Op weg naar Porz, een in de buurt van Keulen gelegen stadje en ooit een van de vele Belgische garnizoenen in Duitsland. Hier groeide Herman Vermeulen op. In een Belgische enclave en in een tijd dat de BSD (Belgische Strijdkrachten in Duitsland) nog als de tiende provincie van ons land gold. Vermeulen sleet er niet alleen zijn jeugd, hij begon in de plaatselijke club te voetballen, hij zette in omliggende verenigingen zijn eerste stappen als trainer, met een Duits diploma op zak. En toen Vermeulen later beroepsmilitair werd, bleef hij in Porz wonen, zij het in een ander huis dan dat waarin hij werd geboren. In 1992, toen de Belgische leegloop in Duitsland na de val van de Muur was ingezet, liet hij zich muteren naar Leopoldsburg. "Zonder de eenmaking woonde ik nu nog altijd in Duitsland", weet Vermeulen met stellige zekerheid. Hij glimlacht bij de gedachte : de periode in Duitsland staat nog stevig op zijn netvlies gebrand, hij romantiseert zijn jeugdjaren en de periode van samenhorigheid die het leven onder Belgische militairen in Duitsland kenmerkte.
...

Op weg naar Porz, een in de buurt van Keulen gelegen stadje en ooit een van de vele Belgische garnizoenen in Duitsland. Hier groeide Herman Vermeulen op. In een Belgische enclave en in een tijd dat de BSD (Belgische Strijdkrachten in Duitsland) nog als de tiende provincie van ons land gold. Vermeulen sleet er niet alleen zijn jeugd, hij begon in de plaatselijke club te voetballen, hij zette in omliggende verenigingen zijn eerste stappen als trainer, met een Duits diploma op zak. En toen Vermeulen later beroepsmilitair werd, bleef hij in Porz wonen, zij het in een ander huis dan dat waarin hij werd geboren. In 1992, toen de Belgische leegloop in Duitsland na de val van de Muur was ingezet, liet hij zich muteren naar Leopoldsburg. "Zonder de eenmaking woonde ik nu nog altijd in Duitsland", weet Vermeulen met stellige zekerheid. Hij glimlacht bij de gedachte : de periode in Duitsland staat nog stevig op zijn netvlies gebrand, hij romantiseert zijn jeugdjaren en de periode van samenhorigheid die het leven onder Belgische militairen in Duitsland kenmerkte. Op weg naar Porz. We pikken Herman Vermeulen op in Maasmechelen, doorkruisen een deel van Nederland en zetten koers naar Aken. Vermeulen zit opgezadeld met gemengde gevoelens. Hij weet hoe de wijk waar hij opgroeide er bij ligt : verpauperd en totaal in verval. "Het is net Sarajevo", waarschuwt Vermeulen. Hij wil de gedachte nog even verdringen en praat over Sint-Truiden, waar hij volgende week maandag als trainer begint. Meteen zal hij daar de klemtonen leggen : "Ik ga geen speech houden, voetballers zijn rare gasten, je kan ze hooguit een minuut of zeven doen luisteren. Daarom heb ik een PowerPointpresentatie voorbereid. Beelden zeggen zoveel meer dan woorden." Vermeulen knutselde de film zelf in mekaar. Hij wil tonen hoe je je in een groep integreert en uitsluit en gebruikt daarvoor beelden uit de film Top Gun. Hij wil ook via een video-opname van de Spaanse nationale ploeg laten zien hoe een top- aanvaller als Raul bij balverlies functioneert. "Wat is voetbal tenslotte ?" zegt Vermeulen. "Je hebt twee minuten de bal en achtentachtig minuten heb je de bal niet. Heel belangrijk is dus : hoe functioneer je in die achtentachtig minuten ?" Hij klinkt als een docent in voetballogie. De autorit vordert. Aken ligt achter ons, we slaan af richting Keulen en begeven ons op een van de drukste autostrades van Duitsland. Vermeulen heeft er geen oog voor. Hij verdiept zich in zijn missie bij Sint-Truiden, waar hij op zijn vijftigste voor de eerste keer in zijn carrière als hoofdtrainer aan het seizoen mag beginnen. Tot dusver was hij alleen nog maar depanneur. De groep van Sint-Truiden is nog niet compleet, betoogt hij, er moet nog een linksachter en een spits bijkomen, daar is een budget voor uitgetrokken : "Anders moet ik weer met spelers beginnen schuiven en dat doe ik eigenlijk al heel mijn carrière, ik noem dat loodgieterij." Hij weet dat hij verder moet met restanten uit het verleden : "Deze groep is niet in evenwicht. Van de elf spelers die vorig seizoen werden gekocht, mogen er acht weg. Alleen : ze zijn er op dit moment nog allemaal. En dan ga ik ervan uit dat Niemi en Hajnal blijven, terwijl je zeker van de Hongaar moet afwachten of hij zal kunnen functioneren zoals ik dat vraag. Hajnal is een ouderwetse nummer tien, hij heeft gevoetbald in een land waar je twintig meter met de bal aan de voet kon lopen zonder dat je iemand tegenkwam." We naderen Keulen, Herman Vermeulen kent de weg. We passeren de stad, in de verte blinkt de imposante dom in de zon. We steken de Rijn over en dan is het meteen de eerste afslag rechts, we komen in Westhoven, een deelgemeente van Porz. Daar ligt de kazerne Passendale, waar Herman Vermeulen als sportmonitor en beroepsmilitair aan de slag was en waar ook zijn vader destijds gekazerneerd lag. De aanblik is hallucinant : de gebouwen worden afgebroken, de kazerne ligt bijna volledig in puin, alleen het wachthokje waar je niet passeerde zonder de juiste formulieren ("Halt of ik schiet !") staat er nog zoals vroeger. Vermeulen wordt er stil van. We betreden het terrein, stappen door de ruïne, het lijkt alsof er enkele raketten zijn ingeslagen. We willen een foto nemen maar de verantwoordelijke van de werf komt blaffend aangespurt : " Wass soll das ?" De fotograaf moet toestemming vragen, Duitsers blijven de ongekroonde koningen van de reglementering. Uiteindelijk wordt het licht op groen gezet. "Er wordt hier nu een kliniek gebouwd voor gevangenen", zegt de werfleider, plots een stuk bedachtzamer. Vermeulen staart stil voor zich uit. Hij wijst naar de plek waar de mess van de onderofficieren zich bevond, een plaats waar de alledaagse stress graag werd doorgespoeld. Hij toont de Regenboogclub pal tegenover de kazerne, nog een locatie waar militairen na het werk tegen een spotprijs graag een pintje dronken, hij wijst de sluipweg aan naar huis die dan werd genomen om aan de strenge controles van de Duitse politie te ontsnappen. Herman Vermeulen verhaalt over de discipline die er niettemin tijdens de dienst heerste. Dit was een wereld van bevelen en gehoorzamen, van verantwoording, maar ook van onderdanigheid : "Ik denk dat dit een stempel heeft gedrukt op mijn leven. Ik ben heel gedisciplineerd, heel ordelijk. Ik vind dat de normaalste zaak van de wereld. Toen ik vorig seizoen bij KV Oostende werkte, hadden de spelers de gewoonte om met hun vuile schoenen in de kleedkamer te komen, niemand zei daar iets van. Dat heb ik meteen bijgestuurd. Ik begreep niet dat ze in hun eigen vuiligheid wilden leven. Ik noem dat niet eens regels, maar iets wat vanzelfsprekend is. Wij leefden vroeger in een wijk waarin de hiërarchie soms de onderlinge verhoudingen bepaalde. 's Zondags ging je bijvoorbeeld met de hele familie in de kazerne eten en als je vader binnenkwam, salueerde hij zijn overste. Dat is vreemd, maar je stond er toen niet bij stil, je vond dat de normaalste zaak van de wereld."De rit gaat verder, vier kilometer, naar Porz, dat inmiddels bij Groot-Keulen is gevoegd. De netheid van vroeger is er niet meer : papier op de grond, onkruid tussen de straatstenen, waar is de tijd dat Duitsers deze dingen maniakaal bestreden ? Zelfs de vroeger zo prachtige promenade langs de Rijn maakt een wat desolate indruk. "Duitsland is veranderd", weet Vermeulen. "De mensen zijn hun fierheid kwijt. Dat is volgens mij het gevolg van de eenmaking. Die heeft voor ontevredenheid gezorgd. West-Duitsers kankeren omdat ze nog altijd belastingen moeten betalen voor de wederopbouw van het land, Oost-Duitsers omdat het hen allemaal niet snel genoeg gaat en ze zich nog steeds achtergesteld voelen. De invoering van de euro is voor velen ook een emotionele klap geweest. Want de Duitse mark, dat beschouwden ze als een statussymbool."We rijden naar Gremberghoven, een wijk van Porz, en houden halt bij het terrein van ESV Grün-Weiss Gremberghoven. Daar begon Vermeulen zijn trainerscarrière, op provinciaal niveau. In zijn eerste seizoen promoveerde hij met de ploeg via de eindronde. De accommodatie, met een asveld zoals je dat toen overal in Duitsland aantrof, ligt er nu verwaarloosd bij. Een paar gepensioneerden wieden het onkruid rond het veld. Een van hen lijkt Vermeulen te herkennen : "Bent u hier niet ooit geweest ?" Vermeulen knikt. "Wilt u misschien terugkomen", vraagt de man. Vermeulen zegt dat hij nu trainer is van een Belgische eersteklasser : " Schön für Sie."Vermeulen stapt rond het veld. Hij vertelt over de trainersjaren in Duitsland : "Ik heb drie clubs getraind, Gremberghoven, Porz-Urbach en later Junkersdorf, dat was aan de andere kant van de stad, in Weiden, waar het Belgisch hoofdkwartier toen was gevestigd. Ik herinner me dat de voorzitter van Porz-Urbach me bij het afscheid een briefje gaf waarop stond hoe ik had gewerkt, ik heb dat nog altijd thuis liggen. Hij vond mijn aanpak goed, maar benadrukte dat ik heel eigenzinnig was. Tja, dat zal wel zo zijn. "Toen ik later naar Junkersdorf ging, werd ik na mijn eerste training door de voorzitter in het clubhuis geroepen. Alle spelers zaten daar. Het was de bedoeling dat ze mijn training zouden evalueren. Ik zei hen dat dit niet mijn gewoonte was, maar dat ik toch wilde luisteren. Maar je weet hoe dat gaat als je spelers in groep samenroept : zeventig procent zegt niets. Dat was daar ook zo. Tot op het einde van de bespreking een van de routiniers toch vond dat hij een paar opmerkingen moest maken. Dat zorgde bij de voorzitter voor twijfel. Mijn contract was op dat moment nog niet getekend. De voorzitter vroeg me om nog een proeftraining te geven. Toen ben ik rechtgestaan en heb ik gezegd : jullie kunnen beter een andere trainer nemen. Ik ben meteen naar huis gegaan. Een paar dagen later belden ze me op. Of ik toch niet wilde komen."Vermeulen constateerde het toen al, het gebrek aan organisatie van Duitse ploegen : "Ze hielden krampachtig vast aan mandekking en je moest hen niet vragen om op het veld na te denken. Ik zag meteen dat ik heel anders moest werken, dat wij bijvoorbeeld tactisch veel verder stonden, dat de trainingen gevarieerd moesten zijn en zich niet dienden te beperken tot duels. Opmerkelijk was ook dat er in Duitsland geen echte clubfilosofie bestond. Ik ben ooit eens met de Pro License naar Bayer Leverkusen geweest : daar werkte iedereen autonoom, de jeugdtrainers deden hun ding en de eerste ploeg, dat was iets anders."Vermeulen deed het meteen anders. Een Duitse krant had hem in die tijd afgeschilderd als de apostel van de discipline en de collectiviteit en dat kwam goed uit : "Mijn credo was : geordend functioneren. Ook dat zal wel een uitloper zijn van mijn opvoeding. Zo wil ik in ieder geval ook bij Sint-Truiden werken. Net zoals zoveel ploegen missen wij het technische vermogen om het spel te maken. Wat is dus belangrijk ? Collectieve balrecuperatie en dan proberen met drie passes aan de goal van de tegenstander te zijn, Patrick Remy noemde dat bij AA Gent 'de achtsecondenregel'. In die acht seconden moet je voor de goal van de tegenstander zijn, anders hebben ze zich achteraan weer georganiseerd. Daar gaan we op training aan werken. Net zoals aan een goeie veldbezetting. Want wanneer zijn ploegen als Sint-Truiden het meest kwetsbaar ? Als ze de bal hebben. Het is een contradictie, maar het is niet anders. Want hoeveel spelers zijn er die de bal zuiver kunnen aannemen en zuiver kunnen inspelen ? Je moet ongelooflijk veel trainen om daar een klein tikkeltje vooruitgang in te boeken. En hoe gemakkelijk wordt er niet uit positie gelopen in balbezit ? Vandaar dat ik tijdens de wedstrijd aan mijn hulptrainer Peter Voets zal vragen om constant naar de veldbezetting van de verdedigers te kijken. Dat is ook voor iets anders nodig : uit de statistieken uit jullie blad blijkt dat Sint-Truiden op twee ploegen na de meeste hoekschoppen heeft weggegeven. Terwijl je weet : uit drie hoekschoppen valt doorgaans één goal." We dwalen af. En het is middag. Tijd om iets te gaan eten. "Bij de Joegoslaaf in Porz, lekker en goedkoop, daar zaten de Belgen vroeger vaak en ik ken de baas", zegt Vermeulen en hij verheugt zich op een weerzien. Helaas : het etablissement is net die dag gesloten. Dan maar een ander restaurant gezocht, met, warum nicht, een goeie Duitse burgerlijke keuken. We zetten ons op het terras en bestellen meteen een pint : Kölsch, een licht Keuls biertje, je kan er gemakkelijk vijf van drinken zonder beneveld te raken. Vermeulen bestelt een Duits gerecht : Bauernteller, verschillende soorten vlees met sla en gebakken aardappelen. Het smaakt Herman Vermeulen echt. Hij grasduint in het verleden en wordt overvallen door nostalgische gevoelens. Het leven in Duitsland, als zoon van een beroepsmilitair, hij vond het schitte- rend : "De band tussen de mensen was heel hecht, je had hopen vrienden, je leefde op straat, je moest echt al heel asociaal zijn om daar niet geïntegreerd te raken. Het leger deed ook heel veel om dat aanpassingsproces te bevorderen. Er werden bonden opgericht, er waren feesten in de kazerne, je kon elke dag naar de bioscoop. Maar vooral : er was absoluut geen jaloezie tussen de mensen. Dat komt omdat iedereen ongeveer evenveel had. Natuurlijk was er een verschil tussen een kolonel en een sergeant, maar niemand had iets tekort. Je woonde gratis, je betaalde geen btw, je kon je daardoor een mooie auto veroorloven, je kreeg elke maand een premie omdat je in het buitenland toefde. Het tijdsbeeld is nu veranderd en misschien idealiseer je alles een beetje, maar ik zou ginder zo mijn jeugd weer willen overdoen. Ook door de Duitsers werd je aanvaard, daar deed het leger ook veel voor. Als er een Duitse vereniging een feest organiseerde, dan stelden ze een tent ter beschikking. Met dat soort dingen toon je natuurlijk je goeie wil."N och ein Kaffee ? Nee, het is tijd om verder te gaan. Op naar het kloppende hart van het garnizoensleven, de Belgische wijk in Porz. Herman Vermeulen is er een paar jaar geleden nog geweest en bereidt zich voor op een desillusie. Terecht. Want de realiteit is hard, bikkelhard : de Belgische wijk ademt een sinistere sfeer uit en doet denken aan Oost-Europese woonblokken uit lang vervlogen tijden. De huizen waar ooit Belgische militairen en hun gezinnen woonden, staan al tien jaar leeg. In de tuinen woekert het onkruid, je baant je er slechts moeizaam een weg door om een glimp op te vangen van het interieur van de woningen. Herman Vermeulen gaat naar zijn ouderlijk huis, de moed zakt hem in de schoenen. De gevel van het huis is afgebladderd, de tuin herschapen in een vuilnisbelt, de straat smerig en vuil. Vermeulen moet even slikken : "Als je hiervan een foto wil publiceren, zullen de mensen zich afvragen : in welke arme omstandigheden hebben ze daar in Duitsland geleefd ?" Herman Vermeulen zucht en schudt het hoofd. En benadrukt nog maar eens dat het vroeger allemaal anders was : "Eigenlijk is dit om te huilen." We maken een wandeling door de wijk. Overal hetzelfde mistroostige beeld. Dit lijkt wel een verlaten getto. Een Duitser komt vragen of we geïnteresseerd zijn in een woning, want die worden binnenkort opgemeten en verkocht. Vermeulen zegt dat hij ooit in de wijk heeft gewoond en vraagt waarom de huizen al zo lang leegstaan : "De administratie, wissen Sie, alles gaat nogal traag." De tocht gaat verder, naar de lagere school, nog een vervallen en leegstaand gebouw aan de rand van het Belgische garnizoen. Recht daartegenover staat een nagelnieuw appartementsblok, het contrast is fel en schrijnend. Dan wandelen we naar het openluchtzwembad waar er vroeger zo vaak werd gestoeid. Daar staat nu een bejaardentehuis. We trekken weer de Belgische wijk in en houden halt aan een voetbalpleintje. Een paar jongetjes trappen er tegen een bal, iemand heeft een truitje aan van Borussia Dortmund, tiens, wonen hier geen supporters van FC Keulen ? "Hier begon ik te voetballen," zegt Vermeulen, "samen met een paar vrienden. Georganiseerde trainingen bestonden niet, we speelden wel tegen andere garnizoenen, in een soort van competitie. Ik begon pas op mijn veertiende in een club te trainen." Die club was Spvg Porz, het veld ligt tweehonderd meter verder en is als het ware ingeplant in het Belgische garnizoen. Porz kwam toen uit op een niveau dat vergelijkbaar is met onze eerste provinciale. Ooit begonnen ex-internationals als Wolfgang Weber, Bernd Cullmann en Herbert Neumann hier aan hun carrière, alvorens naar FC Keulen te verkassen. Vermeulen speelde in de jeugd van Porz, hij integreerde zich meteen : "Omdat we de taal heel goed spraken, beschouwden de Duitsers ons niet als indringers. Ook al maakte je in feite deel uit van dat wat ze na de Tweede Wereldoorlog 'het bezettingsleger' noemden." Vermeulen bleef niet lang bij Porz, al op prille leeftijd lonkte het trainerschap, ook al omdat hij door een knieblessure een punt moest zetten achter zijn carrière. Het heeft sporen nagelaten, de confrontatie met het verleden, de botsing met vervallen jeugdsentiment. "Toch zou ik mijn jeugd met die van niemand willen ruilen", mijmert Vermeulen. Hij meent het. Maar maakt zich zorgen over Duitsland : "Vroeger waren ze in alles voor : zwembaden, sportaccommodaties, als je dat vergeleek met België, dan hinkten wij ver achter. Nu is het omgekeerd, wij zijn in expansie, zij in verval."Terug naar België. Herman Vermeulen, anders altijd rad van tong, moet heel even bekomen. Dit was een dag van nostalgie en melancholie. Vermeulen is geen man die vaak aan vroeger denkt, maar de confrontatie met een in puin liggend verleden is niet mooi, de weemoed drijft boven. Niet alleen bij hem maar ook bij de hoofdredacteur van dit blad. Die sleet zijn jeugd in dezelfde Belgische wijk. Hij woonde op niet eens honderd meter van Herman Vermeulen. Jacques Sys'Zonder de val van de Muur zat ik nu nog in Duitsland.''Mijn credo is geordend functioneren, dat zal wel een uitloper zijn van mijn militaire achtergrond.''De mensen zullen denken : in welke arme omstandigheden hebben ze ginder geleefd ?'