Zes jaar geleden, toen hem zijn pronostiek voor het Tourpodium gevraagd werd, antwoordde oud-renner Cyrille Guimard cynisch: 1. Michele Ferrari, 2. Luigi Cecchini, 3. Eufemiano Fuentes. Drie namen van dokters, waarmee de Franse ploegleider wilde aangeven dat de Tour gewonnen zou worden door de renner met de beste arts.
...

Zes jaar geleden, toen hem zijn pronostiek voor het Tourpodium gevraagd werd, antwoordde oud-renner Cyrille Guimard cynisch: 1. Michele Ferrari, 2. Luigi Cecchini, 3. Eufemiano Fuentes. Drie namen van dokters, waarmee de Franse ploegleider wilde aangeven dat de Tour gewonnen zou worden door de renner met de beste arts. In 1994 al, toen hij de Franse Castoramaploeg leidde, liet Guimard verstaan dat er in het wielrennen mysterieuze krachten aan het spelen waren. Het was de periode van de veelbesproken Gewissploeg, die de concurrentie ronduit belachelijk maakte. Berucht is de Waalse Pijl van dat jaar, toen Moreno Argentin, Giorgio Furlan en Jevgeni Berzin ver voor de finish iedereen uit het wiel kletsten en tot de aankomst standhielden. Achter de successen bij Gewiss gaat een wonderdokter schuil: Michele Ferrari. Daags na die fameuze Waalse Pijl confronteert een journalist van L'Equipe de Italiaan met de achterdocht die Guimard had verwoord. "In Italië lopen we vooruit op het gebied van voeding, materiaal en trainingsmethodes", geeft Ferrari als uitleg. Maar in datzelfde interview lanceert hij ook een paar oneliners die hem zijn leven lang zullen achtervolgen: "Wat niet door het antidopingreglement verboden is, is toegestaan." En vooral: "Epo is alleen gevaarlijk als het verkeerd gebruikt wordt. Zoals tien liter fruitsap drinken ook gevaarlijk is." Ferrari draait dan al tien jaar mee in het peloton. In 1984 proeft de jonge dokter uit Ferrara voor het eerst van de roem als lid van het begeleidingsteam rond Francesco Moser, die op zijn 33e eerst het werelduurrecord van Eddy Merckx verpulvert, vervolgens zonder competitie in de benen Milaan-Sanremo wint en ten slotte voor het eerst in zijn carrière de Giro op zijn naam schrijft. Ferrari is een van de assistenten van professor Francesco Conconi, die hij kent van aan de universiteit van Ferrara. Conconi, een gebaarde vijftiger, geldt in die tijd als een autoriteit in de bewegingswetenschap. Conconi stond voor de revolutie: trainingen op basis van hartslagmeting, doorgedreven aandacht voor aerodynamica, maar ook bloedtransfusies, in 1984 nog niet verboden. Ferrari, 31 jaar en ambitieus, wil grenzen aftasten en verleggen. Als ex-atleet - hij was Italiaans kampioen op de kilometer bij de cadetten en promoveerde aan de universiteit met een verhandeling over de overslagpols bij het lopen - is hij een prestatiefreak. Met zo'n enthousiaste wetenschapper valt te werken, voelt Moser ook aan. Ferrari ruilt zijn academische carrière voor een baan als dokter bij Gis, de ploeg van Moser. Een wielerteam dat een arts op de loonlijst inschrijft: dat is in die tijd vooruitstrevend. Eind de jaren tachtig, wanneer bloedtransfusies uit de mode raken door de komst van epo, wordt Ferrara, vijftig kilometer ten noordoosten van Bologna, het epocentrum en dus ook het epicentrum van de wielersport. Conconi krijgt van het IOC de opdracht een test te ontwikkelen om het nieuwe wondermiddel, sinds 1989 op de markt, te kunnen opsporen. Het laat de professor toe vrijuit epo in te voeren en ermee te experimenteren. Zijn proefkonijnen zijn geen amateursporters, zoals hij op congressen laat uitschijnen, maar gerenommeerde profrenners. Onder hen Gianni Bugno, ex-Tourwinnaar Stephen Roche en Claudio Chiappucci, die als anonieme coureur plots het Tourpodium haalt. Jaren aan een stuk verkondigt Conconi dat zijn epotest bijna af is, maar uiteindelijk zal die er pas in 2000 komen dankzij onderzoek in een antidopinglab nabij Parijs. Doping in de wielersport is van alle tijden, maar de onopspoorbare toverdrank die begin jaren negentig vanuit Ferrara het peloton overspoelt, heeft een ongeziene impact. Boerenpaarden veranderen plots in renpaarden. Iedereen in het peloton staat voor de keuze: ontmoedigd de fiets aan de haak hangen, zoals Greg LeMond en Edwig Van Hooydonck, of wild spuiten en met bloed zo dik als confituur rondrijden. Sommige teams, zoals Festina, kiezen voor de tussenweg: ze organiseren het epogebruik onder toezicht van hun arts, de zo verguisde Eric Rijc- kaert, die over de gezondheid van de renners moet waken. Richard Virenque en co vinden het maar niets. Rijckaert noemen ze spottend dokter Punto, naar de kleine Fiat die niet kan optornen tegen een Ferrari. Vanaf het voorjaar van 1994 weet het peloton dat Michele Ferrari een garantie is op succes. Na zijn ongelukkige uitspraken in L'Equipe is de Italiaan bij Gewiss de laan uitgestuurd, maar als individuele arts zal hij als een zwaard van Damocles boven het peloton blijven hangen tot op vandaag. Midden de jaren negentig overtreft zijn reputatie al die van zijn leermeester Conconi. "Ferrari wilde graag via de begeleiding van topsporters veel geld verdienen en beroemd worden", zal Conconi beweren over zijn achttien jaar jongere collega. "Michele besloot een handelaar te worden, ik ben een wetenschapper gebleven. Dat is het verschil." Ook bij Motorola, de Amerikaanse ploeg rond Lance Armstrong, groeit in die tijd het besef dat in Italië met andere wapens gestreden wordt. Armstrongs ploegmaat en boezemvriend George Hincapie zal getuigen: "In 1995 werden we weggereden in Milaan-Sanremo en toen we huiswaarts keerden, was Lance over zijn toeren: 'Mensen zijn spul aan het gebruiken, we worden afgemaakt.' Er moest wat gebeuren. Ik begreep dat hij bedoelde dat het team op epo moest gaan rijden." In 1995 begint Armstrong - via zijn vriend Eddy Merckx nota bene - zijn samenwerking met dottore Ferrari, die dan net Tony Rominger naar een werelduurrecord heeft geleid. Een jaar later, eind 1996, barst in Italië de bom, wanneer in de Gazzetta dello Sport de conclusies van het ophefmakende onderzoek van Sandro Donati wereldkundig worden. Het rapport van de professor is al ruim twee jaar oud, maar het bevat zo veel dynamiet, dat het al die tijd stilgehouden werd. Donati, hoofd van het onderzoeksdepartement van het Italiaans olympisch comité (CONI), openbaart in zijn rapport dat Conconi de man was die epo in het peloton bracht. Het universitair centrum dat Conconi in Ferrara leidt, geniet dan al jarenlang de financiële steun van het CONI. Een door de overheid gesteund dopingsysteem: het deed denken aan het vroegere Oost-Duitsland. Op het moment van de onthullingen, die hij afdoet als nonsens, staat Conconi aan het hoofd van de medische commissie bij de UCI. Onder druk van de publicatie, die ook een verband legt tussen epo en de wielerdoden begin jaren negentig, raadt hij toenmalig UCI-voorzitter Hein Verbruggen aan hematocrietcontroles in te voeren om het epogebruik aan banden te leggen. Bij Festina worden de bloedcontroles, die in 1997 voor het eerst worden uitgevoerd, op applaus onthaald. De maatregel zou hun renners ervan weerhouden om achter de rug van dokter Rijckaert malafide preparatori op te zoeken. Cyrille Guimard daarentegen, in die tijd ploegleider bij Cofidis, oordeelt paradoxaal genoeg dat de UCI, met de invoering van een maximumgrens op vijftig, het gebruik van epo gelegaliseerd heeft. De Fransman heeft het bij het rechte eind. Meer dan ooit raakt epo wijdverspreid in het peloton. De praktijk van Michele Ferrari draait als nooit tevoren. Il Mito (de mythe) weet immers hoe je je hematocriet met bloedverdunners en zoutoplossingen onder de vijftig kunt krijgen. Terwijl de sportwereld niet in staat blijkt zichzelf te zuiveren, beginnen eind jaren negentig politie en gerecht hun eigen opruimoperatie in het wielrennen. Als in de Tour van 1998 de Festinabom ontploft, is het parket van Bologna al een jaar bezig met een onderzoek naar handel, bezit en gebruik van verboden middelen. Het spoor vertrekt bij een apotheek in Bologna, waar bijna uitsluitend bekende wielrenners, voetballers en volleyballers klant zijn. Er worden bewijzen gevonden van illegaal uit Zwitserland ingevoerde dopingmiddelen, alsook valse doktersvoorschriften. Een van de doktersnamen die steeds terugkeren, is Michele Ferrari. Tot drie keer toe krijgt de dokter het bezoek van de NAS, de antidrugbrigade van de Italiaanse politie. Verdachte schriftjes, met meer dan twintig rennersnamen in, trekken de aandacht. Naast de namen staan niet alleen de legale geneesmiddelen die Ferrari zijn klanten toediende, maar ook met sterretjes gecodeerde boodschappen. Na afloop van de Trofeo Laigueglia in 1999, de eerste belangrijke afspraak op de Italiaanse kalender, worden zes renners meegenomen voor ondervraging, onder wie de Girowinnaars Pavel Tonkov, Ivan Gotti en Paolo Savoldelli. Maar ook Axel Merckx, Armstrongs ex-ploegmaat, die later zal bekennen dat hij zich van 1994 tot 1998 door Ferrari liet begeleiden en door hem testosteronpillen werd aanbevolen. Tijdens de ondervraging na de Trofeo Laigueglia klapt alleen Gianluca Bortolami uit de biecht. De latere winnaar van de Ronde van Vlaanderen verklapt dat de sterretjes een aanduiding waren voor wanneer en hoeveel epo hij moest nemen. Een verklaring die hij nadien wel weer zal intrekken. Heel het voorjaar van 1999 worden nog meer renners verhoord en vinden ook huiszoekingen plaats. Onder anderen sprintkoning Mario Cipollini, Franco Ballerini (winnaar Parijs-Roubaix 1995 en 1998), Gianni Faresin (winnaar Ronde van Lombardije 1995) en veldrijder Daniele Pontoni moeten de politie uitleg verschaffen. Hoe verder het onderzoek vordert, hoe meer dominante figuren van de jaren negentig in verband worden gebracht met de mirakeldokter. Abraham Olano (winnaar WK 1995 en Vuelta 1998) leerde Ferrari kennen via zijn oud-ploegmaat Tony Rominger. Ook Laurent Jalabert en Fernando Escartin duiken op in Ferrari's klantenbestand. Het uitvoerige onderzoek van Bologna mondt eind 2001 uit in een rechtszaak, waarin pas drie jaar later een vonnis zal worden geveld. De genoemde renners worden opgeroepen als getuigen maar nooit gestraft. Michele Ferrari, de giftige spin in het web, wordt beschuldigd van het toedienen van gevaarlijke substanties, handel in geneesmiddelen en sportieve fraude. Voor de eerste aanklacht (tevens de zwaarste) gaat hij vrijuit. Voor de andere beschuldigingen wordt hij veroordeeld tot een jaar voorwaardelijke gevangenisstraf, een boete van 900 euro en een jaar beroepsverbod. Dottore Epo tekent echter beroep aan en in mei 2006 zal hij uiteindelijk bij gebrek aan bewijs vrijgesproken worden. De omerta heeft het justitie onmogelijk gemaakt om een smoking gun te vinden tegen Ferrari. Alleen Filippo Simeoni, een ex-ploegmaat van Claudio Chiappucci en Marco Pantani, doorbrak op het proces de zwijgplicht. "Ferrari raadde me aan epo en testosteronpillen te nemen en gaf me tips om mijn hematocrietwaarde onder de vijftig te krijgen", aldus de spijtoptant. Zijn getuigenis leidt ertoe dat de Italiaanse wielerbond in 2002 alle Italiaanse wielrenners voor altijd verbiedt om nog samen te werken met Ferrari. De biecht van Simeoni zet kwaad bloed. De 'verrader' wordt het slachtoffer van intimidaties. Lance Armstrong, die zijn vertrouwen in Ferrari nooit zou opzeggen, gaat voorop in de vergeldingsstrijd. In de media bestempelt hij Simeoni als een leugenaar. Maar ook op de fiets maakt hij hem het leven zuur. In de achttiende rit van de Tour van 2004 springt Simeoni mee in een vroege, voor het klassement ongevaarlijke ontsnapping. Armstrong laat dat niet gebeuren en haalt voor het oog van de hele wereld de Italiaan zelf terug, met de woorden: "Ik heb tijd en geld genoeg. Ik ga je kapotmaken." Weer ingerekend door het peloton wordt Simeoni door Filippo Pozzato uitgemaakt voor idioot. In 2012 zal blijken dat Pozzato jarenlang bij Ferrari op consult ging, ondanks de ban die de Italiaanse wielerbond had uitgesproken. Helemaal geen invloed lijkt het Bolognaproces te hebben gehad op Ferrari's handel en wandel. Behalve dan misschien dat sommige renners andere bloedmagiërs, zoals Fuentes, onder de arm namen. Maar toen ook zij in diskrediet kwamen, werd het kabinet van Ferrari opnieuw een toevluchtsoord. Zo stapten Michele Scarponi en Luis León Sánchez, destijds betrokken in de Fuenteszaak, over naar Ferrari. Scarponi is de Girowinnaar van 2011, Sánchez ritwinnaar in de Tour 2012. Doping een probleem van de vorige generatie, zoals Philippe Gilbert beweert? De lange lijst renners die onlangs met Ferrari in verband werden gebracht, is ontnuchterend. Michael Rogers, luitenant van Bradley Wiggins in de jongste Tour, gaf in 2006 toe dat hij door de duivelsdokter begeleid werd. Aleksandr Vinokoerov, de olympische kampioen van Londen, kwam in 2007 met dezelfde verontrustende boodschap af. Franco Pellizotti, de huidige Italiaanse kampioen, en Vincenzo Nibali werden er in 2009 door een loslippige ploegleider van beticht banden te hebben met Ferrari. Beiden zijn ex-ploegmaats van Leonardo Bertagnolli, de winnaar van de Clásica San Sebastián in 2007. Hij getuigde dat onder meer Roman Kreuziger, winnaar van de jongste Amstel Gold Race, en Enrico Gasparotto, winnaar van de Amstel Gold Race vorig jaar, 'advies' inwonnen bij Ferrari. Ook in het Oostblok lijkt dottore Epo een nieuwe markt te hebben aangeboord. Astana zou zich rijkelijk bediend hebben van zijn kunsten. Eerder ging de Italiaanse antidrugsbrigade speuren in het hoofdkwartier van Katjoesja en nam ze onder meer het medisch dossier in beslag van Aleksandr Kolobnev, ex-dopingzondaar en op het voorplan tijdens het afgelopen WK in Valkenburg. Al deze namen duiken op in het onderzoek dat het parket van Padua al ruim twee jaar aan het voeren is en bijna afgerond heeft. Het vloeit voort uit het onderzoek naar US Postal dat in 2010 in de VS werd geopend naar aanleiding van de dopingverhalen van Floyd Landis. Op 10 juli 2012 legde het Amerikaanse antidopingagentschap Ferrari in het kader van de zaak-Armstrong een levenslange schorsing op. Maar de wielerwereld houdt de adem in voor wat het nakende proces tegen Ferrari in Italië nog allemaal naar boven zal woelen. Stilaan wordt duidelijk dat een maffioos financieringssysteem schuilgaat achter het Ferrariweb. Om de geldstromen te verduisteren zou Ferrari rennersmanagers hebben ingeschakeld, die valse rennerscontracten opstelden waardoor ze belastingen konden ontduiken en zwart geld witwassen. Rominger, als renner al klant bij Ferrari en later manager van onder anderen Vinokoerov, Cadel Evans en Andreas Klöden, zou daarbij met zijn Zwitserse vennootschap een centrale rol hebben gespeeld. Ook Raimondo Scimone, de zaakwaarnemer van Katjoesjarenner Denis Mensjov, wordt een spilfiguur genoemd. Ferrari heeft het gezicht van de wielersport niet alleen veranderd als grote promotor van epo, hij heeft er ook toe bijgedragen dat de kloof tussen rijk en arm in het peloton almaar groter werd. Alleen de grootverdieners interesseerden hem. Zelfs Richard Virenque vond Ferrari te duur. Volodimir Bileka, de in 2008 op epo betrapte ex-Lottorenner: "Ferrari had zo zijn twijfels om mij als klant te aanvaarden, omdat hij niet overtuigd was van mijn waarde, sportief én financieel." Bileka had een jaarloon van 50.000 dollar (ongeveer 38.500 euro) en bedong als boezemvriend van Jaroslav Popovitsj - ook een klant - een gunstprijs: 10.000 euro per jaar. Pozzato betaalde Ferrari van 2005 tot 2009 jaarlijks 40 à 50.000 euro. Armstrong maakte in totaal bijna 800.000 euro over. Zijn wijdvertakte doping- annex financieringssysteem zou Ferrari in totaal dertig miljoen euro hebben opgebracht. De dooddoener dat alle renners doping pakken en dus toch met dezelfde wapens strijden, gaat al lang niet meer op. DOOR BENEDICT VANCLOOSTER - BEELDEN: IMAGEGLOBEHet is via zijn vriend Eddy Merckx dat Armstrong in 1995 zijn samenwerking met dokter Ferrari begint. Toen de ene bloedmagiër in diskrediet kwam, ruilden renners hem ongestoord in voor een andere.