Het is een prille lenteavond in 2008 wanneer we in Gjakova op stap zijn en in café Da Vinci zowaar onder luid applaus bedankt worden omdat België een van de landen is die de onafhankelijkheid van Kosovo erkenden. Terwijl een orkestje hypnotiserende volksliederen speelt, wordt ons het ene na het andere flesje Pejabier in de handen geduwd. Er hangt een sfeer die we nooit eerder meemaakten en ons altijd zal bijblijven. Het enthousiasme is overweldigend. Dat komt omdat anderhalve maand daarvoor, op 17 februari, de Albanese meerderheid in het parlement eenzijdig de onafhankelijkheid van de republiek Kosovo uitriep. Het volk is nu vrij, zo wordt ons uitgelegd, en kan eindelijk zijn authenticiteit beleven.
...

Het is een prille lenteavond in 2008 wanneer we in Gjakova op stap zijn en in café Da Vinci zowaar onder luid applaus bedankt worden omdat België een van de landen is die de onafhankelijkheid van Kosovo erkenden. Terwijl een orkestje hypnotiserende volksliederen speelt, wordt ons het ene na het andere flesje Pejabier in de handen geduwd. Er hangt een sfeer die we nooit eerder meemaakten en ons altijd zal bijblijven. Het enthousiasme is overweldigend. Dat komt omdat anderhalve maand daarvoor, op 17 februari, de Albanese meerderheid in het parlement eenzijdig de onafhankelijkheid van de republiek Kosovo uitriep. Het volk is nu vrij, zo wordt ons uitgelegd, en kan eindelijk zijn authenticiteit beleven. Ein-de-lijk. Want daarmee was een wens van bijna honderd jaar in vervulling gegaan. Sinds de Vrede van Londen in 1913, het besluit op de Eerste Balkanoorlog, werd Kosovo gezien als een integraal deel van Servië. In het Joegoslavië van president Tito was het een autonome provincie, maar na zijn dood laaiden oude frustraties en haatgevoelens weer op en kwam er repressie en terreur van Slobodan Milosevic in de plaats. Kosovaren beschouwen zichzelf als nazaten van de Illyriërs, die er al leefden voor de komst van de Slavische volkeren. Daarvoor verwijzen ze onder meer naar sporen van de Illyrische cultuur, zoals de verering van de zon en de slang, die je in de symboliek van de Albanezen op gevels van huizen en op traditionele klederdracht vindt. Het is in elk geval een volk dat van voetbal houdt. Minstens evenveel als andere voormalige deelrepublieken van het uiteengevallen sportland Joegoslavië. Gjakova is de geboortestad van Besnik Hasi. Hij is de eerste Kosovaar die uitkwam voor de nationale voetbalploeg van Albanië, het buurland met dezelfde taal en oorspronkelijke cultuur waarvan Kosovo in 1912 gescheiden werd. Zijn debuut voor de Adelaars maakte hij in 2000 tegen Malta. Zeven jaar later beëindigde hij zijn interlandcarrière na zijn vijftigste cap. De hoop leefde toen dat hij op een dag toch ook nog een officiële interland voor Kosovo zou kunnen spelen. Toen Hasi in 2000 een contract tekende bij Anderlecht, vulde hij in het vakje voor de nationaliteit 'Kosovaar' in. Dat mocht niet, want Kosovo was niet erkend als land, maar hij deed het, zo verklaarde hij, uit respect voor de twaalfduizend mensen die een jaar eerder het leven lieten in de Kosovo-oorlog. In 1999 organiseerde Hasi samen met de krant Het Belang van Limburg een solidariteitsactie die, mede dankzij zijn eigen inbreng, omgerekend zo'n 75.000 euro opbracht voor de vluchtelingen in de tentenkampen voorbij de Albanese grens. Alleen al in Gjakova werden in die tijd meer dan tweeduizend huizen platgebrand. Zijn ouderlijk huis liet hij drie keer heropbouwen. In 2003 werd hij door de toenmalige president Ibrahim Rugova gelauwerd voor zijn daden van menselijkheid. Maar een officiële interland voor Kosovo zou hij nooit kunnen spelen. Eén keer trok hij het nationale shirt van Kosovo aan: in een clandestiene oefeninterland tegen Saudi-Arabië in 2007. Op de vraag van 6 mei 2008 om lid te worden van de FIFA kreeg Kosovo een negatief antwoord, omdat het nog door te weinig landen en internationale instanties erkend werd, en omdat in de eerste plaats Servië en zijn bondgenoten zich daartegen verzetten. Het duurt uiteindelijk bijna zes jaar na de onafhankelijkheidsverklaring voor er goed nieuws is. Op 13 januari 2014 staat de FIFA toe dat Kosovo vriendschappelijke wedstrijden speelt, maar zonder gebruik te maken van nationale symbolen, zonder vlag en zonder volkslied, én niet tegen deelstaten van het vroegere Joegoslavië. Het is 5 maart 2014 wanneer Kosovo in Mitrovica tegen Haïti zijn allereerste erkende oefenmatch aanvat. In doel staat Samir Ujkani. Hij telt twintig caps voor Albanië, maar nu het mogelijk is om voor Kosovo uit te komen, beslist hij om dat ook te doen. Hij is de allereerste Albanese international die deze keuze maakt. Ujkani is geboren in Kosovo, maar wanneer hij zes jaar is, vluchten zijn ouders met hem en zijn broer en zus naar België. Ze komen terecht in het West-Vlaamse Tielt. Daar begint hij te voetballen en via Harelbeke en Anderlecht belandt hij in Italië. Bij Palermo, Novara, Chievo, Genoa en nu bij Pisa. 'Die allereerste wedstrijd met Kosovo was de meest emotionele uit mijn carrière', zegt hij. 'Mitrovica is dicht bij mij thuis en ik verloor er in de buurt veel familieleden. Het was die dag heel koud en toen we van Pristina naar Mitrovica reden, zagen we langs de weg, van wel twintig kilometer ver, mensen te voet met vlaggen onderweg naar de wedstrijd. Twee uur voor de aftrap zat het stadion al vol en toen ik het veld op liep, kreeg ik kippenvel en tranen in mijn ogen. Extreem emotioneel. Onbeschrijflijk. Het was een moment waarop alles samenviel.' Het grote nieuws valt uiteindelijk in de lente van dit jaar. Op 3 mei wordt Kosovo toegelaten tot de UEFA en op 13 mei volgt ook het lidmaatschap van de FIFA. Binnen de maand al speelt het zijn eerste oefeninterland als lid van de internationale voetbalbonden: op 3 juni treft het in Frankfurt de Faeröer. Voor het eerst mag naar aanleiding van een internationale voetbalwedstrijd de Kosovaarse vlag gehesen worden en het Kosovaarse volkslied gespeeld worden. Maar in de tribunes zien we vooral heel veel zwart en rood van Albanië. 'We respecteren ook nog altijd onze vroegere vlag,' zegt Samir Ujkani daar achteraf over, 'de vlag van vóór 2008. De Albanese vlag. Tenslotte zijn we allemaal Albanezen. Kosovaarse Albanezen.' Kosovo wint met 2-0, nadat het al vroeg in de wedstrijd door een uitsluiting tot tien man herleid was geweest, en het viert de overwinning alsof het net wereldkampioen is geworden. Rond het stadion trekken toeterende wagens met supporters die met vlaggen uit de ramen hangen of op het dak zitten in colonne door de straten. We zien veel Duitse nummerplaten en een paar Belgische, blijkbaar zijn er nogal wat Kosovaren bijna tweeduizend kilometer ver gereden om hun nationale ploeg aan het werk te zien. 'Gezien hoe we voor elkaar vochten? Onze spits van 32 zien lopen?' Aanvoerder Samir Ujkani raakt na afloop niet uitgepraat over zijn ploegmaats. 'Hier zijn geen motivatiespeeches nodig, iedereen weet waarom hij hier is. Iedereen kent de geschiedenis. Iedereen verloor familieleden. Dit is echt een groep die gemaakt is om alles te geven, voor onze families en voor ons land. En straks is er de eerste WK-kwalificatiewedstrijd! Nu het geaccepteerd is, lijkt het allemaal vanzelfsprekend, maar laten we niet vergeten dankbaar te zijn voor de mensen die in de jaren negentig anoniem vriendschappelijke wedstrijden speelden op een moment dat de Servische politie alles deed om dat te verhinderen. Het is omdat zij nooit opgaven dat wij hier nu zijn.' 'Straks', dat is op 5 september in en tegen Finland. Kosovo werd in juni alsnog ingeloot voor de kwalificatie voor het wereldkampioenschap 2018 in Rusland. In groep I staat het tussen Finland, Turkije, Oekraïne, IJsland en Kroatië. 'Het wordt een wedstrijd die alles zal recapituleren waar Kosovo als land en als volk doorheen is moeten gaan', zegt teammanager Bajram Shala. 'Het is iets waar we al 25 jaar op wachten. Iets waar we allemaal voor vochten, maar waar we vaak naast grepen. Het wordt een historische wedstrijd. A game of pride. A game of passion. In 1991 al beslisten we ons af te scheiden en een eigen competitie te creëren. Onze voetbalbond bestond al sinds 1948, onder de Joegoslavische voetbalbond, maar toen beslisten we hem herop te richten. Omdat we door de politieke situatie zeiden: stop! Van in 1991 hoopten we al lid te worden van de UEFA en de FIFA en internationale wedstrijden te mogen spelen met onze nationale ploeg en onze clubs. Maar het bleef bij dromen. Zeven jaar lang leefden we in extreem slechte omstandigheden, waarin het louter om overleven ging. Want het Servische regime maakte in die tijd alles wat in Kosovo niet Servisch was kapot. Mensen riskeerden toen hun leven en hun have en goed om hier voetbal te kunnen blijven spelen. Ook na de oorlog nog werden wedstrijden stilgelegd door gewapende Servische militaire politie. Herhaaldelijk werden er officials, spelers en referees meegenomen en in de gevangenis opgesloten, gewoon omdat ze voetbal speelden in een parallel systeem.' Kosovo zal zijn eerste thuiswedstrijden in de WK-kwalificatie niet in eigen land kunnen spelen, omdat de infrastructuur er nog niet voldoet aan de FIFA-normen. 'Op 6 oktober en 24 maart zullen we daarvoor uitwijken naar Shkodër in Albanië', zegt Bajram Shala. 'Tegen onze derde thuismatch, in juni 2017, zou het stadion van Pristina gerenoveerd moeten zijn. De stad en de staat trokken daar samen vier miljoen euro voor uit.' Er blijft een lange weg te gaan. Kosovo kwam uit de oorlog als een van de sterkst onderontwikkelde economieën van Europa. Zowel Besnik Hasi als Samir Ujkani haalde de voorbije jaren in interviews het probleem van de jeugdwerkloosheid aan, het gebrek aan toekomstperspectief voor jongeren en aan steun van de internationale voetbalinstanties. Zowat overal in Europa duiken talentrijke voetballers van Kosovaarse origine op, zoals Adnan Januzaj in België, kinderen van vluchtelingen die elders in veel betere omstandigheden opgroeiden. Maar hun aandacht ging vooral naar de anonieme talenten die in Kosovo hun droom niet kunnen realiseren omdat het voetbal er al een kwarteeuw stilstaat en de infrastructuur en de knowhow er ontbreken om zich te kunnen ontwikkelen. Drie jaar geleden vertelde Ujkani in Sport/Voetbalmagazine dat hij in Kosovo 'een ongelooflijk getalenteerde keeper van zestien jaar' kende, maar dat die niet naar het buitenland geraakte omdat Kosovo nog altijd onvoldoende erkend was. 'Omdat blijkbaar niemand het risico wil nemen met wat een transfer van zo'n jongen juridisch inhoudt.' Intussen is hij al gestopt met voetballen om te gaan werken, vertelt hij nu. 'Als je op achttien à negentien jaar niet weg geraakt, dan is tachtig procent van je loopbaan al voorbij.' De laatste jaren is er beterschap, merkt hij. 'Er zijn wegen en gebouwen vernieuwd. Maar voor wie een sportcarrière ambieert, is er nog steeds geen toekomst.' Nu zal dat wel veranderen, verwacht hij. 'Vanaf volgend seizoen mogen onze clubs deelnemen aan de voorrondes van de Europa League en de Champions League. Dat is toch een nieuw doel. Een stimulans. Een kans om opgemerkt te worden.' 'Het is nu de taak van de clubs om de infrastructuur te verbeteren', zegt Bajram Shala. 'Maar daarvoor ontbreekt het geld nog. Sinds de erkenning zijn er wel meer redenen om te investeren in de sport en in de voetbalbusiness. Dat effect zien we nu nog niet, na drie maanden, maar ik verwacht het snel.' Ujkani woont nu weer in Kosovo en is optimistisch. 'Kosovo is niet groot, het telt niet eens twee miljoen inwoners, maar er is extreem veel talent. Grote buitenlandse clubs als Barcelona, AC Milan en Juventus komen er trainingskampen geven en nodigen onze beste jeugd uit voor stages. De organisatie bij de clubs verbetert en de laatste jaren is ook de competitie erop vooruitgegaan. Zo trok Pristina een Duitser aan om alles intern op punt te zetten. In Pristina en Mitrovica zullen we binnenkort over twee moderne stadions beschikken en ook in Gjilan kan iets moois uitgebouwd worden. Voor de rest zien we dan wel. Ik denk dat Kosovo nog een jaar of twee à drie nodig zal hebben om echt te beseffen dat voetbal iets groots kan worden voor het land.' De de facto onafhankelijke staat Kosovo is intussen al erkend door 108 van de 193 leden van de Verenigde Naties. Ook de relatie met Servië is al wat verbeterd. Maar een onderlinge oefenwedstrijd spelen, zoals bondsvoorzitter en ex-Joegoslavisch international Fadil Vokrri al voorstelde, is volgens Samir Ujkani nog niet aan de orde. Er is te veel gebeurd, de oorlog zit nog in het bloed, merkt hij, en hij denkt dat het misschien wel een generatie zal kosten om dat allemaal verwerkt te krijgen. 'Mochten we in de komende jaren toch ooit tegenover elkaar komen te staan in kwalificatiewedstrijden, dan zal het erop aankomen aan beide kanten alles heel goed onder controle te houden.' Hij woont in de buurt van Mitrovica, de etnisch verdeelde en meest explosieve stad van Kosovo. Serviërs en Albanezen zijn er gescheiden door de rivier Ibar. Bruggen zijn er gebarricadeerd, maar door bemiddeling van de Europese Unie raakten regeringsleiders van Servië en Kosovo het eerder dit jaar eens om de centrale brug weer te openen. 'Ik hoop', zegt hij, 'dat er weer met respect voor elkaar samengeleefd kan worden.' DOOR CHRISTIAN VANDENABEELE IN KOSOVO - FOTO'S REUTERS'Herhaaldelijk werden er officials, spelers en referees opgesloten, gewoon omdat ze voetbal speelden in een parallel systeem.' BAJRAM SHALA 'Ik denk dat Kosovo nog een paar jaar nodig zal hebben om echt te beseffen dat voetbal iets groots kan worden voor het land.' SAMIR UJKANI