Laat me maar meteen uit de kast komen: ik ben niet in Gent geboren. En ik ben er evenmin opgegroeid. Waar ik vandaan kom, doet er niet toe, maar een ding is zeker: uit Brugge is het in geen geval. Wat AA Gent betreft ben ik, wat je noemt, een bekeerling. En check er de andere, meer abstracte religies maar op na: bekeerlingen zijn altijd fanatieker dan ingewijden.
...

Laat me maar meteen uit de kast komen: ik ben niet in Gent geboren. En ik ben er evenmin opgegroeid. Waar ik vandaan kom, doet er niet toe, maar een ding is zeker: uit Brugge is het in geen geval. Wat AA Gent betreft ben ik, wat je noemt, een bekeerling. En check er de andere, meer abstracte religies maar op na: bekeerlingen zijn altijd fanatieker dan ingewijden. Mijn doop vond plaats in 1998, op mijn 23e, toen het Ottenstadion nog aan de voet lag van een schuldenberg zo hoog als die uit de Sinaï. En van Mozes - Simon of een andere - in geen hobbelvelden of Gentbrugse wegen sprake was. Het waren magere jaren waarin een gelijkspelletje in Harelbeke met manna en mirre werd gevierd, Sandy Martens als een afgod werd aanbeden en Ivan De Witte nog even klein was qua status als postuur. Een succesfan kun je mij dus bezwaarlijk noemen, en indertijd was er geen Buffalopluim op mijn hoofd dat eraan dacht voor een ploeg te supporteren die ooit kampioen kon worden. Wat telde, was dat ik, na jaren door de voetbalwoestijn te hebben gedoold, eindelijk mijn Beloofde Land gevonden had. Een club waar ik me thuis voelde, waar het motto 'Nie neute, nie pleuje' als een bevrijdende waarheid klonk. En bovendien was het de club met de mooiste naam - La Gantoise - en het mooiste embleem - de Buffalo-indiaan - die een voetbalfan met gevoel voor esthetiek kon wensen. Dat ik na zeventien jaar, talloze ups, downs en alles daartussenin nu de titel mag vieren, blijft dan ook een onwezenlijk verhaal. Zo onwezenlijk als die keer dat Jezus over water liep. Maar met dit verschil dat er tienduizenden getuigenissen van zijn - geschrevene, orale en andere. Nergens of nooit klonken de woorden 'het is volbracht' zo verlossend als op donderdag 21 mei in het jaar des heren 2015. Toen de kampioensbeker in de hoogte gehesen werd, de Gentse Feesten twee maanden vroeger dan normaal in alle hevigheid losbarstten en Brugge tot een middeleeuws relikwie gereduceerd werd, een doods oord waar Jan Breydel en Jan Ceulemans in een vergeeld verleden nog voor enig volksvermaak zorgden. Nu zijn er farizeeërs die zullen zeggen: "Eén titel is toch maar pover voor een club die al 115 jaar bestaat, en uit een stad komt met een veel groter potentieel dan Genk, Mechelen of Beveren." Maar dat maakt de triomf alleen maar mooier. Wie de hel van tweede klasse nooit heeft meegemaakt - La Gantoise zakte nog in 1988 - weet geeneens hoe de hemel eruit ziet. En voor wie enkel de smaak van de overwinning heeft geproefd, dreigt de indigestie. Vraag dat maar in Anderlecht. Nu de bevrijding door de Hei(n)land een feit is, ben ik daarom dankbaar dat ik eerst zeventien jaar in het voetbalvagevuur mocht vertoeven. Vijftien daarvan in het Ottenstadion. Twee in de Ghelamco Arena. Of beter: het Arteveldestadion, zoals onze tempel natuurlijk echt hoort te heten. Daar mocht ik de voorbije jaren getuige zijn hoe Yassine El Ghanassy zich voor de elvendertigste keer het niemandsland in had gedribbeld, mocht ik aanschouwen hoe Christophe Lepoint zich weer eens tevergeefs in het zweet zijner aanschijns had gewerkt, mocht ik Mircea Rednic ontmaskeren als de zoveelste valse profeet. Meermaals heb ik in zak en as gezeten, en de hemel gesmeekt: "Waarom hebt gij ons Buffalo's verlaten?" De vaders van dit succes zijn dan ook heus niet alleen Ivan De Witte en Michel Louwagie, de Statler en Waldorf van de Leie. Of Laurent Depoitre, Rami Gershon of Nana Asare, hoewel die de status van zalige mogen claimen. Het zijn de nederlagen en teleurstellingen, en de net of helemaal niet ingeloste ambities van de voorbije seizoenen die de devotie bij mij en tienduizenden andere Buffalovolgelingen alleen maar deden groeien als mosterdzaad. Want ook al stond AA Gent onderaan, dreigde play-off twee en had een onverlaat in een vlaag van wanhoop beslist om Habib Habibou in de spits te droppen, in ons binnenste wisten we: ooit krijgen we wat ons toekomt en werd beloofd, en zullen we het blauw-witte evangelie ook op de Europese velden van de Champions League kunnen verspreiden. In de naam van Renato, Matz en Hannes. Amen. DAVE MESTDACH IS JOURNALIST BIJ KNACK FOCUS. DOOR DAVE MESTDACH"Nu de bevrijding door de Hei(n)land een feit is, ben ik dankbaar dat ik eerst in het voetbalvagevuur mocht vertoeven." Dave Mestdach