Op het kerkhof Hernalsen, in het zeventiende district van Wenen, heeft Ernst Happel zijn laatste rustplaats gevonden. De haast gewijde stilte wordt er alleen verstoord door het geluid van zwarte kraaien. Ernst Happel junior, de zoon van de memorabele trainer, verwijlt geregeld op deze plaats. Uit respect voor zijn tien en een half jaar geleden overleden vader. Wezenloos staart hij dan naar het stijlvolle, grijswit gespikkelde marmergraf. En vandaag nog constateert hij dat zijn vader niet vergeten is. "Er liggen altijd veel bloemstukken, van mensen uit België, Nederland en Duitsland", zegt hij. "Of je vindt een kaartje waarop gewoon staat : Bedankt Ernst. Dat wil me telkens weer ontroeren."
...

Op het kerkhof Hernalsen, in het zeventiende district van Wenen, heeft Ernst Happel zijn laatste rustplaats gevonden. De haast gewijde stilte wordt er alleen verstoord door het geluid van zwarte kraaien. Ernst Happel junior, de zoon van de memorabele trainer, verwijlt geregeld op deze plaats. Uit respect voor zijn tien en een half jaar geleden overleden vader. Wezenloos staart hij dan naar het stijlvolle, grijswit gespikkelde marmergraf. En vandaag nog constateert hij dat zijn vader niet vergeten is. "Er liggen altijd veel bloemstukken, van mensen uit België, Nederland en Duitsland", zegt hij. "Of je vindt een kaartje waarop gewoon staat : Bedankt Ernst. Dat wil me telkens weer ontroeren." Geen trainer die zo in titels grossierde als de op 14 november 1992 overleden Ernst Happel. Hij pakte er in totaal zeventien. Geen trainer ook die naar buitenuit zo'n verpletterende indruk liet als deze nors ogende Wiener. Happel was raadselachtig en onvoorspelbaar, genadeloos en ondoordringbaar, cynisch en hard, niemand die erin slaagde zijn horkerige pantser te doorbreken. Ook bij Club Brugge niet waar Happel tussen november 1973 en november 1978 vijf jaar werkte, drie titels en één beker won en twee keer de finale van de Europacup speelde. Waaronder op 10 mei 1978 toen Club op de heilige grasmat van het Londense Wembleystadion als eerste en tot dusver enige Belgische vereniging de finale van de Europacup voor Landskampioenen haalde, de voorloper van de Champions League. Blauw-zwart verloor met 1-0 van Liverpool. Happel onderging het onbewogen. Hij beleefde zowel momenten van triomf als tragedie op dezelfde roerloze manier.Niemand die de legendarische trainer beter kende als zijn (enige) zoon. Ernst Happel junior (49) bestiert in het centrum van Wenen, in de schaduw van de vermaarde Stephanskirche, samen met vier andere vennoten een reisbureau. Hij wist dat er achter de pokerface van zijn vader een sensibel man schuilde en verbaasde zich geregeld over diens dualiteit. "Ik herinner me dat ik hem samen met mijn vrouw en mijn twee kinderen ooit eens ging afhalen in de luchthaven van Wenen, net voor hij trainer van FC Tirol zou worden", zegt hij. "We mochten de transitzone binnen en toen hij ons zag , loog hij zijn kleinkinderen om de hals. Die knuffelden hem, hij genoot ongelooflijk, zijn gezicht straalde van geluk. Maar toen we dan het luchthavengebouw binnenkwamen stonden daar een dertigtal journalisten, fotografen en cameramensen. Onmiddellijk veranderde zijn gezicht in een donderwolk. Het was echt grotesk.". Ernst Happel junior lijkt op zijn vader : dezelfde haartooi, dezelfde ogen, een haast identiek gezicht. Maar de nog steeds uitstekend Nederlands sprekende zoon is wel de toegankelijkheid in persoon. Het is een gevolg van zijn opvoeding. "Mijn vader was thuis heel zacht. Ik had absoluut geen schrik van hem, ik aanzag hem eerder als een vriend. Als ik iets mispeuterde, kon ik altijd bij hem terecht. Hij zorgde voor een oplossing, maar hield me wel voor dat het geen tweede keer mocht gebeuren. Uit de manier waarop hij dat zei, bleek dat hij dit niet zou tolereren. Je keek dus wel uit. Hij had ook lak aan regels. Toen hij trainer van ADO Den Haag was, ging ik in Scheveningen naar een Duitse school. Met de fiets, tegen de felle wind in. Op mijn vijftiende wilde ik een bromfiets. Dat kon, op voorwaarde dat ik die bromfiets zelf aanschafte. Ik kocht er één van Lex Schoenmaker die bij Den Haag voetbalde. Ik mocht eigenlijk niet met die bromfiets rijden omdat ik nog geen zestien was. Mijn moeder protesteerde, maar dat wuifde vader resoluut weg. Op mijn zeventiende zette ik eens zijn nagelnieuwe auto in de garage, hij vond dat prima, hij had vertrouwen. Ook al ging mijn moeder daarmee niet akkoord. Maar hij zei : Waar maak je je druk over ? Die auto staat toch keurig in de garage. Vooral één zaak heb ik van hem geleerd : dat je in het leven recht op je doel moet afgaan en geen compromissen mag maken." Zo werkte Ernst Happel ook. "Overal waar hij als trainer kwam, wilde hij op sportief vlak de baas zijn, hij duldde geen inmenging, ook niet in transfers", zegt Ernst Happel junior. Hij ervoer dat die bemoeizucht ver ging. "Ik maakte bij een club mee dat hij de manager vroeg een bus te bestellen om naar een vriendschappelijke wedstrijd te vertrekken. Die bus moest er om half twaalf zijn. Wat later kwam de manager hem zeggen dat de bus een heel stuk goedkoper zou uitvallen als het vertrek naar twaalf uur kon worden verschoven. Toen gooide vader er die manager onmiddellijk uit."Ernst Happel zag ook hoe zijn vader de spelers op zijn commando liet dansen, discipline en stiptheid waren zijn gevleugelde woorden. Hij graaft in zijn herinneringen en diept een typerende anekdote op. "De eerste training die mijn vader aan ADO Den Haag gaf, moest om vier uur beginnen. Om kwart over vier druppelden de eerste spelers binnen, om half vijf waren ze er allemaal. Dat beviel hem niet, maar hij zei niets. De spelers wilden toen liever niet buiten trainen omdat het regende, maar daar wilde vader niet van weten. Hij liet de groep wat rondjes lopen. Dat gebeurde heel relax, er werd gelachen, gedold en gefloten. Toen legde hij de training stil. Hij vroeg de terreinknecht om een flesje cola te halen. Dat plaatste hij boven op de deklat. Vanop dertig meter legde hij de bal neer en kegelde dat flesje omver. De spelers stonden met open mond te kijken. Toen zei hij : Nu zijn jullie aan de beurt, de eerste speler die dat ook kan, die mag op training lachen en zingen, de anderen houden vanaf nu hun bek. Vervolgens plaatste hij dat flesje weer op de deklat en vroeg de spelers om ook vanop dertig meter te schieten. Niet één van hen durfde het te proberen. Vervolgens hervatte hij de trainingen. Er was niemand die je nog hoorde. Zo is dat dan ook gebleven. Zeven jaar lang." Met die ingesteldheid trok Happel later ook naar Feyenoord waarmee hij in 1970 de Europacup voor Landskampioenen won, zijn allereerste grote triomf. "Ik heb verscheidene trainingen van Feyenoord gezien. Het viel me telkens op hoe hard hij de vedetten kon aanpakken. Maar in wezen was dat een teken van respect. Het betekende dat hij iets in je zag. Vooral Willem van Hanegem moest het vaak ontgelden. Die had met mijn vader een soort haat-liefdeverhouding. Feyenoord geeft nu nog ieder jaar een reünie voor zijn oud-spelers en oud-trainers. Ik word daar telkens op uitgenodigd. En ik moet zeggen : ik ga er graag naartoe, ik mis die samenkomst nooit. Als je hoort hoe er daar nog steeds over hem wordt gepraat, dan ben je trots. Ik vind het opmerkelijk dat Feyenoord zo'n initiatief neemt. In Brugge doen ze dat niet. En in Hamburg, waar vader toch zes jaar werkte, ook niet." Ernst Happel junior toefde alweer in Oostenrijk toen zijn vader bij Club Brugge aan de slag ging. Maar hij zag vele wedstrijden en kent de verhalen. "Op de allereerste training vroeg hij aan Johnny Thio en Pierre Carteus hoe ze zich voelden. Ze bleken wat pijn te hebben. Dat was voor hem geen probleem : dan speelden ze de daaropvolgende wedstrijd niet. Hij stelde twee jongeren op en Club won in Diest met 0-2. Hij doorzag heel snel of je komedie speelde of niet. En hij duldde geen egoïstische trekjes, steeds weer werden de individuele belangen ondergeschikt gemaakt aan de collectieve waarden. Ik herinner me dat er bij Club Brugge ooit een paar spelers waren die voor het begin van een trainingskamp naar het bestuur stapten om wat te praten over financiële onenigheden, net voor het vertrek. Toen ze terugkwamen, was de bus al vertrokken en mochten ze veertien dagen met de invallers trainen. Geen millimeter week hij van zijn principes af. Toen hij bij FC Tirol zat, kwam de absolute vedette van de ploeg eens vijf minuten te laat. Ook nu was de bus al weg. Die gast belde mijn vader op om te vragen of er niet even op hem kon gewacht worden. Maar vader zei : Ga jij maar rustig naar huis." Ernst Happel gaf altijd de indruk uit de losse pols te coachen en puur te drijven op intuïtie. Maar zijn zoon weet wel beter. "Hij zat thuis vaak gebogen over boeken, hij schreef heel veel oefeningen op. En hij ging ook wel eens kijken naar trainingen van collega's, zeker tijdens zijn eerste jaren in het buitenland. Hij verbaasde er zich over dat hij die altijd hetzelfde zag doen. Volgens hem moest een training altijd afwisselend zijn, anders kon je de groep volgens hem niet boeien. Als hij kwam trainen, had hij nooit een papiertje bij. Alles zat in zijn hoofd opgeslagen. Tegenwoordig zie je trainers tijdens een wedstrijd heel veel opschrijven. Mijn vader schreef nooit iets op. Maar hij wist achteraf wel heel gedetailleerd te vertellen wat er in welke minuut was gebeurd." Ook een drang naar vernieuwing kenmerkte de succescoach. "Hij wilde altijd iets nieuws scheppen, hij had een hekel aan standaarddingen. Bij Hamburg speelde hij als allereerste pressing, alleen hij heeft dat geïntroduceerd. Nu spelen alle ploegen zo. Of tenminste : ze proberen het. Bij Club Brugge was hij de eerste die de buitenspelval als offensief wapen aanwendde. Hij gebruikte dat niet om de tegenstander af te stoppen, maar wel om de tegenstander vast te zetten. Dat was toen heel revolutionair. Hij was één van de eerste trainers die begreep dat het gevaar van achteruit moest komen."Ook een grenzeloos vertrouwen in een aantal spelers kenmerkte Ernst Happel. " Ulrik Le Fèvre was zo iemand waarmee hij hoog opliep. Die zei eens tegen mijn vader : Ik weet in Denemarken een goeie keeper zitten. Toen gaf mijn vader het bestuur de opdracht om die doelman meteen te gaan kopen. Hij hoefde hem niet eens te gaan bekijken, hij vaarde gewoon blind op de mening van Le Fèvre. Die doelman was dus Birger Jensen. Een andere keer liet hij tijdens een trainingskamp in Duitsland een Oostenrijkse centrale verdediger komen omdat hij wat hiaten in de verdediging constateerde. Toen hoor je : wat kan een Oostenrijker ons nu leren ? Nou, dat hebben ze snel geweten. Want Eddy Krieger ontpopte zich meteen tot een kanjer." Ernst Happel junior beleefde de memorabele Europese wedstrijden van nabij. Hij herinnert zich de finale van de Uefacup in 1976, de dubbele confrontatie met Liverpool. "Vooral de heenwedstrijd op Liverpool was schitterend, Club stond binnen het halfuur met 0-2 voor, met doelpunten van Raoul Lambert en Julien Cools. Ik denk dat het nog nooit zo stil geweest is op Anfield Road als toen. Liverpool stond aan de grond genageld en Roger Van Gool kreeg nog verschillende kansen. Uiteindelijk zette Liverpool de situatie in vier minuten recht, de derde goal was een strafschop van Kevin Keegan die op zijn zachtst gezegd betwistbaar was. Maar een 3-2-nederlaag bleek nog een redelijke uitgangspositie voor de terugmatch. Maar die eindigde op 1-1, nadat Club heel vroeg op voorsprong was gekomen. De ontgoocheling was achteraf enorm." Ook de memorabele tiende mei 1978 staat nog op het netvlies van Ernst Happel junior gebrand. "Mijn vader hield van gokken. Hij bezocht al eens een casino, maar gokte vooral graag op het veld. Zijn misschien wel sterkste staaltje was de manier waarop hij die finale van de Europacup voor Landskampioenen bereikte : thuis tegen Juventus Turijn speelde hij in de terugwedstrijd met vier aanvallers nadat hij heenmatch met 1-0 was verloren. Club won met 2-0. De grootste kracht van mijn vader was zijn tactisch inzicht. Hij zag in twee minuten waar andere trainers een uur voor nodig hadden. Toch kon Club de finale tegen Liverpool niet winnen. Omdat het met nogal wat invallers speelde. Ik herinner me nog heel goed dat Bob Paisley, de manager van Liverpool, achteraf op de persconferentie de enorme homogeniteit van Club prees." Persconferenties waren anderzijds niet de favoriete bezigheid van Ernst Happel, weet ook zijn zoon. "Vooral in Duitsland had hij een heel slechte relatie met dat revolverblad, Bild Zeiting. De eerste keer dat er over hem smerige dingen werden geschreven, flikkerde hij die journalisten er gewoon uit. Nadat hij een jaar bij Hamburg zat, verscheen hij zelfs na de wedstrijden niet meer op de persconferenties. Hij was de eerste trainer in de Bundesliga die dat deed. Dat revolverblad is hem blijven achtervolgen. Toen vader in een kliniek in Innsbrück stierf, had een journalist van dat revolverblad een verpleegster omgekocht om hem dat nieuws meteen te melden. Ze wisten het in Duitsland voor de Oostenrijkse voetbalbond was ingelicht.". Ernst Happel junior kijkt vooral graag terug op de Nederlandse periode. "Ik zou onmiddellijk weer in Holland kunnen gaan wonen. Maar misschien romantiseer ik die tijd ook een beetje omdat ik daar mijn jeugd sleet. Ik vond het bijvoorbeeld heerlijk om op de radio naar die piratenzenders te luisteren, naar de Beatles en Rolling Stones terwijl ze in Oostenrijk nog volksmuziek speelden. Maar ik ga nog een keer of acht per jaar naar Nederland. Privé. En dan pik ik een wedstrijd van Feyenoord mee. In de buurt van het stadion is er trouwens een Ernst Happelstraat. Vader was ook graag in Nederland. Maar ook in België. Hij is nog een paar maanden bij Harelbeke geweest, hij had een uitstekende relatie met Pierre Lano, de toenmalige voorzitter. Die had een tapijtenfabriek. Daar heeft vader nog reclame voor gemaakt. Voor de eerste en enige keer in zijn leven. Hij deed het gratis, uit respect voor Lano." Nooit was het contact tussen Ernst Happel junior en zijn vader zo innig als de afgelopen jaren toen de succesrijke trainer na een lange omzwerving weer in Oostenrijk neerstreek. Na een periode bij FC Tirol nam hij toen de Oostenrijkse nationale ploeg onder zijn hoede. De ziekte had toen al toegeslagen, de groeven in het gelaat waren dieper dan anders. Hij woonde en werkte weer in Wenen, de Europese hoofdstad van kunst en opera, van Mozart en Schubert, waarmee hij een bizarre relatie had. Veel liever dan zich te verdiepen in de muzikale rijkdom van dit cultureel erfgoed legde hij een kaartje in zijn stamcafé, met de vrienden van weleer. "De laatste jaren waren moeilijk, hij was getekend door zijn ziekte. Alleen heb ik daar niet één keer met hem kunnen over praten. Hij wilde dat niet, het interesseerde hem niet. Voor hem was er niets aan de hand. Ook niet toen hij fel vermagerde en een pet droeg en fysiek was gesloopt, bleef hij psychisch onaangeslagen. Hij verdrong dat ziektebeeld. Hij praatte alleen over zijn werk, over de Oostenrijkse nationale ploeg, over de kwalificatie die moest afgedwongen worden voor het WK in Amerika. Voetbal was zijn leven, het was meer dan een obsessie. Vader zou vandaag zevenenzeventig zijn geweest. Zonder zijn ziekte had hij nu nog altijd op de bank gezeten."door Jacques Sys'Hij gaf de indruk uit de losse pols te werken, maar in feite bereidde hij thuis alles heel goed voor.''Vooral één zaak heb ik van mijn vader geleerd : dat je in het leven geen compromissen mag maken.''Hij was de eerste trainer die begreep dat het gevaar van achteruit moest komen.'