Nog nooit is een Europees team wereldkampioen geworden buiten het oude continent. Net als in 2002 in Japan/Zuid-Korea lijkt Zuid-Amerika op neutraal terrein de beste kaarten te hebben om de kroon opnieuw op te zetten.
...

Nog nooit is een Europees team wereldkampioen geworden buiten het oude continent. Net als in 2002 in Japan/Zuid-Korea lijkt Zuid-Amerika op neutraal terrein de beste kaarten te hebben om de kroon opnieuw op te zetten. Het Europese voetbal verkeert in gevaar. Van 1982 tot en met 2006 bereikten telkens negen of tien Europese teams de tweede ronde van de wereldbeker. In Zuid-Afrika zijn het er slechts zes: Duitsland, Engeland, Nederland, Portugal, Slowakije en Spanje. Zeven ploegen werden meteen uitgeschakeld, waaronder supermachten als Frankrijk en Italië (de twee finalisten van het WK 2006 in Duitsland). Van de vijf grote voetballanden (Frankrijk, Italië, Engeland, Duitsland en Spanje) was geen enkel voor de derde wedstrijd verzekerd van een plaats in de tweede ronde. Dat is nooit vertoond. Als het slecht gaat met de grote teams, gaat het slecht met het hele voetbal. Frankrijk en Italië konden niet één wedstrijd winnen. Engeland was in de eerste ronde buitengewoon gewoon, Duitsland strompelde soms en Spanje nam zijn toevlucht tot een niet-aanvals-pact met Chili. Het kan geen toeval zijn. De oorzaken zijn veelvoudig. De topteams vertrekken telkens weer met een enorme druk en een immens verwachtingspatroon naar het WK. De hype rond de selecties is ondraaglijk geworden. Elk voorval krijgt de allure van een nationale ramp en wie niet presteert, wordt genadeloos afgemaakt. Fabio Cannavaro, vier jaar geleden uitgeroepen tot de beste speler van de Weltmeisterschaft, slaakte bij zijn afscheid aan de Azzurri een noodkreet. Volgens hem zijn de prestaties van de Squadra Azzurra een reflectie van de staat waarin het Italiaanse voetbal zich bevindt: versleten stadions, wangedrag van supporters en geen doorstroming van jonge spelers. Cannavaro is 36 en Marcello Lippi trok met negen spelers van boven de dertig naar Zuid-Afrika. De Italiaanse bondsvoorzitter Giancarlo Abete wil het probleem aanpakken. Hij laat Lippi opvolgen door Cesare Prandelli, de trainer van Fiorentina, die bekendstaat voor zijn werk met jonge spelers. Prandelli krijgt bovendien een vierjarig contract, zodat het voor iedereen duidelijk moet zijn dat er geen onmiddellijk succes moet worden verwacht. Abete ziet echter een breder probleem en wil dat de Europese Unie en de UEFA ingrijpen. Hij wil de regels veranderen zodat clubs verplicht worden meer eigen spelers op te leiden. In de Serie A is slechts 42 procent van de spelers selecteerbaar voor de Squadra Azzurra. Inter won vorige maand de Champions League, maar speelde meestal zonder Italiaan in de basis. Eigen spelers krijgen door de Europese wetgeving te weinig kansen en hebben nauwelijks internationale ervaring. Wie wel speelt, heeft een loodzwaar programma en krijgt van zijn club de boodschap mee dat de Champions League veel belangrijker is dan interlandvoetbal. Hij weet ook dat de nationale ploeg om de twee jaar zijn vakantie opeist. Als deze wereldbeker iets duidelijk heeft gemaakt, is het dat Europa zijn voorsprong aan het verliezen is. Vier jaar geleden kwamen de vier halvefinalisten uit de EU en waren zes van de acht kwartfinalisten Europees. Dat cijfer is nu al niet meer haalbaar. Afrika trappelt ter plaatse, maar de rest van de wereld is in aantocht. Nieuw-Zeeland, dat nauwelijks dertig profvoetballers telt, liep hier niet één nederlaag op. Japan en Zuid-Korea boeken nu ook buiten Azië successen. Noord- en Midden-Amerika halen twee op drie en alle vijf de Zuid-Amerikaanse teams stoten door naar de tweede ronde. De opmars van Zuid-Amerika is opvallend. Niet alleen Argentinië en Brazilië doen het goed. Carlos Alberto Parreira, de wereldkampioen van 1994, gelooft dat de Zuid-Amerikanen hun succes danken aan een opleiding en speelwijze die gebaseerd is op snelheid en creativiteit. Hun betere voetballers spelen bovendien in Europa, in de sterkste competities van de wereld. Diego Maradona looft het Zuid-Amerikaanse kwalificatietoernooi, waarin alle ploegen tegen elkaar spelen. De Latijns-Amerikaanse ploegen werken in de voorronde achttien interlands af tegenover tien of twaalf voor de Europese teams. Bovendien spelen alle landen twee keer tegen toppers als Argentinië en Brazilië. "In Europa ben je bijna geplaatst als je tegen de Faerøer wint", aldus Maradona. Nog meer interlandvoetbal in Europa lijkt echter een onmogelijke zaak. François Colin volgt de wereldbeker voetbal voor de achtste keer ter plaatse. door françois colin" Alleen meer kansen voor eigen spelers kan terugval Europese landenteams voorkomen. "