Ooit hadden we het genoegen te tafelen met sir Alex Ferguson, in de aanloop naar het EK'96. Niet alleen, uiteraard. Moeiteloos hield hij een tafel van een man of twaalf stil met zijn discours. Dat wat rare binnensmondse Schots van hem zat daar voor een deel tussen, maar ook de inhoud van zijn woorden. Beslist een man met een mening en een visie. Op een bepaald moment vroeg hij wie het grootste aanstormende Belgische talent van het moment was. Emile Mpenza ontbolsterde toen net bij KV Kortrijk. "Mmm", zei hij, waarop net geen volledig scoutingrapport over de lippen rolde. Deze man wist wat er op de markt was. Zelfs de Belgische.
...

Ooit hadden we het genoegen te tafelen met sir Alex Ferguson, in de aanloop naar het EK'96. Niet alleen, uiteraard. Moeiteloos hield hij een tafel van een man of twaalf stil met zijn discours. Dat wat rare binnensmondse Schots van hem zat daar voor een deel tussen, maar ook de inhoud van zijn woorden. Beslist een man met een mening en een visie. Op een bepaald moment vroeg hij wie het grootste aanstormende Belgische talent van het moment was. Emile Mpenza ontbolsterde toen net bij KV Kortrijk. "Mmm", zei hij, waarop net geen volledig scoutingrapport over de lippen rolde. Deze man wist wat er op de markt was. Zelfs de Belgische. Daar begon het allemaal. In Govan, een van de ruigste buurten van Glasgow. 667, Govan Road, daar stond het huisje van de familie. In de schaduw van de scheepswerven langs de River Clyde. In december 1941, toen Alexander werd geboren, was dit de navel van heel veel drukte. Niet alleen WO II zat daar voor iets tussen, Govan zou de hele twintigste eeuw, tot de industriële crisis van de jaren zeventig, een bloei- en broeihaard van bedrijvigheid zijn. Alex en zijn jongere broer Martin pleegden er aan de poorten van de scheepswerf op hun vader te wachten, genietend van de drukte, het getier. Hun working class hero was hij, net als de vader van Matt Busby een mijnwerker, of Bill Shankly of Bob Paisley, allemaal mannen die het Engelse voetbal een smoel gaven. Het zou hen tekenen, de cultuur van de werkende klasse: het gevoel van loyaliteit en inzet. In Engeland krijgen huizen vaak een naam. Het Engelse van Alex Ferguson heet Fairfields. Geen verwijziging naar het sprookjesachtige karakter van de buurt, in Cheshire, maar naar de gelijknamige scheepswerf waar zijn vader en broer de kost verdienden. Zijn eerste racepaard heette Queensland Star, naar de boot die zijn pa mee hielp bouwen. Govan zit diep in het lijf van Alex Ferguson. Religie minder. Alex was de zoon van een protestant die trouwde met een katholiek meisje. Hij deed hetzelfde. Niet voor de kerk, anders moest voor één godsdienst worden gekozen. Supporteren voor Rangers deed hij wel, al zou zijn verblijf bij de club uit Glasgow maar van korte duur zijn en niet helemaal succesrijk. In de naweeën van die teleurstelling overwoog Alex Ferguson, Schotland wat beu, even een verhuis naar Canada, waar de zus van zijn vader leefde. Uiteindelijk ging dat niet door. Het voetbal had anders wat gemist. De Fergusons hadden het niet breed. 667, Govan Road was een woonkazerne met verblijven van twee slaapkamers en een keuken. De Fergusons mochten zich gelukkig prijzen: zij hadden een toilet in huis. De meesten moesten het op de gang met andere bewoners delen. Een bad hadden ze niet, wel een zinken tobbe die in de keuken werd bewaard, onder het bed waar de ouders sliepen. Die keuken-slaapkamer was tegelijk living. De twee jongens deelden een kamer, de andere kamer was verhuurd aan een Iers koppel. Ruimte was er amper, ook niet op straat. Scheepswerven gaven toen nog aan heel veel volk emplooi. In zijn biografie Managing My Life verwijst Ferguson naar arme buurten in Amerikaanse films als The Godfather II om een idee te krijgen van hoe ze leefden. Hun flat lag op de eerste verdieping, onder hen was een levendige pub. Ze gingen naar de worst school van Glasgow en vochten daar en op straat hun eigen oorlogen uit. Iemand trakteerde de jonge Alex ooit op een drankje, wat urine bleek te zijn. Ferguson nam wraak door met biljartballen te gooien. Veel van zijn vrienden begonnen te drinken of eindigden in de gevangenis. Toen hij manager was van Aberdeen ging Ferguson ooit langs in een gevangenis. Een van de zwaarste gevallen bleek een jeugdvriend. Alex Ferguson hield er een sterke afkeer van drank bij zijn spelers aan over. Die drankcultuur bannen kostte hem in zijn beginjaren bij United heel veel moeite. Zeker, zelf slaat hij goeie wijn niet af, maar voetballers en drank rijmen niet. Paul McGrath, Norman Whiteside, Bryan Robson zelfs, Mo Johnston, veel voetballers die het toch probeerden, maakten van hem hun grootste vijand. En nog iets uit die periode draagt hij in zich. Zijn vader, zegt hij in die biografie, was een stil en rustig man, die uren kon zitten lezen. Maar als hij zijn kalmte verloor, leek het net alsof een vulkaan uitbarstte. Zo is Alex Ferguson ook, hij geeft het toe dat hij zichzelf soms niet onder controle heeft. Een rustig, bedaard man, die voor een wedstrijd zijn tactische uiteenzetting beperkt houdt tot een halfuurtje en zich daarna terugtrekt en de spelers hun ding laat doen. Bij voorkeur nog wat thee drinkt met de manager van de tegenpartij. Maar o wee als de vulkaan uitbarst, dan is geen speler of fles veilig. Dan kan die boven het hoofd van de voetballer in de kleedkamer net zo goed tegen de muur uit elkaar spatten. Zelfs de grootsten, zoals Gordon Strachan, overkwam het. Als kind had hij zijn portie lichamelijk leed. Twee herniaoperaties, nierproblemen... Soms deed hij het zichzelf aan. Letsels van gevechten, of snijwonden, als ze weer een keer een glas braken om een bal te 'lenen'. Het waren geen doetjes, de schoffies uit Govan. Door die fysieke problemen raakte hij achterop in de school. Dezer dagen zou zo iemand bijlessen krijgen, toen niet. Alex Ferguson werd als tiener naar de fabriek gestuurd om te werken. Toolmaker was hij, iemand die gereedschap maakte. In twee fabrieken (Wickman en Remington Rand) zou Alex Ferguson de kost verdienen. En daarnaast was er voetbal, veel voetbal. Amateurvoetbal op heilige grond. Zijn eerste club was Queen's Park, dat zijn thuiswedstrijden afwerkte in het legendarische Hampden Park. In zijn biografie vertelt Ferguson over zijn eerste trainingen: alle trappen van dat immense stadion op- en aflopen. Toen zijn longen zowat uit elkaar spatten, begreep hij waarom er op het hoogtepunt 149.000 man in dat stadion konden. De fysiek vond hij later als manager altijd heel belangrijk. Bij zijn aantreden in 1986 was een van de grootste problemen van staartploeg Manchester United het grote aantal lichtgewichten in de basisploeg. Maar elke voetbaltraining moet in zijn ogen te maken hebben met de bal, met passing. En herhaling, dat was ook belangrijk. Altijd weer herhalen. Spelers die dat vervelend vinden, zijn spelers die de goeie mentaliteit missen. David Beckham is niet een wereldvoetballer geworden omdat hij meer talent had dan een ander. Beckham werd het omdat hij voortdurend werkte en herhaalde. Toen Eric Cantona van Leeds naar Manchester United verhuisde, vroeg die na afloop van zijn eerste training of er geen twee man na kon blijven. Waarom, was de verbaasde vraag van Ferguson. Om nog wat te trainen, zei Cantona. De dagen erna bleven ze bijna allemaal. Cantona, zei Ferguson, was voor zijn jonge bende bij United niet alleen belangrijk op het veld, maar evenveel ernaast. Jeugd is nog zo'n dada van Ferguson. Een manager moet oog hebben voor opvolging, voor verjonging. jonge spelers brengen een nieuwe drive in het elftal. Hij zegt nooit te hebben gewerkt voor een first team alleen, wel voor een hele club. Dat hield in: een goeie opleiding voorzien. Daarna was het aan de speler zelf, want "niemand, behalve jij en jouw inzet bepalen of je een plaats in de A-ploeg afdwingt." Jonge spelers raadde hij ook aan om te breken met hun oude vrienden. Zeker als die 'genoten' van het leven. Ze hadden nu eenmaal niet dezelfde agenda als prof. Hij geeft het toe: enige drang om het leven van zijn voetballers te controleren is hem niet vreemd. Toen hij ooit te horen kreeg dat een speler van hem er de kantjes afliep en geregeld ging stappen, stoof hij op een middag een feestje bij hem thuis binnen. Ryan Giggs, toen nog een jonge belofte, stond er te dansen. Ferguson legde prompt de boel stil en de speler werd even later getransfereerd. Manager zijn is meer dan de lijnen op het veld uitzetten. Managen is werk van 24 uur, af en toe onderbroken door wat vakantie met de familie of een wedstrijdje golf. Het trainen zat hem al vroeg in het bloed, als 22-jarige (!) volgde hij al cursussen en opleidingen als trainer. Niets liever deed hij dan bij Dunfermline de uren voor een wedstrijd doorbrengen in het gezelschap van oudere spelers, om er over tactiek te lullen. "Daar werden de kiemen van mijn carrière geplant, in het eetzaaltje van de Regal." Hij was een spits, Ferguson, linksvoetig. Een vaardige, ook al schopte hij het nooit tot international. Geld was in die dagen nog vaak een probleem, ze verdienden niet veel en kregen het soms ook niet betaald. Dus was Sir Alex in die dagen voor en na zijn uren als speler... cafébaas. Fergie's, zo heette de tent dus, in de ruwe havenbuurt, want hij zocht geen rustige plek voor zijn zaak maar eentje die leefde. Geregeld werd er geknokt, ook door de cafébaas, geen doetje. Ooit schopte hij met zijn laatste ploeg, Ayr, op tournee door Guyana, een speler bewust van het veld. Hij was manager, maar kon het niet aanzien hoe een van zijn spelers brutaal werd aangepakt. Toen de scheidsrechter niet ingreep, wisselde hij zichzelf in de ploeg. Toen hij terecht rood kreeg, bezwoer hij zijn spelers dat ze nooit iets van dat verhaal naar buiten mochten brengen. In zijn biografie deed hij het dan maar zelf. Sir Alex. Vaak beleefd, maar af en toe komt Govan even naar boven. door peter t'kint Sir Alex is een beleefd man, maar af en toe komt de havenbuurt Govan in hem naar boven.