Het is nog maar net tien jaar geleden, de zomer van 2009, dat Manchester City als tiende eindigde in de Premier League, terwijl de stadsgenoten van United onder leiding van Sir Alex Ferguson voor de derde keer op rij de landstitel pakten en Arsène Wenger bij Arsenal steevast predikte dat de jeugd volop kansen moest krijgen om zo van de Gunners een Europese grootmacht te maken. De enige aankoop waar Arsenal die zomer geld aan besteedde, was die van Thomas Vermaelen. 11,5 miljoen euro betaalde de Londense topclub aan Ajax voor de verdediger, op dat moment de op één na duurste Belgische transfer ooit. Vermaelen werd zo, na Marouane Fellaini (Everton) en Vincent Kompany (Manchester City), de derde Rode Duivel van zijn generatie die zijn geluk ging beproeven in de Premier League.
...

Het is nog maar net tien jaar geleden, de zomer van 2009, dat Manchester City als tiende eindigde in de Premier League, terwijl de stadsgenoten van United onder leiding van Sir Alex Ferguson voor de derde keer op rij de landstitel pakten en Arsène Wenger bij Arsenal steevast predikte dat de jeugd volop kansen moest krijgen om zo van de Gunners een Europese grootmacht te maken. De enige aankoop waar Arsenal die zomer geld aan besteedde, was die van Thomas Vermaelen. 11,5 miljoen euro betaalde de Londense topclub aan Ajax voor de verdediger, op dat moment de op één na duurste Belgische transfer ooit. Vermaelen werd zo, na Marouane Fellaini (Everton) en Vincent Kompany (Manchester City), de derde Rode Duivel van zijn generatie die zijn geluk ging beproeven in de Premier League. Arsenal verbrak in die periode records, vooral dan wat de jeugdige leeftijd van zijn spelers betrof. Zo stelde Wenger in september 2008 in de bekerwedstrijd tegen Sheffield United een ploeg op met een gemiddelde leeftijd van 19,6 jaar. Ongezien was het. In mei 2009 koos de Franse coach op het veld van Portsmouth voor een elftal dat gemiddeld 22,7 jaar jong was, het jongste Arsenalteam ooit in een competitiewedstrijd op het hoogste niveau. Zeven maanden later deed hij het in de Champions Leagueconfrontatie met Olympiacos met een ploeg van gemiddeld 21,6 jaar. Die drie recordwedstrijden met enkele ontdekkingen - jongeren als Jack Wilshere, Aaron Ramsey en Carlos Vela presenteerden zich toen aan het grote publiek - waren exemplarisch voor de filosofie waarmee Wenger op lange termijn succes wilde boeken. Weinigen twijfelden op dat moment aan de trainer en aan de vastberadenheid waarmee hij bij Arsenal opteerde voor een team vol 'vedetten van de toekomst'.Enkele maanden vooraleer ze tegen Standard voetbalden in de poules van de Champions League 2009/10 (2-3, 2-0), kregen de Gunners nochtans het deksel op de neus in de halve finales van het kampioenenbal. Twee keer toonde Manchester United zich sterker (1-0, 3-1). Patrice Evra, verdediger bij de Mancunians wist toen al: 'Als je wint, zeg je meestal dat je goed gespeeld hebt, maar dat was een duel tussen elf mannen en elf jongens. Voor mij is Arsenal een opleidingscentrum. Ik kijk naar de wedstrijden, beleef er plezier aan, maar zie ik een ploeg waarmee je prijzen pakt? Dat ( prijzen pakken, nvdr) is nochtans wat de mensen over twintig jaar zullen onthouden. Arsenal is een grote club, maar al vijf jaar lang wint het geen titel of beker meer. Dat noem ik een club in crisis.' Het bleken profetische woorden. In de daaropvolgende jaren kwam Arsenal acht keer op rij niet voorbij de achtste finales van de Champions League. In tien seizoenen won het enkel drie bekers (2014, 2015 en 2017) en één Ligabeker. Arsenal is met andere woorden niet langer in staat om te rivaliseren met de grote clubs van Europa. Ook de cijfers in de Premier League spreken boekdelen. Het percentage punten dat Arsenal de laatste tien seizoenen behaalde tegen de 'rechtstreekse concurrenten' moet de fans doen huiveren. Met slechts 30 procent van de punten tegen de vijf beste teams van de competitie (Manchester City, Manchester United, Liverpool, Chelsea en Tottenham) zorgde Arsenal er eigenhandig voor dat de term Big Four, waarmee voordien de vier grote Engelse clubs werden bedoeld, volledig in onbruik raakte. Arsenal krijgt tegenwoordig de stempel mee van 'de club waar Arsène Wenger tien jaar te lang bleef'. Voor de nieuwe coach Unai Emery was het een jaar geleden een gedroomd startscenario. Zijn Franse voorganger met het ronde brilletje en de slecht getailleerde kostuums bouwde weliswaar veel krediet op, maar bij zijn vertrek liet hij zeker niet alleen vrienden achter in de Britse hoofdstad. De belangrijkste redenen daarvoor zijn ongetwijfeld de bleke resultaten tijdens het laatste decennium én het foute idee dat Arsenal niets voorstelde voor de komst van Wenger in 1996. In 1991 pakten de Gunners de Engelse titel, in 1994 wonnen ze de Europese Beker voor Bekerwinnaars (1-0 tegen Parma) en een jaar later haalden ze in diezelfde competitie opnieuw de finale (1-2-verlies tegen Zaragoza na verlengingen). Dat palmares oogt een stuk fraaier dan wat Arsenal onder Wenger in het recente verleden kon voorleggen. De jongste jaren werd de vierde plaats, goed voor een Champions Leagueticket, telkens gevierd als was het een titel. In die context was het moeilijk om de bezuinigingspolitiek verder te zetten die de geleidelijke achteruitgang van de Noord-Londense voetbalclub mee had veroorzaakt. De Amerikaanse eigenaar Stan Kroenke, tevens hoofdaandeelhouder van American footballteam Los Angeles Rams - vorig jaar finalist in de Super Bowl -, heeft dat goed begrepen. Sinds 2013 en de komst van Mezut Özil, voor 47 miljoen euro weggehaald bij Real Madrid en zo destijds de tweede duurste transfer in de geschiedenis van de Premier League, tracht Kroenke de machine weer op gang te brengen door stevig uit te halen tijdens de transferperiodes. De club die voordien de hand op de knip hield, behoort nu tot de big spenders. De voorbije transferperiode werd maar liefst 152 euro uitgegeven, waarmee het bestuur van Arsenal handelde zoals elke grote club in een crisissituatie dat zou doen: meer uitgeven om te vergeten. Vergeten dat vorig seizoen alweer geen Champions Leagueplaats behaald werd en dat de finale van de Europa League roemloos verloren ging tegen stadsgenoot Chelsea (4-1). Voor het derde jaar op rij ontbreekt Arsenal dit seizoen in het kampioenenbal. Tot dan werd er wel eens spottend gedaan over de magnificent loser die 17 keer op rij, tussen 2001 en 2017, minstens de achtste finales* bereikte maar nooit 'de beker met de grote oren' in de lucht mocht steken. Maar Arsenal had toen tenminste de verdienste aanwezig te zijn op de Europese scène. Wellicht een geldig excuus voor de mindere periodes is het vertrek van de beste spelers ( Robin van Persie en Alex Song in 2012, Cesc Fàbregas en Samir Nasri een jaar later), verantwoord door de forse investering in het Emirates Stadium, de thuisbasis van Arsenal sinds 2006. Ondertussen heeft de club die investering al lang teruggewonnen. De loges in het Emirates Stadium alleen al brengen op één wedstrijd meer op dan de totale jaarrecette van Highbury, het vorige stadion. De nieuwe voetbaltempel levert de club tussen 140 en 145 miljoen per seizoen op. Daarmee is het Emirates Stadium de afgelopen vijf jaar het meest rendabele stadion van Europa. De sportieve prestaties tonen het niet aan, maar de club van Stan Kroenke blijft een van de rijkste clubs van het continent. In het klassement waarmee het Amerikaanse zakentijdschrift Forbes de rijkste sportclubs oplijst, prijken dit jaar opnieuw vooral teams uit de NFL ( National Football League, de American footballcompetitie) bovenaan, maar bij de Europese voetbalteams staat Arsenal met een geschatte waarde van 4,24 miljard dollar nog steeds in de top-8. Dit verklaart voldoende de recente koerswijziging van de Gunners. Na de periode onder Arsène Wenger waarin de club weigerde om geld uit te geven aan gevestigde waarden, gedraagt het nieuwe Arsenal zich als een bijna onverzadigbare nouveau riche. De omvang van sommige investeringen doet de wenkbrauwen soms fronsen. Waarom Arsenal 86 miljoen vrijmaakte voor het duo Granit Xhaka (45 miljoen) - Shkodran Mustafi (41 miljoen), blijft voor velen een raadsel. Hetzelfde geldt voor de 85 miljoen die het deze zomer betaalde aan Lille OSC voor de Ivoriaanse aanvaller Nicolas Pépé. Daarmee brak Arsenal hun transferrecord tijdens een bizarre mercato. De recente uitspraken van Josh Kroenke, zoon van de clubeigenaar en zelf vicevoorzitter en lid van de board of directors van Arsenal, getuigden evenmin van veel helderheid of aspiratie. Op de BBC vertelde hij dat de club 'zoveel mogelijk wil winnen'. Enkele weken daarvoor klonk het op de clubwebsite al even weinig ambitieus: 'Hoewel we graag zouden zeggen dat we onmiddellijk al in aanmerking komen voor de belangrijkste prijzen, weten we maar al te goed dat dat niet het geval is. Daarvoor zullen we nog hard moeten werken.' De uitspraak was realistisch, maar ook onhandig en matig ontvangen na een mercato waarin de club zich gul toonde, maar niet echt blijk gaf van doordachte keuzes. Naast Nicolas Pépé trok Arsenal de geldbeugel ook open voor de 32-jarige David Luiz (overgekomen van Chelsea voor 8,7 miljoen), de 18-jarige William Saliba (30 miljoen, maar nog een jaar uitgeleend aan zijn club van herkomst Saint-Étienne), de 22-jarige Kieran Tierney (Celtic, 27 miljoen) en de 18-jarige Gabriel Martinelli (Ituano, 6,7 miljoen). Dani Ceballos werd zonder aankoopoptie gehuurd van Real Madrid. Kortom, het transferbeleid vertoont een vreemde, moeilijk te begrijpen mix tussen de waarden waarvoor het Arsenal van Wenger stond en de meer pragmatische aanpak van diens opvolger Unai Emery. De Bask beseft dat hij veel krediet heeft nadat zijn voorganger het bij een groot deel van het publiek al een aantal jaar verkorven had, maar het allerbelangrijkste blijft dat Arsenal op zoek is naar een gids die de club, koste wat het kost, opnieuw de glorie van weleer bezorgt.