Terwijl de auto's op de snelweg van Antwerpen naar Luik en Eindhoven in Wommelgem voorbijrazen, belt Bob Peeters (32) zijn broer. Of die hem na de fotosessie even kan komen oppikken op het kerkplein ? "Dan kan ik nog eens bij ons ma langsgaan."
...

Terwijl de auto's op de snelweg van Antwerpen naar Luik en Eindhoven in Wommelgem voorbijrazen, belt Bob Peeters (32) zijn broer. Of die hem na de fotosessie even kan komen oppikken op het kerkplein ? "Dan kan ik nog eens bij ons ma langsgaan." Bob Peeters : "Het klinkt als een cliché, maar voor mijn carrière waren mijn ouders heel belangrijk. Omdat ze hard in mij bleven geloven toen op mijn elfde mijn schoolresultaten wat minder werden en de leraars suggereerden om het voetbal af te bouwen. Daar wilden mijn vader en moeder niet van weten. Voetbal was mijn passie. Als ze me dat afnamen, zou ik mezelf niet meer zijn, vonden ze. Ik ben ze er nog altijd dankbaar voor. "Dat betekent niet dat ik mijn zin deed thuis. Mijn ouders hebben me altijd kort gehouden. Ik had een heel sterk karakter, maar het respect voor anderen hebben ze er diep ingeprent. Toen ik op mijn vijftiende al eens naar de meisjes begon te kijken en af en toe stiekem een pintje dronk, zei mijn vader : 'Doe wat je wil. Maar als je pinten wil pakken, ga je weer bij Ternesse shotten en rij ik geen drie of vier keer per week met je naar Lierse.' Toen was voor mij de keuze snel gemaakt : ik voetbalde veel liever dan pinten te pakken. "Zodra mijn studies tegenvielen, moest ik met mijn vader mee bomen snoeien. Met minder goeie studieresultaten kon hij leven, maar dan moest ik wel mijn handen vuilmaken en leren om op een andere manier de kost te verdienen. 'Als je dat niet kan, heb ik gefaald als ouder', zei hij me. Ik deed wat hij vroeg. Ik had een enorm respect voor mijn vader, was op een positieve manier bang van hem. Hij was iemand naar wie je opkeek, niet alleen omwille van zijn gestalte. Hij bezat uitstraling, wist precies wat hij wilde, had een sterk karakter, maar wel een klein hartje. Dat heb ik van hem. Ons moeder was meer zalvend, maar nu ze er alleen voor staat, zie ik wat voor een sterke en zelfstandige vrouw ze is. "Mijn ouders gaven me de traditionele katholieke waarden mee. Tot mijn plechtige communie moest mijn vijf jaar oudere broer me meenemen naar de kerk. Ik vond het ook op school fantastisch om al die religieuze liederen uit volle borst mee te zingen. Tot men me liet verstaan dat ik dat misschien beter niet meer deed, dat mijn zangtalent niet zo groot was als mijn enthousiasme. Eigenlijk kan ik helemaal niet zingen ( grijnst). Mijn kinderen zijn gedoopt. Na hun communie beslissen ze zelf wat ze gaan doen. Ik verplicht niemand om in iets te geloven. Zelf geloof ik nog. Na de dood van mijn vader kreeg dat geloof wel een klap, dat vond ik zo onrechtvaardig. Na een tijd kwam dat terug. Ik bid nog af en toe, ook voor een wedstrijd. Niet dat ik na elk gebed verwacht te winnen." "De eerste man uit het voetbal die een bepalende rol speelde, was Eddy Van Looy, de toenmalige ondervoorzitter van Lierse. Die kwam af en toe kijken naar zijn zoon die als scheidsrechter de wedstrijden van Ternesse bij de preminiemen floot. Op mijn negende wilde hij me al naar Lierse halen, maar mijn ouders aarzelden. Eddy bleef aandringen, vooral op impuls van Swat Janssens, de vroegere aanvaller van Lierse die er de preminiemen trainde. Toen Boskamp later als hoofdtrainer ook de supervisie over de jeugd kreeg, was die niet gecharmeerd van mij. Aan Swat Janssens dankte ik dat ik niet teruggestuurd werd naar Ternesse. "Toen ik op mijn tiende naar Lierse mocht, was dat voor mij een droom die waarheid werd. Heel mijn familie, ouders incluis, was fervent supporter van Lierse. Ik ging met mijn geel-zwarte sjaal aan de hand van mijn vader naar de thuismatchen, waar we achter het doel stonden. Mijn idool was Erwin Vandenbergh, toen Europees topschutter. Ook ik was kwaad toen hij naar Anderlecht overstapte. Maar toen iemand me een paar jaar later meetroonde naar de socioclub waar ik bij hem een handtekening mocht halen, werd ik, de grootprater, heel stil en liep ik rood aan. Nu speel ik bij Genk samen met Erwins zoon. Straf, hé. "Voetbal was mijn leven. Ik ging slapen met een bal. Mijn vader had een boekje over voetbal. Daar stond de Pelé-test in, oefeningen waarvoor je een bepaald niveau moest halen. Je kon daarmee jezelf quoteren. In mijn leeftijdscategorie zat ik ver boven het gemiddelde. Elke dag was ik daar op straat mee bezig. Af en toe moest ik stoppen, wanneer er een auto passeerde. Alleen als mijn vader meetelde, vond ik de tests geldig. Zo bedraagt mijn record jongleren 998 keer. Ik stak al mijn handen omhoog om de duizend te vieren toen de bal viel. Later stak mijn vader me wel eens door dat ik nooit de duizend haalde. "Voetbal hield me niet van de school weg, maar verminderde mijn interesse in de school. Ik ging graag naar school, maar studeerde niet graag. Daarom waren de leraars zo kwaad op me. Ik was vrij intelligent, pikte meteen op wat ze me zegden, maar deed niets. Het ideale studieschema was : drie uur studeren, een halfuur rusten. Het mijne : drie uur rusten en een halfuur studeren. "Op school zag iedereen me als toekomstig profvoetballer. Niet dat ik bij het samenstellen van ploegjes als eerste gekozen werd. Ik koos meestal zelf. Toen al was ik verbaal sterk, een echte leidersfiguur. Ik weet nog dat mijn vader me na zijn werk aan de kleuterschool kwam oppikken. Tweeënhalf was ik toen. Na drie dagen zei de juf : 'Uw zoon is een geboren leider.' Overal waar ik kwam, nam ik het voortouw. "Toen ik in het eerste jaar middelbaar gebuisd was in de moderne humaniora, raadden de leraars aan om het voetbal terug te schroeven. Mijn vader deed dat niet. Ik was een zenuwpees, zonder voetbal zou ik geen leven meer hebben. Dan moest ik maar op een lager niveau studeren, vond mijn pa. Vanaf dan volgde ik handelswetenschappen. Met nog één jaar te gaan kreeg ik een kans om bij Lierse prof te worden. Op dat moment speelde de verantwoordelijke voor studieadvies, een kennis van mijn vader, een belangrijke rol. Hij raadde mijn ouders aan om toch maar voor dat contract te gaan. 'Die kans krijgt hij misschien maar één keer', vond die man. 'Studeren kan hij later nog.' Ik ben zijn naam vergeten, maar ik ben die man nog altijd dankbaar. Mijn vader aanvaardde zijn autoriteit en zijn raad. Dus doet mijn vriendin nu het denkwerk bij ons thuis. Zij heeft twéé diploma's, ik geen. Ik heb geen diploma nodig, maar achteraf bekeken had ik het wel graag gehaald. Straks moet ik mijn kinderen zeggen dat ze een voorbeeld moeten nemen aan mama, niet aan mij.""Op mijn zestiende kreeg ik mijn eerste stagiairscontract. Dat dankte ik aan Barry Hulshoff. Die was net trainer, kende me niet, maar bekeek twee matchen van de junioren en zei dat ze me meteen een contract moesten geven. Daar schrokken ze bij Lierse toch wel van. Net tevoren opperde mijn vader nog dat ik altijd minstens in de vierde klasse terechtkon, als ik maar mijn jeugdploegen bij Lierse afmaakte. "Bij de jeugd behoorde ik tot wat men de gouden driehoekSnoeckx-Huysmans-Peeters noemde, maar de twee anderen waren pas echte jeugdsterren. Over Mario Verheyen, nu bij Westerlo, praatte men niet eens. Wie wel rotsvast in mij geloofden, waren jeugdcoördinator Marcel Vets en clubmanager Neel De Ceulaer. Heeft De Ceulaer meer financiële armslag, dan was ik na het kampioenenjaar nooit bij Lierse vertrokken. Maar De Ceulaer moest op dat vlak altijd tegen de stroom in varen. Vets had mijn vader tijdig gewaarschuwd dat ik altijd uitgesproken reacties zou losweken, heel positief of heel negatief. Ik was niet meteen de sierlijkste voetballer van Lierse. Supersnel was ik nooit, maar in mijn groei-jaren was ik de traagste van de ploeg. Vets werkte aan mijn zwakke punten en gaf me extra trainingen. Geen inspanning was me te veel. Wat een kenner als Vets zei, was voor mij het evangelie. "Ik keek toen enorm op naar Snoeckx en Huysmans. Dat waren dé mannen voor wie heel het bestuur uitrukte wanneer hun jaarlijkse contracten vernieuwd moesten worden. Dat van mij tekende men nog even tussendoor op de laatste dag. Eén keer gebeurde dat op de motorkap van een auto, één keer op een geel-zwarte vuilnisbak. Treuren deed ik niet. Elke keer was ik dolgelukkig dat ik weer een jaar bij Lierse, mijn favoriete club, mocht blijven. Sommige mensen geloofden niet in mij, maar ik heb wel alles aan het instituut Lierse te danken.""In de A-kern keek ik enorm op naar de oudere spelers. Ik had wel een vlotte babbel, maar ik zou niet gedurfd hebben tegen Rekdal of Simmes in te gaan. Trapte Rekdal de bal in het maïsveld en vroeg hij me die te gaan halen, dan deed ik dat. Op een dag weigerde Rekdal een verkeerd getrapte bal op te halen. Ook toen de trainer dreigde dat de groep anders extra rondjes moest lopen, gaf hij geen kik. Dus liepen we door zijn schuld rondjes. Denk je dat iemand iets tegen Rekdal durfde zeggen of hem dat verweet ? "Onder Herman Helleputte speelde ik af en toe in het eerste elftal, maar werd ik vaak uitgefloten. De komst van Erik Gerets werkte voor mij bevrijdend. Gerets geloofde in mij en niemand die daar tegenin durfde te gaan. Wel toonde hij zich streng. 'Je hebt het lichaam van een wereldkampioen, maar je gebruikt het niet', zei hij me. In het begin maakten we flink ruzie. Dat wil zeggen : hij tegen mij, want ik durfde niets terugzeggen. Achteraf zei hij tegen mijn vader dat ik op dat moment een trap tegen mijn kont nodig had. Gerets kon je met een rake analyse mentaal kraken, maar net voor je onder de grond verdween, haalde hij ook je positieve punten aan, waardoor je weer overeind krabbelde. Hij leerde me dat je met mentaliteit veel kan bereiken. Gerets heeft van veel jongens bij Lierse miljonairs gemaakt." "Tot op dat moment had ik nooit aan een transfer gedacht. Zo tevreden was ik dat ik mocht voetballen voor de favoriete club van mijn familie. Het jaar voor de titel polste Eddy Snelders mij eens of ik met hem niet meewilde naar Germinal. Hij vond het erg dat ik vaak uitgefloten werd, maar dat het niet doorging, kon me niet veel schelen. In het kampioenenjaar ging iedereen ervan uit dat ik bij Lierse zou bijtekenen. Ik ook. Tot ik op een dag uitgenodigd werd voor een gesprek met Nol Hendriks van Roda JC in de Carestel aan de snelweg naar Antwerpen op de E314. Het was mijn allereerste gesprek met een andere club. Ik viel achterover toen ik zag wat ze mij wilden betalen. Vijf jaar lang nog wel ! Alleen al die cijfers getuigden van enorm veel respect. Op dat moment gingen mijn ogen open. Die van Nol Hendriks ook. Al na tien minuten zei Hendriks, onder de indruk van mijn verbale vaardigheid, tegen Louis De Vries : 'Louis, dit is geen echte Belg !' "Een nog grotere impact dan Erik Gerets had Sef Vergoossen. Gerets zei waar het op stond, Vergoossen ging dat vervolgens meer nuanceren. Hij heeft de ruwe diamant die ik onder Gerets nog was extra bewerkt. Gerets liet zijn spitsen helemaal vrij op intuïtie voetballen. Vergoossen stuurde je meer, bracht looplijnen aan, leerde hoe ik bij voorzetten op het juiste moment voor mijn bewaker kon opduiken. "Aanvankelijk had ik mijn bedenkingen bij hem. Ik zie hem nog de eerste dag het spelershome binnenstappen met zijn grijs haar en zijn bril, zo zenuwachtig als maar kon. Ik dacht : moet dat onze nieuwe trainer worden ? Die zou het niet makkelijk krijgen ! Maar de eerste drie weken stond ik meer in zijn bureau dan op het veld. Toen liet hij zich wél gelden. Bij Lierse was ik altijd in beweging, centraal, dan eens linksbuiten of op rechts, een beetje zoals Salou nu. Vergoossen vond dat maar niets, leerde me hoe altijd aanspeelbaar te zijn tussen de twee punten van de zestien. Ik bleef ook te lang liggen wanneer ik een trap kreeg, vond hij : 'Als de tegenstander ziet dat je pijn hebt, heeft hij half gewonnen en trapt hij de volgende keer nog harder. ' "Voetballen en leven in Nederland heeft mijn blik verruimd. Ik was al mondig toen ik de overstap maakte, maar in Nederland leerde ik zeggen waar het echt op staat. Een voorbeeld ? Als ik in België niet tevreden was, zegde ik : 'Dit is niet honderd procent goed.' Nu zeg ik : 'Dit is klote.' Niet alleen de voetbalbenadering, maar de hele voetbalstructuur is er anders. Bij Lierse werkten drie mensen, bij Roda - toch geen topclub - waren dat er 25. Alles was er, zoals nu bij Genk, uitstekend geregeld. Betaalde Lierse de pensioengelden niet op tijd, maakte niemand zich daar druk over. Werd in Nederland één afspraak niet stipt nagekomen, dan sprong de spelersvakbond meteen in de bres voor de spelers. Daar had je als voetballer plots ook rechten. "Wat ik later het liefst word ? Trainer ! Goeie voorbeelden genoeg ! Hoe het niet moet, leerde ik van Dennis Wise. Zodra ik geblesseerd raakte, behandelde die me als een stuk vuil. Daar leerde ik dat je nooit een speler respectloos mag behandelen. In afwachting geef ik bij Genk graag raad aan jonge spelers. Dat zal een van de redenen zijn waarom Genk mij haalde : Hugo Broos zal nooit een spraakwaterval worden, iemand die à la Vergoossen alles honderd keer herhaalt. Hier verwacht iedereen nog dat de trainer een oplossing aanreikt, terwijl je als speler de trainer juist veel kan helpen door je mening te geven. Met Gerets zijn op dat vlak mijn ogen opengegaan. "Wat ik ook doe, ik zal nooit vergeten van waar ik kom. Mijn grootouders waren boeren. Pas op mijn 28ste kocht ik zelf mijn eerste auto. Met Roda zijn we eens naar het casino gestapt. Ik zette er 25 euro in, verloor en was daar echt ziek van. Ooit stopte ik als jonge snaak met een vriend vijftig frank in een bingokast en won er duizend. Fier liep ik ermee naar huis, maar mijn vader gaf me een klap. Ik snapte dat niet, ik had toch gewonnen ? Maakte niet uit, wees hij me terecht : 'Die machines staan daar niet om je te laten winnen.'"Ook mijn stijl houdt me met de voeten op de grond. Ik ben geen sierlijke voetballer die van de vele complimentjes een dikke nek krijgt. Ik ben maar een boerenkloot die van zijn hobby zijn beroep kon maken."GEERT FOUTRÉ