WILLEM VAN HANEGEM: 'Er was een echtpaar, van wie de man aan een terminale ziekte leed. Hun dochter vroeg of hij een keer mocht komen, zijn laatste wens. Een ziekenwagen reed hem zo De Kuip in. Ik ben met hem door het stadion gewandeld, hij wees naar zijn plekkie. Het was een prachtige dag. Volgens de artsen had hij nog maar een paar dagen te leven, dit was echt zijn laatste uitje.
...

WILLEM VAN HANEGEM: 'Er was een echtpaar, van wie de man aan een terminale ziekte leed. Hun dochter vroeg of hij een keer mocht komen, zijn laatste wens. Een ziekenwagen reed hem zo De Kuip in. Ik ben met hem door het stadion gewandeld, hij wees naar zijn plekkie. Het was een prachtige dag. Volgens de artsen had hij nog maar een paar dagen te leven, dit was echt zijn laatste uitje. 'Een paar maanden later zie ik een interview met zijn vrouw. Wat bleek? Ze had al die tijd naast haar zieke man geslapen en was steeds wakker geworden door het hoesten en lijden. Maar de ochtend na zijn bezoek aan De Kuip hoorde ze niets. Toen ze in zijn bed keek, zag ze hem ook niet liggen. Ze liep de gang in en zag haar vent voor het open raam staan. Een beetje uit te rekken, zijn longen vol met lucht blazen. Het gekke is dat ze nog op vakantie zijn geweest en dat hij nog anderhalf jaar heeft geleefd. Ik geloof niet in wonderen, maar dit was op z'n minst heel frappant. 'Zijn vrouw vroeg of ik het vervelend vond dat ze de publiciteit had gezocht. 'Dat moet je zelf weten', zei ik. 'Als mensen maar niet denken dat het Lourdes is, want dan heb je elke dag busladingen vol bij het stadion.' Gekscherend bedoeld, maar tegelijk zit er wel iets in. Er zijn zo veel voorbeelden van mensen die er kracht hebben hervonden, dat je Feyenoord en De Kuip best een soort Lourdes zou mogen noemen. 'Zoals voor mijn vriend André. Zijn paard heette Van Hanegem, op de muur van zijn huis hing een bordje met De Kromme. Idolaat van mij en vooral van Feyenoord. Een heel lieve man, maar daar heeft kanker geen boodschap aan. Ook hij werd getroffen. Hij kon niet meer eten of drinken, in feite kon hij helemaal niets meer. Van Ernst Happel mocht André op donderdag naar de club komen. Hij reed zelf van Leiden naar De Kuip. Dat kon eigenlijk niet meer, maar hij wilde ons zó graag zien. Na de training zat hij gewoon ineens mee te eten en te drinken. Daarna reed hij naar huis en kreeg opnieuw geen hap meer door zijn keel. Annie, zijn vrouw, begreep er niets van. In Leiden was hij nergens toe in staat, in De Kuip leek het wel alsof er nieuw leven in hem werd geblazen.' 'Het Feyenoordgevoel is iets aparts, maar wát het nu precies is... Niet onder woorden te brengen. Als ik een poging moet doen, houd ik het maar op verbondenheid. Wat ik op Facebook allemaal voorbij zie komen, heb je bij geen enkele andere club. Verjaardagen, feesten, maar ook ziektes en overlijdens. De verbondenheid van Feyenoorders is ongekend. 'Ze zorgen voor elkaar, spreken af, gaan naar elkaars verjaardagen of begrafenissen. En samen naar Feyenoord. Waarom? Misschien zitten er veel mensen bij die het vroeger niet gemakkelijk hebben gehad, die werden gepest of een rotjeugd hadden. Die trekken dan naar de club waar ze in een gigantische familie worden opgenomen. 'Het Feyenoordgevoel... Er is een moment geweest dat ik het echt goed gevoeld heb. Dat was op de dag van de afscheiding tussen de amateurs en profs. Het ging er hard aan toe, emoties liepen hoog op. Mensen lieten elkaar niet uitpraten, sommigen begonnen te huilen. Maar het vreemde was: om de zo veel tijd begon iedereen broederlijk Hand in Hand Kameraden te zingen. En daarna ruzieden ze weer verder. Toen dacht ik voor het eerst: dit is wel een aparte club, hoor. Het gevoel dat die club losmaakt, dat mensen zo gestoord van Feyenoord kunnen zijn. Heel bijzonder.' 'Men vindt dat ik te veel mopper op Feyenoord en ik betrap me zelf er ook op dat ik extra kritisch ben. Dat komt omdat het míjn club is. Duitsers hebben er een uitdrukking voor: Wass sich liebt neckt sich. Zo is het wel. Op je eigen kinderen ben je net zo kritisch omdat je van ze houdt en hoopt dat ze iets van het leven zullen maken. 'Ik heb dat met Feyenoord. Als ik nu niets om die club had gegeven, zou ik me er niet druk om maken. Laat maar waaien. Ik heb dat met heel veel dingen, alleen niet met Feyenoord. Als ik naar Feyenoord zit te kijken, wil ik het beste. Het kan dat het eens niet loopt, maar als ze er niets aan doen, dan heb ik de pest in. Niet alles was vroeger leuker, maar we waren in ieder geval nooit tevreden. En daardoor werden we beter. Dat word je niet van een opgestoken duim na een foute pass over vijftien meter. Ik wil dat spelers beter worden en daarmee Feyenoord. 'Ik neem me weleens voor niet meer te zeuren. Maar ik blijf toch mopperen. Gelukkig maar. Mijn probleem is misschien dat ik met Feyenoord een geweldige tijd heb gehad, als speler en later trainer. Ik zou willen dat die tijd terugkeert. Feyenoord heeft zo veel jonge supportertjes die helemaal gek zijn van die club, maar die misschien één keer een bekerwinst hebben meegemaakt. Wij hebben alles beleefd: landstitels, Europacups, Wereldbeker... Dan weet je dat dát het mooiste is dat er bestaat. Ik gun dat alle Feyenoordsupporters. Die mensen zitten ieder seizoen weer te hopen en te hopen. 'Misschien lukt het dit jaar wel.' Feyenoord is de club van de hoop. En steeds draait het uit op een totale teleurstelling en worden ze weer uitgelachen op school en op het werk.' 'Vroeger waren wij geen vrienden van elkaar bij Feyenoord. Het ging er hard aan toe, we vertelden elkaar de waarheid, maar is dat niet juist vriendschap? Rinus Israël testte iedere nieuwe speler. Bij de eerste foute bal kwam hij vragen of hij zijn schoenen voor de training in de vriezer had gelegd. Maar zo'n jongen ging wel denken van: even opletten en scherp zijn. Je moet het samen doen. 'Elkaar op de schouders slaan, dat staat me niet aan. Dan lijk je aardig, maar interesseert de ontwikkeling van de ploeg of je collega je in feite niets. Ik heb weleens gezegd dat ik nooit een perfecte wedstrijd heb gespeeld en dat geldt eigenlijk voor iedereen uit mijn generatie. 'Tevreden' is een vreselijk woord. Als je bij ons niet presteerde en je kreeg toch een uitnodiging voor Oranje, dan gingen wij als spelers naar de bondscoach om te vragen of het wel zo'n goed idee was. Klinkt oncollegiaal, maar dat was voor de ploeg toch het beste. En voor die jongen ook. 'Als je het toch hebt over typisch Feyenoord. Een paar jaar terug kwam ik Jürgen Grabowski tegen, een jongen die aardig kon voetballen en voor ons een echte aanwinst was geweest. Maar wij hadden Henk Wery, een fijne kerel, en het stond ons niet aan dat hij moest wijken voor die Duitser. Wery was een echte Feyenoorder, een van ons. Toen hebben we die Grabowski tijdens een oefenwedstrijd tegen Eintracht Frankfurt laten voelen dat hij maar beter daar kon blijven. We raakten die jongen waar we maar konden. Het vreemde is: Grabowski zei dat hij het wel kon begrijpen. 'Zo doe je dat met ploeggenoten.' Hij is columnist en nóg kritischer dan ik. Het Duitse voetbal is toch niet onaardig, maar hij vindt het niks. Daar heb je het weer: zelfs als het goed is nog niet tevreden willen zijn.' 'Op een dag kwam er een man bij ons thuis. Of ik naar Feyenoord wilde, vroeg hij. Mijn gevoel zei dat ik dat maar moest doen. Zo is het begonnen. Zodra je eenmaal binnen bent bij Feyenoord, gebeurt er wat met je. Dan word je besmet met een of ander virus, of zo. Wat meehielp, was dat we meteen alles wonnen: kampioen en de beker. Pas dan merk je wat die club losmaakt. Zo veel mensen, zo gek van die club. In Utrecht ging ik weleens naar een broodjeszaak. Daar spraken ze niet over DOS of Velox, maar over Feyenoord. Volbloed Utrechters die elke twee weken naar De Kuip trokken. Later vielen spandoeken uit Dokkum en Leeuwarden op en als je een wedstrijdje in de provincie speelde, kwamen er bussen uit de Achterhoek en Zeeland. 'Je eigen gevoel voor die club groeit en wordt erger en erger. Ik ging ervan houden, ook al had ik vaak strubbelingen met het bestuur. Omdat ik Johan Boskamp wel een aardig mannetje vond, liet ik me vaak vlak voor tijd wisselen. Dan kon Jantje nog de volledige premie meepakken. Technisch directeur Fred Blankemeijer vond dat niks. 'Jij krijgt een medaille voor je 25e wissel', riep hij dan, waarop ik antwoordde: 'En jij krijgt een bos bloemen voor je 25e miskoop.' Dat kon in die tijd. Je zei waar het op stond. 'Wat mij tot op de dag van vandaag stoort, is de fabel dat Feyenoord wordt gezien als een club van harde werkers. Hard werken is toch niets bijzonders? Maar in mijn tijd konden we ook nog eens heel aardig voetballen. Er was geen betere ploeg. Feyenoord is ook, met Oranje in 1974, het beste elftal waarin ik heb gevoetbald. Beter kon niet. Dat team had alles. We konden op balbezit spelen en waren ook goed zónder bal. 'En als dat eens niet lukte, dan werd het fysiek. Tot de tegenstander murw was en we alsnog wonnen. Ik kan genieten van allebei. Barcelona is prachtig, maar Atlético Madrid is net zo mooi. Die passie, die ongelooflijke overlevingsdrang. Ziek zijn van verliezen, dat had ik zelf ook. Een jaar nadat we de Europacup I hadden gewonnen, werden we uitgeschakeld door UT Arad uit Roemenië. Nu nog irriteert me dat. Toen had je bij Blijdorp een benzinepomp van UTA. Nooit meer langs gereden. Dat UT wilde ik niet zien. Gek misschien, maar ik zou willen dat spelers van nu ook een beetje dat gevoel zouden hebben. Al kunnen ze dan misschien nergens meer langs rijden. 'Ik houd niet van Feyenoord vanwege alle prijzen die we hebben gewonnen. Die zijn slechts een extra bonus. Het gaat om wat je er hebt meegemaakt. De belevenissen, de herinneringen. Ik heb bij andere clubs ook prijzen gewonnen, maar het gevoel bij die verenigingen is gewoon anders. Als AZ of FC Utrecht verliezen, doet me dat vrij weinig. Als Feyenoord verliest, ben ik er ziek van. 'Ik zit soms naar Feyenoord te kijken dat ik wel kan huilen als ik zie wat fout gaat. Dan ben ik in staat om te schreeuwen. Zo veel maakt die club nog steeds bij me los. Misschien vinden mensen dat wel raar, al zie ik dat zelf niet zo. We praten over de grootste club van Nederland. Daarom stoor ik me zo aan dat onderdanige gedoe. 'We zijn geen titelkandidaat, we hoeven geen kampioen te worden, we hebben er niet het materiaal voor...' Schei toch uit. 'Op de een of andere manier is die nederigheid in de club geslopen. Toen ik trainer werd van Feyenoord riep ik na de eerste training dat we voor de titel gingen. De journalisten in de zaal kwamen niet meer bij van het lachen, maar ik keek naar mijn groep. Aardige spelers, vond ik. We verloren dat seizoen twee keer en stonden op die Coolsingel (een straat in Rotterdam waar de titel gevierd wordt, nvdr). 'Ik weet wat de Coolsingel losmaakt. In 1993 kwamen we vijf wedstrijden voor het einde aan kop. Toen wist ik al dat het niet meer mis kon gaan. Die ploeg van mij had toen wat ik als speler ook had: tot hier en niet verder. We speelden voor de mensen die zó lang al niets hadden gewonnen. Ik heb toen aan de rand van het bordes op het stadhuis een sigaretje gerookt en gekeken naar al die mensen beneden. Naar het feest, de ontlading, de trotsheid. 'Dat ze ons toen aan het begin van dat seizoen hebben uitgelachen, had ik ze al vergeven. Voor mij persoonlijk was het ook helemaal niet zo raar. Het gaat om spelers. Als die goed zijn en je geeft ze vertrouwen en het gevoel dat ze ook goed kunnen voetballen, dan kom je een eind. Maar je moet ze niet vertellen dat derde worden ook best goed is. Dat hoort niet bij Feyenoord. 'De grootste fout die wordt gemaakt is dat mensen die bij de club werken, beginnen te denken dat zij de club zijn. Nee, ze mógen er werken. Zij die er nu zitten hebben goede dingen gedaan, maar ook mindere dingen. Zoals spelers aangetrokken die niets of nauwelijks iets hebben toegevoegd. Ik zie al jaren spelers komen van wie je denkt: dit bestaat toch niet? En toch blijft die club zo groot. Dat is ook weer Feyenoord. Sommigen zeggen dat je geen supporter van Feyenoord bent voor je plezier. Je weet inderdaad dat je niet hoeft te rekenen op heel veel succes. En toch zit dat stadion vol. Wie als jong ventje De Kuip binnen komt, is voor de rest van zijn leven verkocht. Dat heeft met succes of prijzen niks te maken, wel met gevoel. Die mensen, díé zijn Feyenoord. Met z'n allen.' 'Zoals dat gaat met een liefde, kan ze je ook pijn doen. Als trainer weet je dat je een keer aan de beurt komt, maar als dat dan gebeurt bij je eigen club, doet dat veel verdriet. Ik wist dat ik als Feyenoorder misschien iets meer krediet had, maar tegelijkertijd óók dat alles eindig is. Dan gaat het over de manier waarop. Als je niks presteert, is het logisch. Maar wij waren kampioen geworden, een keer bijna en we wonnen twee keer de beker. 'De reden was dat ik met een aantal personen geen goede band meer had. Dan is het klaar en ga je maar weg. Ik was nog zo gek dat ik zei tegen Jorien van den Herik, de voorzitter: 'Betaal me de laatste maand uit en het is verder goed zo.' Dat heeft te maken met het feit dat het om mijn club ging. 'In het begin mijd je dat stadion als de pest, later blijkt de club toch zo te trekken dat je er altijd weer komt kijken. Clubliefde overwint, de aantrekkingskracht van Feyenoord is niet te weerstaan. Die club maakt je gewoon stapelgek. Feyenoord is als een soort huwelijk: soms heel vervelend, maar altijd overheerst het fijne gevoel. 'Nee, ik hoef later geen standbeeld voor De Kuip. Dat ze een tribune naar me hebben genoemd, is al erg genoeg. Ik heb er gespeeld en getraind, dat is het. Ik ben Feyenoord niet, ik heb al die prijzen niet gewonnen in m'n eentje. De ploeg, de club, de mensen: die hebben dat gedaan. Met z'n allen bij elkaar hebben we Feyenoord gemaakt tot wat het is, nog steeds de mooiste club die er bestaat.' DOOR MARTIJN KRABBENDAM EN CHRIS TETAERT - FOTO'S BELGAIMAGE'Feyenoorders zorgen voor elkaar, spreken af, gaan naar elkaars verjaardagen of begrafenissen. En samen naar Feyenoord.' WILLEM VAN HANEGEM 'Er zijn zo veel voorbeelden van mensen die er kracht hebben hervonden, dat je Feyenoord en De Kuip best een soort Lourdes zou mogen noemen.' WILLEM VAN HANEGEM 'Feyenoord is als een soort huwelijk: soms heel vervelend, maar altijd overheerst het fijne gevoel.' WILLEM VAN HANEGEM