De zon schijnt fel op de Piazza del Duomo, het toeristisch hart van Milaan. Alleen hier wordt er geslenterd, door de stijlvolle Galleria Vittorio Emmanuelle II, of langs de Corso Vittorio Emmanuelle, waar zich e Piazza San Babila de grootste concentratie aan trendy kledingwinkels bevindt. Elders in de stad kuieren de mensen niet, maar haasten ze zich voort. Milaan flaneert niet, het wérkt ! Nog altijd is de stad het economisch hart van Italië, ijver die het koppelt aan stijl. Met 1,3 miljoen inwoners is Milaan Italië's tweede grootste stad, met de helft van het inwonersaantal van Rome, maar net iets groter dan Napels en Turijn.
...

De zon schijnt fel op de Piazza del Duomo, het toeristisch hart van Milaan. Alleen hier wordt er geslenterd, door de stijlvolle Galleria Vittorio Emmanuelle II, of langs de Corso Vittorio Emmanuelle, waar zich e Piazza San Babila de grootste concentratie aan trendy kledingwinkels bevindt. Elders in de stad kuieren de mensen niet, maar haasten ze zich voort. Milaan flaneert niet, het wérkt ! Nog altijd is de stad het economisch hart van Italië, ijver die het koppelt aan stijl. Met 1,3 miljoen inwoners is Milaan Italië's tweede grootste stad, met de helft van het inwonersaantal van Rome, maar net iets groter dan Napels en Turijn.Milaan wil, sinds zijn ontstaan als kruispunt tussen Rome en het noorden, vooruit. Het wentelt zich niet, zoals Firenze en Rome, in een groots verleden. Succes moet hier elke dag weer afgedwongen worden. Dat weerspiegelt zich ook op sportief vlak. Begin vorige week was heel Milaan nog ziek, omdat de twee torenhoge favorieten voor het kampioenschap, Inter en AC Milan, definitief lijken af te haken in de strijd om de hoogste prijs. Aan het scudetto kan geen enkele andere prijs tippen, en dat scudetto lijkt nu, net als vorig jaar, weggelegd te zullen zijn voor het fel gehate Juventus. Ging Inter vorig seizoen pas op de slotdag onverwacht nog onderuit, nu lijkt het verdict al vroeger te zijn gevallen. En dat ondanks het feit dat de twee Milanese clubs zich afgelopen zomer als enige uiterst bedrijvig toonden op de transfermarkt. Toch trok er vorige week een siddering van genot door Milaan. Aan de kwalificatie van Inter ten koste van Valencia voor de halve finales van de Champions League werden geen grote woorden verspeeld. 'We zijn dan wel al in de eenentwintigste eeuw, maar we zijn de kunst van het catenaccio nog niet verleerd', titelde de Gazzetta dello Sport op de voorpagina. 'Inter haalde de halve finales met wapens waarvan we dachten dat ze voorgoed begraven waren. Als de emotie afgekoeld is, moet trainer Cuper eens uitleggen waarom Inter weigerde te voetballen en het talent van zijn klassespelers aan banden legde.'Ook de kwalificatie van AC Milan tegen een moedig Ajax werd niet op veel superlatieven onthaald. Terecht, want de rossoneri kropen in blessuretijd door het oog van de naald. Toch is Italië wat blij met het Europese succes. Voor het eerst sinds 1998 heeft het land weer een finalist in de Champions League. De laatste drie jaar bereikte immers geen enkele van de vier clubs die Italië elk jaar mag afvaardigen naar het kampioenenbal, de halve finales. En nu plots drie ! Een échte primeur is een affiche tussen twee clubs uit dezelfde stad in de halve finales van de eerste Europabeker echter niet. In 1959 nam Real Madrid in de halve finales afstand van stadsgenoot Atletico, waarna het tegen het Franse Stade de Reims zijn vierde opeenvolgende beker in de wacht sleepte.Op 7 en 13 mei 2003 zal Milaan dus weer de voetbalhoofdstad van Europa zijn. Het stadion Giuseppe Meazza ten noordwesten van het centrum is te bereiken met de tram en de bus. Precies omdat het bij de bouw in 1926 zo ver van het centrum lag, legde de stad immers een speciale tramlijn aan voor de wedstrijddagen. De Milanese voetbaltempel is het op twee na oudste stadion in Italië, na dat van Venetië (1913) en Parma (1921). De opdrachtgever was toenmalig Milanvoorzitter en grootindustrieel Piero Pirelli, de befaamde bandenproducent. Van zijn macht getuigt de Pirellitoren nabij het indrukwekkende treinstation Stazione Centrale, vanwaar men een goed zicht heeft op het stadscentrum. De laatste jaren prijkt de naam van Pirelli als hoofdsponsor op de truitjes van stadsrivaal Inter. De naam San Siro, zoals het stadion toen heette, komt van de beschermheilige van het kleine kerkje naast het stadion. Op 19 september 1926 werd het bouwwerk, in één jaar opgetrokken door de architect die zes jaar later ook de imposante hall van het Stazione Centrale zou ontwerpen, ingehuldigd. Dat gebeurde met een derby tegen Inter, dat het feestje danig vergalde door met ruime 3-6 cijfers te winnen van de thuisploeg. In 1935 kocht de stad het stadion van AC Milan en bouwde het vier jaar later uit tot een voetbaltempel met 55.000 plaatsen. Tot na de Tweede Wereldoorlog bleef het de thuishaven van de rossoneri. Pas eind jaren veertig verhuisde ook Inter, dat sinds 1912 in de Arena aan de Via Goldoni speelde, naar San Siro. Met de laatste verbouwing - ter gelegenheid van het WK '90 in Italië - werd de capaciteit verder opgevoerd tot 85.000 plaatsen (het meeste in Italië) en veranderde het stadion ook van naam. Het werd genoemd naar Giuseppe Meazza, de legendarische spits van Inter die wegens te klein en te mager bij Milan was doorgestuurd. In 1930, op zeventienjarige leeftijd, werd hij titularis in de nationale ploeg, waar hij 53 caps verzamelde. Nog altijd is Meazza Inters topschutter aller tijden. Qua toeschouwersaantallen doet ook vandaag niemand beter dan de beide Milanese clubs : Inter heeft 41.990 abonnees, Milan 40.915. Nu de financiële crisis het Italiaanse voetbal teistert, wordt duidelijk waar nog het echte kapitaal zit. Het zwaartepunt verschoof opnieuw naar het noorden, waar het ook lag in de begindagen van het Italiaanse voetbal. Toen verdeelden de clubs uit Genua, Turijn en Milaan de prijzen onder elkaar. In het allereerste Italiaanse nationale elftal kwamen acht van de elf spelers van één van de vier clubs die Milaan toen telde.De rivaliteit tussen de twee overgebleven Milanese clubs mag dan groot zijn, ze is niet gestoeld op religieuze of politieke tegenstellingen. Milan heet een volksclub te zijn met Engelse origine. De stichter, Herbert Kilpin, was een 26-jarige Engelse bediende die in een Milanese onderneming werkte. Hij riep zichzelf uit tot speler-trainer van een team dat voor de helft uit Engelsen bestond, en koos als clubkleuren rood, kleur van het vuur en de duivel, en zwart, om de tegenstanders nog meer schrik aan te jagen. Kilpin speelde als midvoor in de eerste drie Milanese kampioensteams. FC Internazionale ontstond uit een gezelschap kunstenaars en schrijvers, en heet daardoor nog altijd een tikje snobistisch te zijn. Het zou zijn aanhangers rekruteren uit de betere lagen van de Milanese bevolking in het noorden van de agglomeratie. Het ontstond op 9 maart 1908 toen vijftien leden zich losscheurden van AC Milan. Initiatiefnemer was schilder Giorgio Muggiani, een man met een open geest die in het Zwitserse Sankt Gallen had gestudeerd. Zijn ergernis betrof het voornemen van de toenmalige Milanvoorzitter om voortaan buitenlanders uit de club te weren. Daarom vond Muggiani de naam Football Club Internazionale een goed idee voor een nieuwe club. Die avond in het chique restaurant L'Orologio in de schaduw van de imposante Duomo koos hij als kleuren blauw (de hemel) en zwart (de nacht). Ook op het veld maakte de club haar open reputatie waar : van de elf spelers die in 1910 Italiaans kampioen werden, hadden er acht de Zwitserse nationaliteit. Omdat de naam Internazionale te zeer verwees naar het socialistische volkslied, werd Inter tijdens het fascisme verplicht om een Italiaansere naam aan te nemen. Als Ambrosiana won het in 1929-30 het eerste ééngemaakte Italiaanse kampioenschap. Meteen na de oorlog nam het zijn oude naam weer aan. Echt groot werd Inter pas tijdens het bestuur van voorzitter Angelo Moratti. Van 1955 tot '68 won hij twee keer de EC1, één Uefabeker en drie landstitels. Zijn buste siert nog altijd de inkomhal van het trainingscentrum La Pineta in Appiano Gentile, ver weg van de Milanese smog en op slechts een vijftiental kilometer van het Comomeer. Moratti was na de oorlog, zoals zoveel andere Italianen, van plan om de wijk te nemen naar het buitenland, maar zag daar uiteindelijk van af en maakte gauw naam en geld in de petroleumsector. Steenrijk geworden pompte hij kapitalen in Internazionale, dat zijn talrijke prijzen won dankzij een tactisch systeem uitgedokterd door de Argentijnse trainer Helenio Herrera.. Herrera, ook de Magiër genoemd, perfectioneerde de kunst van het georganiseerd verdedigen, het befaamde catenaccio, met extra aandacht voor de libero en de snelle tegenaanval, de counter of contropiede. Saillant detail : aanvankelijk had Moratti zijn zinnen gezet op de Braziliaanse bondscoach die op het WK 1958 wereldkampioen werd, maar de brief die Inters secretaris hem stuurde was zo lang onderweg, dat het jawoord van de bondscoach de club pas bereikte toen de voorzitter al bezweken was voor Herrera, toen de trainer van Barcelona. In de jaren vijftig en zestig was Milaan, met afwisselend successen voor Inter en AC, met Madrid dé voetbalhoofdstad in Europa. Maar tussen 1971 en '87 was het armoe troef.De ommekeer werd eerst ingezet bij AC Milan. Maart 1986, kort na de Europese uitschakeling in december 1985 tegen SV Waregem, landde op het trainingscomplex Milanello de helicopter waaruit de nagenoeg onbekende Silvio Berlusconi stapte. Voor bijna vier miljoen euro kocht hij de aandelen van voorzitter Farina, die op de vlucht was geslagen voor het Italiaanse gerecht. Berlusconi veranderde de hele sportieve staf, en verving onder meer de zwarte sokken door witte omdat die er op tv sierlijker uitzagen. Berlusconi wilde winnen, maar op een mooie manier. Milan moest een aantrekkelijk product worden. Hij vertrouwde zijn team toe aan een onbekende trainer die hij bij tweedeklasser Parma weghaalde : Arrigo Sacchi. De matig renderende Engelse spelers werden vervangen door een trio Nederlanders. Met het Hollandse lef van Ruud Gullit, Marco van Basten en Frank Rijkaard gooide de tactisch sterke Sacchi alle vaste waarden in het Italiaanse voetbal overhoop. In plaats van afwachtend voetbal predikte hij dominant spel. Meer dan de prijzen blijft uit die periode een manier van voetballen bij, waar ook de opvolgers van Sacchi nog altijd op afgerekend worden. Het zal Sacchi's leerling Carlo Ancelotti, verdedigende middenvelder in die grote periode, een troost wezen dat zijn leermeester in het huidige Milan een team ziet dat net als Real de laatste jaren in staat is sprankelend totaalvoetbal te brengen. Inter deed langer over zijn terugkeer aan de top. Na de laatste landstitel in 1989 liet de gecontesteerde voorzitter Ernesto Pellegrini in 1995 het merendeel van zijn aandelen over aan Massimo Moratti, zoon van de legendarische president. "Mijn doel is," aldus de nieuwe eigenaar bij zijn aantreden, "niet langer de tweede club in Milaan te zijn en de successen van mijn vader te evenaren." Berlusconi belde hem met gelukwensen en de wijze raad om aan de sportieve wederopbouw niet zoveel geld uit te geven als hij had gedaan. Aan geen van beide voornemens heeft Moratti junior zich gehouden. Tot vorig seizoen investeerde de bijzonder goed betalende voorzitter 450 miljoen euro in nieuwe spelers. Zestig kocht hij er in zijn eerste vijf jaar. De adviseurs die hij rekruteerde uit het vroegere sterrenelftal van zijn vader spraken elkaar wel eens tegen, en om niemand voor het hoofd te stoten gaf hij ieder dan maar zijn zin. Al jaren heeft Inter de hoogste salarislast van alle eersteklassers : 100 miljoen euro nu. In ruil daarvoor kreeg Moratti alleen de Uefacup in 1998. Ondanks dat lage rendement versaagt hij niet. Als de kritiek op de verdedigende aanpak van Cuper blijft aanhouden en de Argentijn niet voorbij Milan geraakt in de Champions League, zal de voorzitter gewoon voor de volgende trainer gaan. Sinds zijn machtsovername zou dat dan al de twaalfde zijn.Niet dat Moratti senior daar onrustig van wordt. Hij weet dat zijn succesvolle vader in zíjn eerste vijf jaar ook elf trainers versleet en de eerste ácht jaar geen enkele prijs pakte. Hij zit dus mooi op schema. Zijn agenda leert hem dat hij precies acht jaar aan de macht is. Tijd om te oogsten.door Geert FoutréInternazionale is ontstaan uit een gezelschap kunstenaars en schrijvers.Milan heet een volksclub te zijn, opgericht door een Engelse bediende.