Het was behoorlijk schrikken toen men in Israël in januari de promotievideo zag die de Aziatische voetbalfederatie de wereld instuurde voor het Aziatische landenkampioenschap dat in januari in Australië plaatshad. Het drie minuten durende filmpje gaf de geschiedenis van het evenement aan, van de eerste jaargang in 1956 tot de vorige editie in 2011. Alleen over de uitgave van 1964 werd met geen woord gerept, alsof die niet had plaatsgevonden. Dat toernooi ging namelijk door in Israël, en werd ook nog eens gewonnen door het thuisland.
...

Het was behoorlijk schrikken toen men in Israël in januari de promotievideo zag die de Aziatische voetbalfederatie de wereld instuurde voor het Aziatische landenkampioenschap dat in januari in Australië plaatshad. Het drie minuten durende filmpje gaf de geschiedenis van het evenement aan, van de eerste jaargang in 1956 tot de vorige editie in 2011. Alleen over de uitgave van 1964 werd met geen woord gerept, alsof die niet had plaatsgevonden. Dat toernooi ging namelijk door in Israël, en werd ook nog eens gewonnen door het thuisland. In die tijd maakte Israël gewoon deel uit van de Aziatische voetbalfederatie. Via de kwalificatiewedstrijden in Azië plaatste het zich ook voor de eindronde van het WK 1970 in Mexico, waar het verdienstelijk gelijkspeelde tegen Zweden en Italië. Het zou de enige WK-deelname worden van Israël. In 1974 werd het uit de Aziatische federatie gestoten, op vraag van Koeweit, nadat Koeweit en Noord-Korea geweigerd hadden tegen Israël uit te komen, een gevolg van de Israëlisch-Arabische oorlogen. Eerst kreeg het land voetbalasiel in Oceanië, tot het in 1994, twintig jaar na de gedwongen exit in Azië aanvaard werd als lid van de UEFA. Het was de eerste keer dat een land de overgang maakte van het ene continent naar het andere, tot Kazachstan aan het begin van dit millennium hetzelfde deed. Door het contact met Europese tegenstanders in de landenwedstrijden en de Europabeker kregen de spelers meer kans om naar Europese clubs over te stappen. Aanvankelijk was dat niet zo'n succes bij de Israëlische topvoetballers, die vaak geplaagd werden door heimwee en kozen voor het snelle geldgewin en de status in eigen land. "Het nadeel is dat de meeste internationals in Europa weinig kansen kregen. Ze zijn tweede keus in hun club", zuchtte toenmalig bondscoach Schlomo Sharf in 1999. "Ze vinden van zichzelf dat ze sterren zijn. Ze verdienen geld als prof, maar gedragen zich niet als profs." Vijftien jaar later is de situatie stilaan anders. In het team dat op 16 november Bosnië bekampte, zaten zeven internationals in de kern die in België voetballen (Lior Refaelov, Rami Gershon) of ooit gespeeld hebben (Tal Bin Haim, Dudu Biton en Maor Buzaglo bij Standard, Elyaniv Barda bij Genk en Gil Vermouth bij Gent). Het was de eerste interland die Israël opnieuw in eigen land afwerkte, na het conflict in de Gazastrook. In Haifa zongen de 30.800 toeschouwers uit volle borst het Israelische volkslied mee. Minder enthousiast om dat volkslied mee te zingen zijn de Israëlische internationals van Arabische afkomst, die de afgelopen jaren steeds talrijker opduiken in de Premier League én in de nationale ploeg. Ze treden er in de voetsporen van Walid Badir,die tussen 1997 en 2007 liefst 74 keer voor het nationale team uitkwam. Dat is maar twintig interlands minder dan zijn generatiegenoot en Israëlische recordhouder Arik Benado. Vandaag zijn bij de U21 liefst vijf jeugdinternationals Arabieren. In het A-team dat België ontvangt, is Moanes Dabour de held van de Arabische Israëli's. De 22-jarige spits ruilde vorig jaar Maccabi Haifa voor het Zwitserse Grasshoppers Zürich en is daar een van de uitblinkers. De vraag of hij het nationale volkslied moet meezingen, is een lastige opgave voor Dabour. Zingt hij mee, dan wijst heel de Arabische wereld hem met de vinger. Zwijgt hij, dan beschouwen de Joodse Israëli's hem als ondankbaar. De laatste jaren groeit het aantal Arabische Israëliërs in de Premier League, zoals de Israëlische profcompetitie sinds 1999 heet. In 2004 won Bnei Sachnin als eerste Arabische club een prijs, de Israëlische beker. Het team was een jaar eerder voor het eerst gepromoveerd naar de Premier League, als tweede Arabische club ooit, na Hapoel Tayibe dat het in 1966 welgeteld één seizoen uithield aan de top en in 2003 de boeken neerlegde in vijfde klasse. Nazareth dat als derde Arabische club promoveerde, zit intussen alweer in tweede klasse. Dus wordt de eer van de 1,5 miljoen Arabieren in Israël (op een totaal van acht miljoen inwoners) verdedigd door de club uit het stadje met 25.000 inwoners uit het noorden van Galilea. Het winnende team van 2004 had een Joodse trainer, drie Joodse spelers en Joodse fans. Kapitein Abbas Suan kwam tussen 2004 en 2006 als Arabische Israëliër twaalf keer voor de nationale ploeg uit. Afgelopen seizoen eindigde Bnei Sachnin als zesde in play-off 1 waar net als in België de zes best gerangschikte ploegen strijden om de titel. In 2006 kreeg de club, die in eigen land moeite had om sponsors te vinden, een donatie van zes miljoen dollar voor een nieuw stadion vanuit Qatar. In juli 2014 maakte Qatar aan Bnei nog eens 2,5 miljoen euro over, goed voor de helft van het jaarbudget. Het probleem? De schenker, Azmi Bishara, ontvluchtte Israël in 2007 omdat hij samengewerkt had met Hezbollah in Libanon. Toen in december 2013 tijdens de hard bevochten match tegen Beitar een paar Sachninfans met Palestijnse vlaggen zwaaiden, en Beitarfans een koran in brand staken, vroeg een parlementslid in de Knesset - het Israëlische parlement - om de club uit competitie te nemen vanwege die Palestijnse vlaggen: was dat niet ongehoord voor een club die mee proeft van Israëlisch geld? De laatste jaren heeft Bnei Sachnin géén Joodse spelers meer en neemt bij de aanhang de frustratie toe, een gevolg van de verdere polarisatie na het recente Gazaconflict. Op die manier raken in Israël sport en politiek nooit helemaal gescheiden. Dat bleek nog uit wat Eli Ohana onlangs overkwam. Ohana, die in 1988 de Europabaker won met KV Mechelen, was in januari door de leider van de conservatief rechtse Jewish Homepartij gevraagd om een prominente plaats in te nemen op de lijst voor de verkiezingen die vorige week plaatsvonden. Als zoon van Sefardische Joden die in de jaren zeventig uit Marokko gevlucht waren, ontwikkelde hij zich tot een van de absolute Israëlische topspelers bij Beitar Jeruzalem, waar hij debuteerde en opnieuw aan de slag ging na zijn terugkeer uit Europa, eerst als speler, dan als trainer. Beitar staat voor ultraconservatief en extreem rechts. De harde supporterskern 'La Famiglia' kwam twee jaar geleden nog in het nieuws toen de fans zich hevig verzetten tegen de aanwerving van twee moslimvoetballers uit Tsjetsjenië. De aanduiding van Ohana op een bevoorrechte plaats op de lijst lokte een storm van negatieve reacties uit bij de partijaanhang. Niet alleen was Ohana een profvoetballer, lid van een categorie beroepsmensen die op zaterdag 'werkt' terwijl diepgelovige Joden vinden dat op de heilige sabbat niet gewerkt mag worden, bovendien was hij ook nog eens niet-praktiserend en had hij ooit verklaard dat hij kon leven met de terugtrekking van Israël en de Joodse kolonisten uit Gaza. Als gevolg van de commotie trok Ohana, die op dit moment ook nationaal trainer is van de U19, zich uit de race terug. DOOR GEERT FOUTRÉVandaag zijn bij de U21 liefst vijf jeugdinternationals Arabieren.