Sclessin beleefde in de lente een pandemonium van vreugde als slechts zelden aanschouwd. De eerste landstitel in 25 jaar liet niemand onberoerd. Het feest maakte een eind aan een kwarteeuw van wanhoop en frustratie en stilde het obsessieve verlangen van La Cité Ardente, de Vurige Stede, naar eerherstel.
...

Sclessin beleefde in de lente een pandemonium van vreugde als slechts zelden aanschouwd. De eerste landstitel in 25 jaar liet niemand onberoerd. Het feest maakte een eind aan een kwarteeuw van wanhoop en frustratie en stilde het obsessieve verlangen van La Cité Ardente, de Vurige Stede, naar eerherstel. Als jonge snaak had ik een zwak voor Standard. Ik kende de club alleen via de kranten en dankzij wat onscherpe zwart-witbeelden, maar dat volstond om te weten dat deze club bol stond van de passie. Temperament en verbetenheid waren de hoofdtroeven van de formatie uit mijn jongste jaren met onder andere Nicolay, Thellin, Houf, Semmeling, Paeschen, Piters, Vliers en de Hongaar Sztani. Hun Standard vierde in 1958 zijn allereerste titel en deed dit in 1961 en 1963 nog eens over. Standard werd ook de eerste Belgische ploeg die internationaal naam maakte. In 1962 liet rood-wit zich pas in de halve finale van de Europese beker voor landskampioenen door het Real Madrid van Puskas en di Stefano opzijzetten. De Europese prestaties spraken pas echt tot de verbeelding en Standard groeide uit tot een magneet voor heel Wallonië en een groot stuk van Limburg. De Rouches stoomden een nieuwe, nog sterkere lichting klaar. Het nieuwe elftal leek gesmeed in de hoogovens van Ougrée en steunde op een ijzeren afweer met Piot, Beurlet, Jeck, Dewalque en Thissen. Zij kregen het gezelschap van de Ier Crossan en de Duitser Patzke en de puzzel viel helemaal in elkaar met de komst van Wilfried Van Moer. De Luikse voetbaltrots werd drie keer kampioen ('69, '70, '71) en ging in het seizoen 1969/70 met Van Moer winnen in het Estadio Bernabéu van Madrid (2-3). Rond die tijd kwam ik te weten dat niet de spelers maar ene Roger Petit de belangrijkste man van de club was. Petit verzamelde alle kwaliteiten die een grote voetballeider moet hebben. Hij kende als ex-aanvoerder van Standard en ex-international het voetbal door en door en was een gewiekste zakenman. In 1935 - hij was toen pas 23 - zette hij in het centrum van Luik een kledingzaak op die hij uitbouwde tot een textielbedrijfje. Op zijn 50ste verkocht hij alles om zich volledig aan Standard te wijden. Petit stopte tijdens de oorlog als voetballer en stapte meteen in het bestuur van de club. Langzaam maar zeker werd hij hoofdeigenaar en groeide uit tot de eerste professionele clubleider van het land. Roger Petit is een van de belangrijkste architecten van het Belgische profvoetbal. Standard was de eerste club van het land met een proftrainer en het duurde niet lang meer of ook de spelers stonden voltijds ter beschikking van de club. Hij was ook onze eerste clubleider die het belang van jeugdopleiding besefte. Monsieur Standard, zoals zijn bijnaam luidde, was zijn tijd behoorlijk vooruit. Hij had een universele kijk op het voetbal, dankzij het feit dat hij niet alleen Frans maar ook vloeiend Nederlands, Engels en Duits sprak. "Scheppen, ontwikkelen, handhaven en vooruitzien", zo omschreef hij zijn rol in het boekwerk naar aanleiding van het 75-jarig bestaan van de club. In 1967 kocht Petit voor een habbekrats een zandgroeve in Sart Tilman. De aannemers van de vlakbij gelegen universiteit van Luik betaalden om hun zand in de put te mogen storten en maakten de grond niet alleen bouwwaardig, maar brachten ook het geld binnen waarmee een oefen- en jeugdcomplex werd opgetrokken. Begin jaren 70 bouwde de sterke man van de Rouches Sclessin uit tot een voetbaltempel met 43.000 plaatsen, waarvan 30.000 overdekt. Het Stade Maurice Dufrasne was daarmee het modernste van het land. Mijn eerste bezoek aan de hel van Sclessin zal ik nooit vergeten. Wat een lawaai, wat een sfeer. Petit werd alom gerespecteerd, maar evenzeer gevreesd. Hij werd een tiran en een despoot genoemd. Bij mijn eerste interview met Petit was ik dan ook behoorlijk zenuwachtig en onder de indruk van deze autoritaire man. Zelfs de stoerste spelers keken absoluut niet uit naar een bezoek aan zijn kantoor en kwamen bijna altijd met lege handen buiten. Petit was dan ook berucht vanwege zijn spaarzaamheid. De sterke man van de Rouches had niet toevallig veel bewondering voor Nederlanders, onder andere vanwege hun durf. Op en naast het veld. Arie Haan noemde hij zijn beste transfer ooit. De overgang van de Winschotenaar van Anderlecht naar Luik was de laatste meesterzet van Roger Petit. Na acht titels, vier bekers en meer dan 100 Europese duels, waarvan twee halve finales en een finale, verloor hij van de ene dag op de andere zijn ijzeren greep op het rood-witte imperium. Roger Petit nam ontslag bij Standard en als ondervoorzitter van de Belgische bond en de UEFA na het uitlekken van de meest krankzinnige omkoopaffaire uit onze voetbalgeschiedenis. "Fête à Waterschei (feestje in Waterschei): 500.000 frank", stond opgetekend in zijn zwart notitieboekje, dat in handen van de belastinginspectie viel. Volgens Petit had Raymond Goethals hem dagenlang aan de mouw getrokken om de spelers een voorschot te geven voor een feestje met hun collega's van Waterschei. In werkelijkheid overhandigde Erik Gerets zijn winstpremie en die van zijn ploegmaats (420.000 frank) aan zijn vriend en Waterscheiaanvoerder Roland Jansen. Daarmee zou Standard zeker zijn van winst in de laatste match van het seizoen 1981/82 en een nieuwe landstitel op zak hebben. Petit moet een vlaag van verstandsverbijstering gehad hebben toen hij instemde met het gezaag van Goethals. De maniakaal bange Brusselse trainer was geobsedeerd door het winnen van een eerste landstitel en meende te weten hoe het er in het Astridpark aan toeging. Nottingham Forest kon er twee seizoenen later van meespreken. Wat Standard deed in 1982 kan niet door de beugel, ook al is deze praktijk (wie niet kan winnen laat zich betalen door de winnaar) in het wielrennen schering en inslag. Het meest dramatische voor de Rouches was dat de paranoia van Goethals volstrekt overbodig was. De Luikenaars hadden aan een punt voldoende om kampioen te worden, maar vreesden blessures in het vooruitzicht van de Europese bekerfinale vijf dagen later in Barcelona. Nog drie dagen later stond Waterschei echter in de eindstrijd van de Belgische beker. Ook zij hadden er alle belang bij om niet tot het uiterste te gaan en kwetsuren te vermijden. Erik Gerets werd op 28 februari 1984 door het gerecht opgepakt en onderzoeksrechter Bellemans bracht meteen de 'affaire' aan het licht. Na het vertrek van Petit bleef Standard verweesd achter. De man die altijd vooruitzag, had geen opvolger klaargestoomd. Ook al was hij al 72. De Rouches verloren bovendien op slag zeven internationals en begonnen aan een tocht door de woestijn die een kwarteeuw zou duren. De opvolgers van Petit wisten zich geen raad met de sportieve en financiële gevolgen van de omkoopaffaire en het spook van monsieur Standard dwaalde nog geruime tijd door de catacomben van Sclessin. Op 26 november 1984 liet voorzitter Charles Huriaux het nieuwe Standard officieel te water. Er werden verwoede pogingen gedaan om de verloren positie bij de Belgische top te heroveren, maar vooral verkeerde sportieve en beleidskeuzes gemaakt. Het transferbeleid was ronduit dramatisch en de toeschouwersaantallen liepen schrikbarend terug. Samen met de vlammen van de hoogovens doofde ook het vuur van Sclessin. En mijn sympathie voor deze onstuimige club. De club balanceerde op de rand van het faillissement en was zo goed als in staat van ontbinding. De meest fantasierijke uitwegen werden overwogen. Er werd gelonkt naar het opgebloeide Club Luik en er werden avances gemaakt bij Seraing. Bernard Tapie was de eerste wonderdokter die een kijkje kwam nemen en de Californische Joegoslaaf Milan Mandaric meende het echt, maar eiste alleenheerschappij op. Hij kreeg zijn 50 miljoen frank terug. De Luikenaars Jean Wauters en André Duchene zouden zelf de club van de ondergang redden. Standard versleet zes trainers in drie seizoenen en dankzij de mysterieuze Joodse miljonair Lesman werd opnieuw wild tekeergegaan op de transfermarkt. Frans van Rooy, André Cruz, Marc Wilmots, Stéphane Demol en Patrick Vervoort, het is slechts een greep uit de rij dure vogels die hun opwachting maakten op Sclessin. Bovendien stond er met Régis Genaux, Michael Goossens en Philippe Léonard een talentrijke jeugdlichting klaar. Na zes seizoenen zonder internationaal voetbal leidde Arie Haan, nu als trainer, de Rouches in het seizoen 1992/93 naar de tweede plaats en opnieuw Europa in. De opleving was van korte duur, maar twee seizoenen later leek Robert Waseige geruime tijd op weg naar de eerste titel sinds de omkoopaffaire. Standard ging echter op Anderlecht onderuit en moest opnieuw vrede nemen met de tweede plaats. Het bleek een schaarse uitschieter, want de Luikse club verdwaalde spoedig weer in de subtop. Hoofdschuddend zag ik de trainers komen en gaan, maar zelfs Europees voetbal zat er niet meer in. De bouw van het nieuwe stadion werd aangevat en André Duchene volgde de in opspraak gebrachte Jean Wauters als voorzitter op. De grote verandering was echter de komst van Robert Louis-Dreyfus, op dat moment grote baas van Adidas en voorzitter van Marseille, die zo'n 25 miljoen euro in de zieltogende club pompte. Standard werd voor de buitenwereld een onbegrijpelijke club. Het had een Franse eigenaar, een Zwitserse hotelier als voorzitter en werd gerund door een Italo-Belg met een makelaarslicentie. De capriolen van capo di tutti capiLuciano D'Onofrio waren onnavolgbaar en leken alles behalve ingegeven door puur sportieve redenen. Standard kreeg willens nillens een maffioos geurtje. Een gouden zet was het binnenhalen van publiekslieveling Michel Preud'homme. Zijn eerste beurt als trainer was nog geen succes, maar de tweede keer was wel raak. De sleutel voor dat succes was de jeugd. De Académie Robert Louis-Dreyfus, zoals Sart Tilman tegenwoordig heet, is uitgegroeid tot de levensader van de club. Marouane Fellaini, Axel Witsel en de van Racing Genk overgenomen Steven Defour voetbalden vorig seizoen op een wolk die werd voortgestuwd door de uitbundige aanhang. De conclusie kon alleen zijn dat Standard wat jeugd betreft een modelbeleid voert. Luciano D'Onofrio als de nieuwe Petit: de cirkel lijkt rond. Het is echter een raadsel of het wonder van Sclessin bewust of toevallig is gebeurd. Anderhalf jaar geleden leek de club immers nog steeds alle heil te verwachten van routiniers als Rapaic en Conceição. De manier waarop volksheld Preud'homme mocht (moest) vertrekken, kon dan weer uit een lesboek van Petit komen. De moraal van dit verhaal is echter dat grote clubs niet kapot te krijgen zijn. De eeuwige mythe van Sclessin zal nooit verdampen. Sdoor françois colin