Een mens maakt rare sprongen in zijn leven. Neem Wilfried Van Moer, een kind van het einde van WOII dat het licht zag in Beveren. Zijn ouders baatten er een volkscafé uit; één van de vele dingen die zijn vader in zijn leven deed. De man was ooit fruitboer, had een cinema én een danstent. En dus ook een café. Zijn raad aan zijn zoon: zorg dat ge uw plan kunt trekken. De zoon knoopte het goed in zijn oren, bleek later. Een keer kwam hij volgens Wilfried naar Beveren kijken, toen hij er voetbalde. Het commentaar achteraf? 'Zoon, gij valt te veel!'
...

Een mens maakt rare sprongen in zijn leven. Neem Wilfried Van Moer, een kind van het einde van WOII dat het licht zag in Beveren. Zijn ouders baatten er een volkscafé uit; één van de vele dingen die zijn vader in zijn leven deed. De man was ooit fruitboer, had een cinema én een danstent. En dus ook een café. Zijn raad aan zijn zoon: zorg dat ge uw plan kunt trekken. De zoon knoopte het goed in zijn oren, bleek later. Een keer kwam hij volgens Wilfried naar Beveren kijken, toen hij er voetbalde. Het commentaar achteraf? 'Zoon, gij valt te veel!' Iedere familie heeft zijn drama's, ook de Van Moers. De vrouw van Wilfried overwon kanker, zijn broer leefde een halve eeuw met MS, waarvan de laatste twintig jaar in een Limburgs revalidatiecentrum waar Wilfried mee voor hem zorgde. En Wilfrieds jeugd verliep redelijk 'beschermd', omwille van de dood van een ouder zusje dat hij nooit heeft gekend. Op haar negende stierf ze, getraumatiseerd door de vliegende bommen die tijdens de oorlog op en in de buurt van Antwerpen neervielen. Toen Wilfried werd geboren, kreeg hij amper vrijheid van thuis. Er moest maar eens iets met hem gebeuren. Het voetbal werd zijn redding, daar vond hij vrijheid en bewegingsruimte. Geen trainer die hem later ooit gekooid kreeg. Op het veld al wat je wilt (al deed hij meestal wel zijn goesting), maar ernaast schudde hij alles van zich af. Ook binnen de nationale ploeg. 'Jongens, wat denkt ge?', zei hij dan, als het binnen zitten hem ging vervelen. Dan gingen ze wandelen. Lees: een terrasje opzoeken om een pintje te drinken. Zelfs de dag van de EK-finale in Rome. Niemand die erover viel. 'Vandaag,' zei hij later vaak, 'zie je zoiets alleen nog bij amateurploegen. Maar eigenlijk waren wij dat toen ook: amateurs.' Op zijn zestiende stond hij in Beveren, vierde klasse, in de eerste ploeg. Als snelle, vinnige rechtsbuiten. Bij Antwerp zou hij middenvelder worden. De bende van Beveren was jong en getalenteerd. Als ze geen training hadden, kwamen ze vaak bijeen in het Congootje, een wijk van de gemeente met een voetbalpleintje. De familie van Jean-Marie Pfaff woonde daar, in twee woonwagens. Van Moer kende ze goed, hun pa kwam dagelijks bij de zijne wat pintjes drinken. Dat kon hij later zelf ook. Pintjes drinken, en tappen. Maar je moest hem niet vragen om te kaarten. De zoon uit het café las liever een boek, ook als voetballer. Pokeren kon Van Moer wel, maar daar stopte hij snel mee. Het ene moment van iemand winnen (of fors verliezen) en het andere moment met diegene op het veld staan als ploegmaat... hij vond dat vreemd. Rik Coppens was in die tijd zijn idool. Als tienjarige ging Wilfried met zijn oudere broer met Pasen naar Antwerpen om er Rik met de mannen van de Antwerpse Entente - een samenvoeging van de beste spelers van Antwerp, Beerschot en Berchem - te zien spelen. Nog later liep Wilfried wel eens langs in de viswinkel van Coppens om er vis te kopen, maar ook in de hoop hem daar te zien. Helaas, Rik verscheen nooit. Eén keer stonden ze als voetballer tegenover mekaar, toen Coppens al bij Crossing Molenbeek speelde. In een duel trapte Van Moer de bal in het publiek, knal op een vrouw die zat te genieten van de zon. 'Kijk eens wat een schoon wijveke', flapte hij eruit, waarop Coppens droog antwoordde: 'Da's die van mij!' Van profvoetbal was in die tijd nog geen sprake, ook al zou hij snel ontdekken dat goeie voetballers wel degelijk goed hun boterham konden verdienen. Van Moer werd daarom maar elektricien. A2 elektronica, ideaal in een decennium dat in het teken stond van de opkomst van de televisie. Later schakelde hij over naar een opleiding van algemeen elektricien. Zo belandde hij ook van Beveren bij Antwerp. De baas voor wie hij ging werken - als hersteller van huishoudtoestellen - zat in het bestuur van Antwerp. Die loodste hem naar de Bosuil. Tv-antennes mocht hij van dan af wel niet meer plaatsen. Daarvoor moest je de daken op en dat was te gevaarlijk voor een voetballer. Bij Antwerp trainden ze alleen 's avonds, de combinatie was goed te doen. En het had zijn voordelen, bij een baas werken die in het bestuur zat: de dag na de wedstrijd mocht hij thuis blijven, om uit te rusten. Zelfs als de club verloor en dat deed ze vaak. Van Moer pakte er zijn eerste van drie Gouden Schoenen, maar kon de club nooit uit de middenmoot tillen. En in zijn derde seizoen degradeerde Antwerp. Toen was het tijd om uit te kijken naar wat anders. Hoe de Waaslander een Limburger werd - hij zou er uiteindelijk 'thuis komen' voor de rest van zijn leven - is een bijzonder verhaal. Voetballers waren in die tijd nog slaven van hun club. Het enige verlangen dat Van Moer had in die periode was niet mee degraderen naar tweede klasse. Voor de rest kon alles. Club Brugge was eerst. Men beloofde de speler een villa in Knokke. Mevrouw Van Moer, die graag tijd spendeerde aan zee, was meteen verkocht. De speler ook, hij tekende zelfs. Toen raakten de beide clubs het niet eens over een transfersom van ongeveer 150.000 euro. 'Dan pas ik wel bij', zei bestuurslid Constant Vanden Stock, eigenaar van een villa in Knokke en op de tribunes bij Club. Dat wilde het bestuur van Brugge weer niet. Via Paul Van Himst, een vriend met wie het in de nationale ploeg goed klikte, kwam het dossier van Van Moer bij Anderlecht. Ook hier waren centen een probleem. Anderlecht moest Hanon én Jurion én Stockman vervangen en moest het geld dus spreiden. In plaats van Van Moer (voor Jurion) kwamen twee spelers, onder wie de Fransman Yves Herbet. Uiteindelijk raakte Antwerp het eens met Standard en zo werd Van Moer niet Jan Mulders ploegmaat, maar diens tegenstander. Misschien gelukkig maar, want later, in hun carrière na het voetbal, kwamen de twee fel tegenover mekaar te staan. Toen hij net bondscoach was geworden, schreef Mulder eens: 'Dat stom cafébazeke, wat denkt die wel.' Van Moer heeft het hem nooit vergeven. Zo kon hij ook wel zijn, een nijdig manneke. 'Mocht ik nog voetballen, ik zou Mulder zo hard pakken dat zijn achillespezen in zijn nek lagen', was zijn repliek. Als Mulder later als analist op tv kwam, draaide Van Moer zich om of hij zette het geluid uit. Het commentaar van de Nederlander op zijn Standard van vroeger - te veel klemtoon op de modder van Sclessin, te veel ook op het beuk- en sloopwerk van de verdedigers, terwijl daar ook goeie voetballers rondliepen - was hem een doorn in het oog. Zo was Van Moer ook: kicsi (klein in het Hongaars), zoals zijn ploegmaat Nagy hem omdoopte. Het werd zijn bijnaam in voetballand. Een klein nijdig bazeke, op en naast het veld. Een kleine generaal. Eentje met persoonlijkheid, gul en goed voor wie hij lief had of in wiens gezelschap hij graag een pint dronk, of wijn, of champagne. Maar ook eentje die nooit meer het Koning Boudewijnstadion voor een match van de Rode Duivels zou betreden nadat hij er van scout assistent-bondscoach werd en later zijn vriend Van Himst moest opvolgen om na een paar maanden te worden ontslagen. Naast een bevrijding ook een diepe ontgoocheling. Gelukkig raakte de ruzie die even tussen de twee vrienden dreigde te ontstaan, snel opgelost. Op initiatief van Van Moer: zo was hij ook. 'Moet dat?', vroeg hij aan recent nog onze reporter toen die het over het EK van 1980 wilde hebben. 'Ja, dat moet', antwoordde die. 'Oké, kom maar af.' Ook dat was Van Moer, maar niet altijd en niet voor iedereen. Het was dus Antwerp dat hem in de armen van Luik dreef. 'Ik had de keuze: mee met Antwerp naar tweede klasse, of voor Standard tekenen.' Met lange tanden trok Wilfried naar een appartement in Tongeren. Zijn vrouw ging de eerste maanden niet mee - zij droomde van Knokke - en hijzelf sprak geen woord Frans. Maar met vrienden als Dewalque en Dolmans, die allebei later in Tongeren een café zouden openen, raakte hij er snel ingeburgerd. Zij zijn ook de reden waarom zijn taverne, Wembley, uiteindelijk in Hasselt kwam, hij kon zijn ploegmaats in Tongeren geen concurrentie aandoen. Een oude patisserie bouwde hij er om tot bloeiende zaak. Wat door toeval tot stand kwam, werd uiteindelijk eeuwige liefde. In nummer 8, een boek over hem, getuigt hij dat het geen liefde op het eerste gezicht was met Standard. Het kritische publiek hemelde hem er de ene week op, maar kon hem de volgende match weer aanwijzen als de hoofdschuldige van de nederlaag. Op een bepaald moment was Van Moer de hatelijke gezangen van de eigen aanhang zo beu dat hij naar de bank stapte en van plan was van het veld te gaan. Het was Paul Van Himst die hem kalmeerde. Kort daarna sloten de fans, blij met de titel, hem voor eeuwig in de armen. En nog later werd hij zelf absolute fan van Standard. Zijn vrouw vond dat altijd vreemd, dat de man die het voetbal achter zich kon laten eens hij het stadion verliet, zo verknocht kon raken aan één club. Niet dat ze hem elders ook niet zagen. Zonhoven, waar hij een boerderij opknapte en zijn laatste jaren sleet, ligt dicht bij Genk en daar had hij ook jaren een abonnement. Maar het waren de Rouches die zijn hart veroverden en waar hij zijn agenda aan aanpaste om er wedstrijden te zien vanuit de eretribune, naast Gerets, of Dewalque, compagnons de route, ook in het nachtleven toen ze nog voetbalden. In Luik maakte hij kennis met het profvoetbal. Eindelijk kon hij ook overdag trainen en hoefde hij niet meer te werken als elektricien. Met succes, maar ook tegenslag: vier beenbreuken, bijna elk jaar eentje. Twee keer was het de kuit, even zo vaak zijn scheenbeen. Zes weken gips, en hop, weer het veld op. Zo ging dat toen. Als generaal, middenvelder-spelverdeler-aanjager. Buitenlandse belangstelling wees zijn baas Roger Petit altijd af. Van Moer legde er zich bij neer, ook wetende dat Petit goed voor hem zorgde. Dan eens kreeg hij een Mercedes, een andere keer een dikkere envelop. 'Toen ik die thuis opende, bleek mijn huis in een keer afbetaald.' Petit zag wel niet graag dat hij cafébaas werd om - de raad van zijn pa indachtig - zijn plan te trekken. Hij zou er meer mee verdienen dan met het voetballen. Dat en de komst van Asgeir Sigurvinsson, met wie het niet klikte op het veld (wel ernaast), dreef hem naar Beringen. Achteraf gezien een fout; hij had langer op Standard moeten blijven, gaf hij later toe, gesterkt door zijn tweede carrière bij de nationale ploeg onder Guy Thys. Veel deed het er niet meer toe. De Waaslander uit Limburg had een mooi leven. Op en naast het veld, eentje die hem veel respect opleverde. Dat is wat telt.