Jarenlang keken ze op tegen grote broer Duitsland, maar Oostenrijk wil nu voor zichzelf opkomen. Als co-organisator van het Europees kampioenschap voor landenploegen wordt er gebouwd aan een nieuwe voetbalcultuur. Eentje waartoe de jeugd zich aangetrokken moet voelen, waarin rolmodellen opstaan en stadions weer vol raken. Tot zover de theorie. In de praktijk liggen de zaken heel anders. Het nationale team draait vierkant en heel wat Oostenrijkers zijn het EK liever kwijt dan rijk. We gingen ons licht opsteken in Wenen en in Klagenfurt, de vergeten voetbalstad en de twijfelachtige nieuwkomer.
...

Jarenlang keken ze op tegen grote broer Duitsland, maar Oostenrijk wil nu voor zichzelf opkomen. Als co-organisator van het Europees kampioenschap voor landenploegen wordt er gebouwd aan een nieuwe voetbalcultuur. Eentje waartoe de jeugd zich aangetrokken moet voelen, waarin rolmodellen opstaan en stadions weer vol raken. Tot zover de theorie. In de praktijk liggen de zaken heel anders. Het nationale team draait vierkant en heel wat Oostenrijkers zijn het EK liever kwijt dan rijk. We gingen ons licht opsteken in Wenen en in Klagenfurt, de vergeten voetbalstad en de twijfelachtige nieuwkomer. Klagenfurt am See is de kleine broer onder de Oostenrijkse speelsteden. De hoofdstad van deelstaat Karinthië is volgens de Oostenrijkers een van de meest idyllische plekken in hun land en vooral druk bezocht door toeristen. Geheel onverwacht viel een invitatie als gaststad voor het EK op de mat van het gemeentehuis, nadat de grotere steden Linz en Graz hun medewerking aan de organisatie hadden ingetrokken. Het zorgde in eerste instantie voor vals enthousiasme in een stad die normaal alleen opleeft na een zoveelste topprestatie van de lokale trots EC-KAC (Eishockey Club Klagenfurter Athletik Club). Een enquête onder de bevolking liet zien dat tachtig procent eigenlijk helemaal niet uitkeek naar een paar weken lang voetbalsupporters en de daaraan gekoppelde onrust in de stad. Klagenfurt wil immers blijven zoals het is: een schilderachtige bergstad met het imago van een klein dorp. Hier halen de inwoners in het najaar hun drinkwater uit de Wörthersee (een immens meer met een lengte van bijna twintig kilometer), dobberen sportvissers in harmonie met de natuur in een opblaasbaar bootje rond en dient de sneeuw al begin september als decoratie van de omgeving. Klagenfurt heeft, volgens het leeuwendeel van de inwoners, maar één manco: een burgemeester die uit is op aandacht en roem, die van een stad met één middelmatige voetbalclub (Austria Kärnten dat onder in de Bundesliga vertoeft) een voetbalmetropool wil maken. Zo snel mogelijk, met het EK als troefkaart. We zijn op weg in de pendelboot op de Weissensee. De rustgevende tocht naar een officieel banket ter gelegenheid van de officiële opening van voetbalstad Klagenfurt aan de overkant van het meer. "Oostenrijkers zijn bescheiden mensen," vertelt de gids, "maar de burgemeester heeft een groot ego. Die denkt alleen aan zichzelf." De op 23 september 1940 geboren Harald Scheucher is een politiek beest, want al sinds 1984 bekleedt hij voor de Oostenrijkse Volkspartij (ÖVP) diverse functies in de binnenlandse politiek. In maart 1997 kwam zijn jongensdroom uit, toen hij met een ruime meerderheid (67,8 procent van de stemmen) burgervader van de stad werd. Hij verbaasde vriend en vijand toen hij in 2005 bekendmaakte dat Klagenfurt een van de speelsteden zou zijn voor het komende EK. Om te kunnen voldoen aan de UEFA-voorwaarden moest er wel een nieuw stadion worden gebouwd en juist dat stuitte op veel verzet vanuit de samenleving. "Maar wij hadden weer het ongeluk dat ook Jörg Haider ( de gouverneur van Karinthië en de grote leider van de extreem-rechtse FPÖ, nvdr) niet vies is van aandacht", legt de gids uit. "Die kennen jullie vast nog wel." Elf lokale schonen wachten op de pier waar de boot aanmeert. Hoogwaardigheidsbekleders lachen hun tanden bloot. Scheucher voorop, hij heeft de meest opvallende tandpastalach van allemaal. "Met de bouw van het Wörtherseestadion gaat de stad Klagenfurt een nieuw leven tegemoet", zegt hij. "Soms is het helemaal niet erg om te veranderen. Ons stadion zet Klagenfurt op de internationale voetbalkaart." Kosten noch moeite zijn gespaard tijdens de bouw van het onderkomen voor drie groepsduels in de zomer van 2008. Op twee jaar tijd spendeerden de stad, de deelstaat en de landelijke overheid samen 66,5 miljoen euro aan het stadion met een capaciteit van 32.000 toeschouwers. Na het toernooi zal de sloophamer een einde maken aan het kortstondige bestaan van de helft van de stoeltjes. Anders is het stadion niet rendabel ... Het blijft een gek verhaal, vindt de Oostenrijkse bevolking. Waarom zo veel geld uit de goedgevulde staatskluizen halen voor een project met een uiterst beperkte houdbaarheidsdatum? We leggen de vraag voor aan Friedrich Stickler, sinds 2002 president van de ÖFB, de Oostenrijkse voetbalbond. Hij bekent direct: "We nemen een risico. Ik ben de eerste om dat toe te geven. Maar we kunnen niet anders, we moeten voor dit toernooi een stadion van topkwaliteit neerzetten. Daarom hebben we besloten naar het heden en niet naar de toekomst te kijken. Ja, het kan zo zijn dat de kosten voor dit stadion ons straks de das omdoen, maar we weten dat we met dit toernooi een dubbele slag kunnen slaan. Enerzijds als voetballand, anderzijds als promotie voor dit prachtige Oostenrijk. Bovendien hoeft het niet zo te zijn dat straks een lege bouwval tussen de bergen verpietert. Er zijn plannen om clubs uit te nodigen of topartiesten concerten te laten geven." Stickler weet dat de toekomst deels in handen ligt van het nationale team. "De prestaties op het veld zijn misschien wel het belangrijkst", beseft hij. "De laatste jaren heeft de Oostenrijkse voetbalbond er weinig energie en geld ingestoken. Subsidies bleven uit, fatsoenlijke jeugdopleidingen ontbraken en zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar we zijn weer op de goede weg. Kijk naar onze beloften, die zijn anderhalf jaar geleden wel mooi vierde geworden op het WK in Canada. Er komt een bijzonder goede lichting voetballers aan, maar onze huidige nationale A-selectie loopt inderdaad niet over van kwaliteit. We hebben de doelstelling uitgesproken de groepsfase door te komen. Dat zal moeilijk worden, dat weet ik. Oostenrijk is klaar voor de organisatie van dit toernooi, maar ons nationale elftal is nog niet klaar voor dit niveau. Op dat gebied komt het EK voor ons eigenlijk te vroeg." De link met het EK 2000 is snel gelegd. Toen organiseerden Nederland en het lager aangeschreven België het evenement. Nederland bereikte de halve finale, België sneuvelde in de groepsfase. In ons land verdween de aandacht voor het EK daardoor al na anderhalve week voetbal. Stickler: "Wij hebben helemaal niet naar dat toernooi gekeken, maar eerder een voorbeeld genomen aan het meest recente EK in Portugal. Wij spiegelen ons niet aan Zwitserland, dat hebben wij Oostenrijkers nooit gedaan. We hebben altijd meer ons hoofd gebogen voor de Duitsers. Zij speelden altijd beter voetbal, organiseerden de grote toernooien. Ik kan nu zeggen: de Oostenrijker loopt weer met een rechte rug. We organiseren het EK, onze economie doet het beter en we hebben minder maatschappelijke problemen. De Oostenrijker durft weer trots te zijn op zijn afkomst. Na het toernooi zal dat alleen nog maar meer zijn. Wij gaan het beste EK neerzetten uit de geschiedenis." Waarvan akte. Op naar Wenen dan, stad van Sissi, oud-keizerin van Oostenrijk en Hongarije, de muze van het land. De stad die meer dan een decennium geleden de finale van de Champions League mocht huisvesten, waarin Ajax het op de valreep haalde van AC Milan. In het Ernst Happelstadion is daarvan geen herinnering bewaard gebleven. De emaillen bewegwijzering symboliseert slechts de voetbalnostalgie die hier als een spook rondwaart. Toch is dit stadion hét uithangbord voor de Oostenrijkers. Van alle acht speelsteden (verder nog Salzburg, Innsbruck en Klagenfurt in Oostenrijk en Bern, Zürich, Basel en Genève in Zwitserland) is Wenen de enige gastheer die tijdens elke speelronde de deuren zal openen. Met als klapper de finale op zondag 29 juni. Daarvoor is al aangelegd, in willekeurige volgorde: een nieuwe vipruimte voor zevenhonderd man, perstribunes, fanzones, een mixed zone en nieuwe kleedkamers. Het Ernst Happelstadion blijft verder zoals het is, alleen zullen er voor aanvang van het toernooi voor elke tribune nog eens zeven extra rijen met stoeltjes komen. De slogan staat als een huis: 'Wo sich die EM entscheidet', de beslissing in het EK valt hier. Dat streepje heeft Oostenrijk in elk geval al voor op Zwitserland. 's Avonds, in een wijnproeverij gelegen in een buitenwijk van Wenen, schuift managing director van het EK, Norbert Kettner, aan. Hij legt nogmaals uit wat het belang van het toernooi is: "Wij organiseren voor de eerste keer een eindronde, Zwitserland heeft daar al ervaring mee (het WK in 1954, nvdr). Zwitserland heeft ook het betere voetbalelftal. Ook al vliegen we er vroeg uit, ik weet zeker dat het toernooi voor een enorme boost zal zorgen onder de Oostenrijkse jeugd. Vroeger, in mijn tijd, had je helden zoals Gerhard Hanappi en later Hans Krankl en Toni Polster om naar op te kijken. Die voetballers, die uithangborden hebben we nu niet meer. Kinderen zien geen reden om te gaan voetballen, ze weten bij wijze van spreken niet eens wie ze willen zijn als ze op straat spelen. Als we dat nou eens kunnen bereiken door middel van dit toernooi, dan is het voor ons al geslaagd." Niet veel later blijken de woorden van Kettner vooral gebaseerd op optimisme en minder op realisme. Tegen sparringpartner Tunesië wordt, ondanks één helft behoorlijk voetbal, alweer niet gescoord en de lat behoedt de Oostenrijkers zelfs voor een nederlaag. De ploeg van bondscoach Josef Hickersberger druipt af met het schaamrood op de wangen. Het komt hen op een striemend fluitconcert van de verwachtingsvolle supporters te staan. De spreekkoren 'Hicke raus' zijn niet van de lucht. Het elftal strompelt verder op weg naar het EK en riskeert daar een blamage. Dat weten de beleidsmensen, dat weet voorzitter Stickler van de voetbalbond en dat weet de bevolking. Maar de weg terug is allang uit het zicht verdwenen. Op de tast naar 2008. Misschien wordt het, zoals Stickler zegt, het beste toernooi ooit. Wie weet. S door thijs jaski en peter mangelschots