Zulte Waregem : zesde in de eindrangschikking en bekerwinnaar ; Roeselare : twaalfde en straks misschien naar de UEFA-beker. De twee nieuwkomers van het voorbije seizoen, die ook in de Jupiler League hun semiprofessionele statuut trouw bleven, zetten zonder veel moeite hun voet naast de zogenaamde profclubs met de grotere budgetten.
...

Zulte Waregem : zesde in de eindrangschikking en bekerwinnaar ; Roeselare : twaalfde en straks misschien naar de UEFA-beker. De twee nieuwkomers van het voorbije seizoen, die ook in de Jupiler League hun semiprofessionele statuut trouw bleven, zetten zonder veel moeite hun voet naast de zogenaamde profclubs met de grotere budgetten. "België is dus niet te klein voor achttien profclubs", leidt de Antwerpse sporteconoom Stefan Késenne daaruit af, "en zeker niet voor, zeg maar, tien profclubs en acht semiprofclubs. België is wél te klein voor achttien slecht geleide profclubs die hun slecht presterende profspelers te veel betalen, een slechte transferpolitiek voeren en hun jeugdopleiding verwaarlozen. Uiteraard staat Zulte Waregem budgettair minder sterk. Wellicht zal het zijn stunt ook niet kunnen herhalen. Dus ik hoor er nu al een paar triomferen als er volgend seizoen een semiprofclub degradeert. Maar ik reken op het enthousiasme en het spelplezier van de amateurs tegenover de verveling en de luiheid van de verwende en overbetaalde profs in België om toch te bevestigen."Késenne is, zoals bekend, een notoir tegenstander van een inkrimping van de Belgische eerste klasse. Zeker als het ten koste zou gaan van ploegen als Zulte Waregem en Roeselare. Volgens hem is er tot vandaag ook zo goed als geen economisch en financieel onderzoek gebeurd naar het optimale aantal clubs. Késenne : "Stel even dat België inderdaad te klein zou zijn voor achttien profclubs. Dan is de goede reactie niet het reduceren van het aantal clubs, maar wel het reduceren van het aantal prófclubs. Dat betekent dat je achttien clubs behoudt, maar dat die afhankelijk van hun financiële mogelijkheden de tering naar de nering zullen moeten zetten en desnoods met een aantal semiprofs en/of amateurs spelen. Waar staat geschreven dat alle spelers in de eerste klasse profs moeten zijn ? Zulte Waregem en Roeselare hebben het goede voorbeeld gegeven."Késenne, die doceert aan de Universiteit Antwerpen, geeft toe dat als de meeste zogenaamde profclubs in België echt professioneel zouden trainen en werken, de semiprofessionele clubs het moeilijker zouden krijgen. "Maar de kloof tussen een club met een budget van 25 miljoen euro en eentje van 5 miljoen euro is groter dan de kloof tussen een club met 5 miljoen euro budget en een semiprofclub met 2 miljoen. In België bevinden de meeste clubs zich in die laatste vork. Zij kunnen dus best allemaal samenspelen in een afdeling van achttien clubs."Hij maakt een vlugge rekensom : neem 25 profspelers tegen een gemiddelde loonkost van 50.000 euro per jaar, samen is dat 1,25 miljoen euro. Neem een wage/turnover ratio (de verhouding loonlast-omzet) van 50 procent en je komt uit op een budget van 2,5 miljoen euro. Conclusie van Késenne : "Met een budget van minder dan 3 miljoen euro is een professionele club leefbaar in België. En zo zijn er meer dan achttien, dacht ik." Natuurlijk weet hij dat een gemiddeld jaarloon van 50.000 euro een zware onderschatting is van wat een profvoetballer hier vandaag in werkelijkheid verdient. Maar, zegt hij : "Vergelijk het even met jouw loon : jij bent toch ook een professional ?" Met andere woorden : dit cijfer zou alleszins beter in verhouding staan tot de ware kwaliteiten van de doorsneeprof in België. Késenne : "Onze clubs kweken luie, verveelde en overbetaalde voetballers. De enige verklaring voor hun financiële problemen is heel simpel : slecht en onbezonnen management."In die stelling kan zelfs Trudo Dejonghe zich vinden. Dejonghe is behalve sporteconoom ook geograaf en kijkt daardoor steeds door een dubbele bril naar de sport. Hij geldt als een voorstander van een kleiner kampioenschap. Volgens Késenne echter trekt hij foute economische conclusies uit een geografisch onderzoek. Dejonghe nuanceert zijn standpunt : "Voor mij was de afslanking enkel aan de orde in een ' als-dan'-scenario : als je alleen profvoetbal wil, dan moeten de budgetten omhoog en dan is onze markt te klein voor achttien clubs. Ondertussen hebben de meesten zich neergelegd bij een secundaire rol van België op het Europese toneel. Het totale budget van de Belgische eerste klasse bedraagt amper 146 miljoen euro, waarvan 34,65 miljoen van de tv-rechten komt. De inkomsten uit de ticketing blijven al jaren rond de 40 miljoen hangen en sponsoring is vaak moeilijk te vinden : kijk maar naar de namen van de vele, kleine sponsors bij de meeste clubs. Lierse verloor Krefima door het gokschandaal en compenseerde dat doordat het geen lonen meer moest betalen aan de door de club ontslagen Cliff Mardulier en Laurent Fassotte. Dan weet je over welke kleine bedragen het gaat. "Meer dan 50 procent van het totale budget zit bij de top vier en het extra tv-geld van het Belgacomcontract is in veel clubs gebruikt om financiële putten te dempen. Dan is het semiprofessionele statuut inderdaad aanlokkelijk, al denk ik dat je altijd een combinatie van profs en semiprofs zult hebben. Bovendien is semiprofessionalisme een goede manier om de sociale zekerheid van de spelers af te wentelen op de privésector en hen een betere bescherming tegen ziekte en werkloosheid te bieden."Dejonghe vergelijkt de Belgische situatie met die in Nederland. "De budgetten in België zijn zeer laag. In de Nederlandse eredivisie variëren ze tussen 6 en 55 miljoen euro. In België werken slechts vier clubs - vijf, als je er met wat goede wil ook AA Gent bij neemt - met meer dan 6 miljoen. In feite zijn onze budgetten in de meeste gevallen vergelijkbaar met die in de Nederlandse eerste divisie ( de tweede klasse in Nederland, nvdr). Sommige van de clubs daar zijn nu al semiprofessioneel. In onze Jupiler League gaat het ook die richting uit." En dan kom je inderdaad in de buurt van het theoretische loonmodel van Késenne. Dat zal niet zonder gevolgen blijven, waarschuwt Dejonghe. Hij acht het niet ondenkbaar dat Belgische voetballers dan de wijk nemen naar de Nederlandse eerste divisie of zelfs naar de Belgische derde klasse, waar nog steeds grote sommen in het zwart worden betaald. Omgekeerd, en dat kan als een voordeel worden gezien, zou het een halt kunnen toeroepen aan de toestroom van modale en zelfs ondermaatse buitenlanders. Die halen hun neus op voor zulke lonen en zullen wegblijven uit België. "Dus", besluit Dejonghe, "met semiprofessionalisme is niks mis en dan hoeft een reductie van het aantal clubs niet. Maar het betekent ook dat we ons tevreden zullen moeten stellen met ons eigen kleine kampioenschap. En dat de kwaliteit misschien verder zal dalen. Dat de publieke belangstelling dit seizoen nog meeviel, was voornamelijk te danken aan Standard en aan de vele verlieswedstrijden van de topclubs op verplaatsing. De supporters van de kleinere clubs zagen de winstkansen tegen een grote tegenstander stijgen en zakten daarom massaal af naar het stadion. Daarbovenop ondernamen verscheidene clubs tal van acties met het oog op klantenbinding, waarbij ze de mensen zo goed als gratis binnenlieten. Soms zelfs helemaal gratis."JAN HAUSPIE