur. Dus ja, ik denk dat je inderdaad een beetje gek moet zijn. Temeer omdat ik met een uitrusting speel die dunner is dan die van anderen, want ik heb altijd de behoefte gehad om me vrij te voelen. Soms lijkt het wel chirurgie: ik snij erin, verwijder beschermingen, enzovoorts. Velen voelen zich onvoldoende beschermd met mijn uitrusting. Mij bevalt het, maar je moet er wel tegen kunnen dat je huiswaarts keert met blauwe plekken over je hele lichaam.' Wat zijn de gelijkenissen en verschillen met een doelman in het voetbal of het handbal? Vanasch: 'Ik denk dat Thibaut Courtois eens gezegd heeft: 'We kunnen alleen de match redden.' Wij zijn altijd afhankelijk van de ballen die we krijgen, en sommigen zijn onhoudbaar. Wat ons verbindt, is de ondankbare kant van onze positie, het feit dat de kleinste fout tot een doelpunt kan leiden. We hebben ook een bepaalde soepelheid gemeen, een manier van aanvoelen van het spel. Het grootste verschil is, weinig verrassend, de populariteit van onze sporttakken. Soms ben ik jaloers op de massale publieke belangstelling in het voetbal. Iedere zondag een bomvol stadion, dat geeft goesting om te spelen.' Je parcours getuigt van ambitie: gisteren India en Nederland, na de Spelen Duitsland en Keulen. Vanasch: 'Het is ambitieus, dat geef ik toe. Ik ben nooit verzadigd en ik treed graag buiten mijn comfortzone. Om mooie dingen mee te maken, is dat soms belangrijk. Mijn keuze voor een club paste altijd binnen het streven naar het hoogste niveau. Achteraf is dat voor mij heel duidelijk. Met de Watducks wonnen we de Euro Hockey League (EHL), vergelijkbaar met de Champions League in het voetbal. Niemand geloofde erin, het was een ongelooflijk verhaal, maar nadien had ik zin in een nieuwe persoonlijke uitdaging. Ik wilde nog vier jaar met de nationale ploeg spelen, tot Parijs 2024, en dus stelde ik mezelf de vraag: wat kan je gaande houden tot dan? Vandaar is het idee ontstaan om naar Duitsland te gaan. Want als ik de EHL win met Keulen, zal ik de enige speler ter wereld zijn die dat in drie verschillende landen heeft binnengehaald.' Je populariteit steeg nog een trapje tijdens het laatste EK, toen je een beroep deed op de VAR tegen de Duitsers, terwijl België 2-0, bijna 3-0 achter stond. Dat geannuleerde doelpunt, en de wederopstanding naar 4-2 die erop volgde, zegt dat veel over jouw persoonlijkheid? Vanasch: 'Het zegt vooral iets over de professional die ik ben. Ik bestudeer het spel voortdurend, het is bijna een obsessie. Zo ontdekte ik dat kleine foutje in het spel van de Duitsers. We hadden hen voor die match al verschillende keren ontmoet, ik wist al langer dat ze met de hand achter de stick blokkeerden bij penalty corners. We hadden echter met de coach afgesproken om er niet tegen te protesteren. Die cartouche moesten we houden voor een grote match. Tijdens onze ontmoeting zag ik telkens dezelfde fout, op elke penalty corner. Ik wachtte mijn moment af. 'Toen dat derde doelpunt viel, was ik zeker dat er een hand tussen zat, want de bal werd mooi gestopt, wat praktisch onmogelijk is. Dat is zeker een van mijn mooiste herinneringen, zeker de blik in de ogen van de andere spelers toen de scheidsrechter me gelijk gaf. Het was als een elektrische schok. Dankzij mij was de match niet gedaan. Ik heb de indruk dat de mensen die dag helemaal begrepen hebben dat ik een echte professional ben. Niet zomaar een goede keeper die mooie reddingen doet, maar een vindingrijke gast die alle middelen gebruikt om te slagen. Ik ben altijd zo geweest, maar ik heb 32 jaar moeten wachten om het aan het grote publiek te tonen.' Droomde je van jongs af aan van de roem? Vanasch: 'Neen, nooit. Daar droom je niet van als je hockey speelt in België. Zeker niet met mijn traject. Ik denk dat ik altijd een beetje talent had, maar mijn succes is te danken aan hard werken. Daar ben ik zeer nederig in. Ik ben niet vergeten hoe we tien jaar geleden 10-0 verloren tegen Australië...'