Wie het woord 'overloper' googlet, moet dezer dagen wel eerst een hele resem verwijzingen naar politicus Dirk Vijnck en diens onverkwikkelijke heen-en-weeraffaire tussen LDD en Open VLD doorworstelen, maar komt dan toch onvermijdelijk terecht op sites die over voetbal gaan. Niets dat bij de fanatieke supporter immers meer emoties opwekt dan een speler die men na jaren van warme koestering plots naar de aartsvijand ziet overlopen. De liefde kan dan snel omslaan in haat, de toejuichingen in een spervuur van verwensingen en klodders spuug.
...

Wie het woord 'overloper' googlet, moet dezer dagen wel eerst een hele resem verwijzingen naar politicus Dirk Vijnck en diens onverkwikkelijke heen-en-weeraffaire tussen LDD en Open VLD doorworstelen, maar komt dan toch onvermijdelijk terecht op sites die over voetbal gaan. Niets dat bij de fanatieke supporter immers meer emoties opwekt dan een speler die men na jaren van warme koestering plots naar de aartsvijand ziet overlopen. De liefde kan dan snel omslaan in haat, de toejuichingen in een spervuur van verwensingen en klodders spuug. Een van de beruchtste overlopers uit de voetbalgeschiedenis is Luis Figo, de Portugees die FC Barcelona aan meerdere titels en bekers hielp en er dan, in het jaar 2000, opeens voor koos om zijn dik belegde boterham te gaan verdienen bij de Koninklijke uit Madrid. Figo werd door de Catalanen plots tot volksvijand nummer één verheven. Voor zijn terugkeer naar Camp Nou met Real werden de messen gewet, vooral door de socios, maar ook door de media, die de geur van bloed geroken hadden en in hun koppen uitpakten met moord. Niet alleen de eerste keer, maar elke keer 'de verrader' zijn opwachting maakte in de tempel van het Catalaanse voetbal. Een varkenskop, dat is zowat het strafste wat Luis Figo in die ontmoetingen naar het hoofd geslingerd kreeg. Letterlijk, een heuse varkenskop, naast een regen van muntjes, bierblikjes en ander afval telkens als hij de zijlijn durfde naderen. Bij de socios van Barcelona was de beschaving plots ver te zoeken. Hadden ze gekund, ze hadden Figo openbaar gelyncht. Neen, dan gaat het er in ons landje toch iets nuchterder aan toe. Al kent ook onze eerste klasse een aantal beruchte overlopers en in enkele gevallen werden zij ook flink op de korrel genomen. Met het oog op de komende testmatchen tussen Anderlecht en Standard schetsen we het verhaal van voetballers die in hun carrière zowel het paarse als het rode shirt droegen of die als trainer bij de grote rivaal terechtkwamen. Decennia geleden werd er een stuk minder getransfereerd dan nu. Voetballers bleven vaak hun hele loopbaan bij dezelfde club of gingen hooguit voor hun fin de carrière even op een ander spelen. De man die staat geboekstaafd als de eerste die van Standard naar Anderlecht ging, was de technisch begaafde Paul Vandenberg in 1967. Vandenberg had er al een hele voetballoopbaan bij Union op zitten toen hij in 1965 naar Luik verhuisde. Na twee jaar keerde hij terug naar de hoofdstad, waar hij amper veertien keer voor Anderlecht zou uitkomen. Verdediger Julien Onclin werd in de overgang betrokken en was zo de eerste speler die van Anderlecht naar Standard verkaste. Veel beroering veroorzaakte dat niet echt. De eerste onderlinge transfer die stof deed opwaaien, was die van Jean Thissen, in 1974. De flink uit de kluiten gewassen linksachter van de Rouches zette op het hoogtepunt van zijn kunnen de stap naar de paars-witte aartsrivaal. Dat veroorzaakte evenwel meer deining ten zuiden van de taalgrens dan ten noorden ervan, want daar was het vooral Club Brugge dat - na de komst van trainer Ernst Happel - de Brusselaars het vuur aan de schenen zou leggen. Standard deed enkele jaren niet meer mee voor de prijzen. Bovendien ging het er destijds in de stadions nog iets vredelievender aan toe. Anderlecht pakt in de tweede helft van de jaren 70 twee Europabekers en twee Europese supercups. Een van de architecten van dat succes is de Nederlander Arie Haan, die op het veld de lijnen uitzet. Het is zeker niet helemaal toevallig dat Standard weer de neus aan het venster steekt op het moment dat Haan de deuren van het Astridpark achter zich dichtslaat en naar Luik trekt. In het seizoen 1980/81 zijn de Rouches nog op vijftien punten van kampioen Anderlecht geëindigd, in 1981/82 halen ze zélf de titel binnen. Maar om dat te bereiken moest eerst de nodige weerstand overwonnen worden. "Ik maakte de overstap samen met Johnny Dusbaba", vertelde Haan daarover, "en we werden aangezien als de oude paarden van Anderlecht. Raymond Goethals, enkele jaren voordien trainer bij paars-wit, werd ook aangetrokken. Niet alleen de supporters, maar zelfs de andere spelers zagen ons als afval uit Brussel. Het duurde een tijdje voor we aanvaard werden, maar zodra de resultaten kwamen, liep het wel los. Dat het publiek eerst afwijzend reageerde, was niet zo gek. Supporters zijn als kinderen die altijd meer willen en nooit tevreden zijn." Haan was niet in de beste verstandhouding bij Anderlecht vertrokken. Hij wilde niet zozeer de titel aan Standard schenken, dan wel hem afpakken van Anderlecht. Bij de Rouches was hij de ideale spilfiguur tussen de spelersgroep en de trainer. Voor velen is hij de man die Standard in 1982 kampioen maakte. Het jaar erop bleef Haan in Luik en weer schoot Standard de hoofdvogel af. Aan dat seizoen bleef echter een smet kleven door de omkoopaffaire rond de match tegen Waterschei. Haan onttrok zich handig aan straf en schorsing en sloot zijn carrière af bij PSV. Zowel in het Astridpark als op Sclessin zou hij nog terugkeren als coach, een unicum. Naargelang van de club waarvoor hij werkte, sprak hij zich uit als Anderlechtman of als professional die met zijn hart bij zijn broodheer was, of die nu paars dan wel rood bloed had. Haan ten voeten uit. Na de omkoopaffaire raakt het instituut aan de Maas in verval. Standard moet in de tweede helft van de jaren tachtig zelfs twee keer genoegen nemen met een tiende plaats, terwijl Anderlecht drie titels op rij binnenhaalt, de tweede daarvan met ... de befaamde testmatchen tegen Club Brugge. Aan paars-witte zijde in dat dubbele duel: Stéphane Demol, Jacky Munaron en René Vandereycken, later in verschillende functies terug te vinden bij Standard. De Rouches proberen hun oude glorie nochtans te herstellen in die jaren. Ze realiseren enkele opgemerkte transfers. In 1985 is dat de terugkeer van MichelRenquin, die een verleden had bij Standard én bij Anderlecht. De verdediger uit Bastenaken had in 1981 rood-wit geruild voor paars-wit, zij het slechts voor één jaar. De transfer was geen onverdeeld succes geworden en Anderlecht zou er sindsdien erg lang van afzien om nog ex-Rouches in huis te halen. In de omgekeerde richting ging er wel nog eentje. Alex Czerniatynski trok, ook al in 1985, naar Luik. Van een vijandig onthaal omdat hij van de erfvijand kwam, was geen sprake. Integendeel, in een enquête van de krant La Meuse prijkte Czernia helemaal bovenaan in het lijstje van spelers die de supporters het liefst naar Standard zagen komen. De spits met de houterige maar efficiënte spelstijl werd er op handen gedragen, maar ook in de paars-witte harten bleef de glamourboy een plaatsje behouden. Anderlecht had in die jaren dan ook niet veel te duchten van Standard, de nieuwe vijand was KV Mechelen. Toen Czernia in 1993 als KV-speler naar het Astridpark terugkeerde en er de enige treffer van de wedstrijd maakte, was een striemend fluitconcert wél zijn deel. In de loop van de jaren 90 en rond de eeuwwisseling kwamen er heel wat ex-spelers van paars-wit bij Standard terecht, maar bijna nooit rechtstreeks. Munaron via Club Luik, Peter Maes via Beveren, Ole Martin Aarst via AA Gent en Demol, Patrick Vervoort en Johan Walem na een buitenlands avontuur. Veel animositeit hing er dan ook niet rond hun respectievelijke terugkeer naar het oude Astridpark, waar ondertussen het nieuwe Constant Vanden Stockstadion verrezen was. Het Anderlechtpubliek toonde dat het de helden van vroeger niets kwalijk nam. Jacky Munaron mocht dat ondervinden in de lente van 1993. Hoewel hij bij de Rouches slechts reservekeeper was, kreeg hij door het uitvallen van Gilbert Bodart wat speelgelegenheid, onder meer voor de uitmatch op Anderlecht. De spionkop van de thuisploeg juichte zijn geliefde ex-goalie hartstochtelijk toe op het moment dat hij in het doel vlak voor hen plaatsnam. Standard was dat seizoen nochtans opnieuw een beetje de aartsrivaal geworden, maar Anderlecht wist de Rouches, die als tweede eindigden, toch op een afstand van dertien punten te houden. Munaron was weliswaar een monument, maar ook anderen kregen bij hun terugkeer een respectvol onthaal. Demol zei altijd dat hij zich bij Anderlecht beter thuis voelde. Bij Standard was hij aanvankelijk niet zo populair binnen de spelerskern, al had dat minder te maken met zijn paars-witte verleden dan met zijn reputatie als moeilijke jongen. De transfer waar nog het meeste om te doen was, was de terugkeer van Johan Walem naar België. De kleine middenvelder had zeven seizoenen voor Anderlecht gespeeld en verzeilde na enkele jaren Italië, bij Udinese en Parma, in Luik. Eigenlijk stond het in de sterren geschreven dat hij naar Brussel zou terugkeren, maar zowel Roger Vanden Stock als Walem zelf wachtten vruchteloos tot de ander het initiatief zou nemen. Standard meldde zich en de vogel vloog naar Luik. Daarmee kwam Walem toch ook weer een beetje thuis, want als jongetjes trok hij elke veertien dagen met zijn vader naar Sclessin, gehuld in een Standardtruitje en met een rood-witte sjaal rond de nek. De enige speler die in die periode de rechtstreekse overgang maakte, was de Roemeense linksback Tibor Selymes. Selymes en Aarst waren de enige paars-rode 'halfbloeden' die in het Anderlechtkamp stonden bij de fameuze slachting van 1999. Het seizoen 1998/99 was voor de Brusselaars al het vierde opeenvolgende zonder titel. In de heenronde hadden ze zelfs thuis met 0-1 verloren van Standard, de eerste competitiezege van de Rouches op de aartsvijand in tien jaar! Tot ontzetting van al wat rood en wit was, raakte Anderlecht in het seizoensslot toch nog aardig onder stoom en het versloeg Standard in Sclessin met 0-6. Selymes kwam die dag niet in actie, Aarst verving Radzinski nadat die drie keer had gescoord. Hoewel de hevigste rivaliteit tussen de twee oude vijanden bijna twintig jaar op een wat lager pitje stond, laaide die flink op in de jaren 2000. Vanaf 2003/04 ging Standard zich weer voluit mengen in het titeldebat en zou het niet meer uit de top drie verdwijnen. Op het vlak van transfers was het vuur al een paar jaar eerder aan de lont gestoken door de overgang van Ivica Mornar, in de zomer van 2001. Mornar had de Rouches net daarvoor weer eens een Europees ticket bezorgd - wat geleden was van 1995 - maar wou zijn contract niet verlengen en was daarom teruggezet naar de C-kern. Anderlecht plukte de Kroaat weg en daarmee was hij de eerste speler in twintig jaar die rechtstreeks van Luik naar Brussel verkaste. De kale spits met de onafscheidelijke oorbel was razend populair in de Vurige Stede en veel fans konden de overstap naar de aartsvijand dan ook moeilijk verkroppen. Hetzelfde fenomeen als bij Luis Figo: hoe groter en geliefder een speler is, hoe feller hij nadien gehaat kan worden. En Mornar wérd gehaat in Luik, zijn terugkeer met Anderlecht naar Sclessin in oktober 2001 zou Moca niet licht vergeten. De walging van een heel stadion golfde over hem heen. Op de tribunes werden spandoeken ontrold waarop bepaald geen fijne poëzie te lezen stond. De ergste luidden: "Je bent een verrader, zoals alle Kroaten" en "Weet je wat wij doen met verraders? Hetzelfde als in jouw land!" Mornar had het er moeilijk mee. "Ik kan begrijpen dat ze me uitjouwen", zei hij, "want het is altijd lastig om een speler naar de grote rivaal te zien vertrekken, maar die verwijzing naar de oorlog deed veel pijn." Gelukkig kreeg hij nadien ook fanmail van Luikenaars die zich van dat spandoek distantieerden en het Standardbestuur bood hem verontschuldigingen aan. Van de kant van de Anderlechtsupporters had de Kroaat niets te duchten, al vreesde hij als ex-Rouche in het begin ook daar de reacties. Lang duurde het niet voor hij in de armen werd gesloten. Bij de eerste goede actie in de eerste thuismatch van het seizoen, de Europese voorronde tegen Tiraspol, scandeerde het publiek al: "Mornar is een Sportingboy." Weinig Standardmannen zijn erin geslaagd om zo snel en zo fel de paars-witte harten te veroveren. In 2004 kwam er nog een ex-Rouche naar Anderlecht, Mbo Mpenza, maar diens verleden bij Standard lag al ver genoeg achter de rug om er weinig hinder van te ondervinden, ook al schuwde de oudste van de Mpenzabroers bijna een heel jaar lang elk interview om niet nodeloos commotie uit te lokken. Na de heisa met Mornar is het opnieuw goed raak in 2006, wanneer Standard zijn goudhaantje Mémé Tchité naar Brussel laat vertrekken. Hetzelfde oude verhaal: nog een contract van één jaar en dan is het bijtekenen of opkrassen. Tchité had zestien competitietreffers aangetekend voor Standard (dat op de meet was geklopt door Anderlecht) en dus was het gemis groot - en de frustratie nog groter. De Rwandese Belg wist waaraan hij zich kon verwachten. Nadat hij op de eerste speeldag de wedstrijd STVV-Anderlecht in het voordeel van paars-wit heeft doen kantelen, krijgt hij flink wat reacties uit Luik. Felicitaties van Standardmensen, maar ook verwensingen van ontgoochelde fans, bedreigingen zelfs. Zijn terugkeer naar Sclessin voor de klassieke topper kondigt zich niet aan als een plezierreisje. In de week voor het duel geeft Tchité zelfs geen interviews, maar kort voordien heeft hij zich wel laten ontvallen dat de vijandige reacties hem niet zouden deren: "Dat stoort me niet. Bij mijn transfer hebben de wetten van het voetbal gespeeld. Sommigen begrijpen dat. Laat de anderen maar fluiten." Fluiten doen ze, de supersonische spits krijgt alle frustratie om de gemiste titel over zich heen. Hij laat zichzelf evenmin onbetuigd en lijkt de Standardfans bij momenten nog wat extra op te hitsen. "Dat was wel niet de bedoeling", zegt hij achteraf. "Ik wilde gewoon laten zien dat het mij allemaal niks deed. Maar ik zag ook supporters die mijn truitje van vorig jaar nog droegen, dat deed me plezier." Ook in 2006/07 pakt Anderlecht de titel, al menen veel commentatoren dat het misschien anders gelopen zou zijn, mocht Standard Tchité behouden hebben. De spits drukt zijn stempel op het aanvalsspel van paars-wit en pakt uit met spetterende staaltjes van zijn kunnen, zoals die retro in de laatste minuut op Brussels. Hij wordt ook Profvoetballer van het Jaar. In de laatste wedstrijden van het seizoen ontdekt het Vanden Stockstadion nog een andere donkere spits, Dieumerci Mbokani. In goed honderd speelminuten scoort hij nog vier keer. Een nieuwe paars-witte chouchou? Het loopt helemaal anders. Mbokani heet onhandelbaar te zijn en wordt in de zomer van 2007 aan de deur gezet. Letterlijk, wanneer Anderlecht hem niet langer een appartement van de club laat betrekken. De Congolees neemt de omgekeerde weg als Tchité een jaar eerder en verkast naar Luik. Een factor die ook meespeelt in de transfer is de jacht op François Sterchele. Standard wil de rijzende ster van Germinal Beerschot inlijven, Anderlecht wil dat nog veel meer. Tevergeefs, beide clubs vissen achter het net en Sterchele gaat naar Club Brugge. Bij Standard wil Mbokani bewijzen dat Anderlecht en met name trainer Frank Vercauteren hem verkeerd beoordeeld hebben. Zijn revanchegevoelens vallen in goede aarde bij het Standardpubliek, dat de flamboyante spits met open armen verwelkomt. In Brussel daarentegen leeft de vrees dat Mbokani het bij Standard even goed zal doen als Tchité - ondertussen om financiële redenen doorgesluisd naar Santander - het een jaar eerder voor paars-wit deed. De doemdenkers krijgen gelijk. Mbokani vlamt voor Standard en krijgt daarvoor evenveel frustratie van de Anderlechtsfans in ruil. Bij zijn bezoek aan het Vanden Stockstadion wordt hij hardnekkig uitgefloten, maar zijn revanche smaakt zoet. In het beslissende titelduel tegen Anderlecht op 20 april 2008 haalt hij zijn gram: hij scoort de twee doelpunten die Standard voor het eerst in 25 jaar weer tot kampioen kronen. Van alle overlopers is Mbokani de enige die er morgen bij zal zijn. De ontvangst van Dieu in Anderlecht wordt heet, blasfemisch heet. S door peter mangelschots