De goals vallen als kaakslagen. De tandem Haris Seferovic en Xherdan Shaqiri jaagt de Rode Duivels het schaamrood op de wangen. Op een relatief anonieme Nations League-avond midden in de herfst slikt het België van Roberto Martínez niet alleen goals maar ook een desillusie. Thibaut Courtois, goed voor 35 clean sheets in 69 interlands met de Duivels, lijkt zijn ogen niet te kunnen geloven. De lange armen van de doelman zwaaien geërgerd de lucht in om de defensieve onmacht aan te tonen van een ploeg die op de dool is. Op de grasmat van Luzern wordt die uitgeteld door een enthousiast publiek en een tegenstander die alles of niks speelt, nadat hij in het begin van de match voor het blok werd gezet door twee goals van Thorgan Hazard. België krijgt er daarna nog vijf binnen.

In vergelijking met de kwalificaties voor het WK 2018 hebben de mannen van Roberto Martínez hun spel minder direct gemaakt.

Op de linkerflank die water maakt, is er zelfs geen Yannick Carrasco om de zwartepiet toe te schuiven. Met Dedryck Boyata die rugdekking verleent aan Nacer Chadli hebben de Rode Duivels geen antwoord op de infiltraties van Shaqiri. Daardoor moet Axel Witsel ter hulp komen en zijn positie voor de verdediging verlaten. En daar bevindt zich net een Seferovic die de goals aan elkaar rijgt. Het is een gepeperde rekening. De laatste doelman van de nationale ploeg die zich in negentig minuten tijd vijf keer heeft moeten omdraaien, was Jean-François Gillet, als onmachtige getuige van een demonstratie van de latere wereldkampioen Spanje in Galicië (5-0). Dat was in 2009, in een tijdperk waarvan men hoopte dat het voorgoed voorbij was.

Roberto Martínez zoekt die avond naar woorden. En naar een verklaring. 'We waren niet in staat om te communiceren, om samen op een volwassen manier te verdedigen. Dat was opvallend', aldus de bondscoach. De toekomst en een rustig parcours naar het EK hangen dus af van een versteviging van de basis. Een jaar en zes wedstrijden later lijkt de boodschap overgekomen te zijn: op hun weg naar het Europees kampioenschap hebben de Rode Duivels slechts één goal geïncasseerd in 540 minuten. Een geschenkje van Thibaut Courtois, op dat moment in volle Madrileense crisis, die de Russische aanvallers een doelpunt op een schoteltje aanbood.

Is België veranderd? Hetgeen men kan onthouden is natuurlijk ook dat de tegenstanders slechts sparringpartners waren, die zelfs niet in dezelfde categorie boksen als de Duivels. Dan gaat men wel voorbij aan Rusland, recent nog kwartfinalist op het WK in eigen land, waar het Spanje ten val bracht en slechts op de valreep na een spannende wedstrijd sneuvelde tegen de latere finalist Kroatië. Maar op weg naar het EK lijken de punten en de goals niettemin talrijker dan de lessen.

Verdedigend winnen

Toch dit: België stond in zijn eerste zes kwalificatiewedstrijden twaalf gekadreerde schoten toe aan zijn tegenstanders, dus gemiddeld één per speelhelft. Zo werden de rangen weer gesloten na de negen gekadreerde schoten die werden weggegeven aan de Zwitsers tijdens die overstroming in Luzern. In zes wedstrijden gaven de Rode Duivels minder kansen weg dan in de negentig minuten tegen het Brazilië van Neymar in de kwartfinale van het voorbije WK. Courtois heeft zich zelfs niet bovenmatig hoeven in te spannen om vijf clean sheets toe te voegen aan zijn indrukwekkende verzameling. Hij werd dan ook beschermd door een over het algemeen geruststellende verdediging, zelfs wanneer Axel Witsel of Vincent Kompany op het appel ontbraken.

Is dat nu echt een nieuwigheid? Is dat echt het gevolg van de defensieve wensen van de bondscoach, die doorgaans toch minder bezig is met wat er in het eigen strafschopgebied gebeurt dan met de beste manier om dat van de tegenstander aan te vallen? Zijn uitspraken zouden dat doen vermoeden, want in de kolommen van La Dernière Heure bevestigde hij: 'België moet Spanje, Duitsland of Frankrijk kunnen kloppen zonder de bal te hebben. Nu zijn wij een ploeg die altijd de bal wil. We moeten ook op een andere manier kunnen winnen.'

In Schotland lieten de Rode Duivels de bal aan hun tegenstanders in het eerste kwartier van de match (56 procent balbezit voor de Britten), om beter te kunnen toeslaan in de rug van de verdediging. Maar ook op weg naar het WK in Rusland hadden de Belgen hun capaciteit om weinig kansen weg te geven al dik in de verf gezet. Na zes matchen hadden ze toen amper acht gekadreerde schoten toegestaan aan hun tegenstanders. Dat cijfer is dus nog indrukwekkender dan de twaalf van nu. Nochtans is België ook hiermee de Europese natie die de minste opgelegde kansen weggeeft, namelijk 0,46 expected goals per match (waarbij een expected goal overeenkomt met een duidelijke doelrijpe kans).

Roberto Martinez overlegt met Eden Hazard en Axel Witsel., BELGAIMAGE
Roberto Martinez overlegt met Eden Hazard en Axel Witsel. © BELGAIMAGE

De bal en de ruimte

Als de Belgen meer dan ooit de bal hebben (een gemiddelde boven de 700 passes per wedstrijd sinds het begin van de EK-kwalificaties), dan komt dat vooral doordat de tegenstanders hen de bal laten hebben. De meest memorabele goals van deze generatie zijn dan wel counterdoelpunten - van Kroatië zes jaar geleden, via Japan tot de recente openingsgoal in Schotland - de Duivels leren zich meer en meer van de bal te bedienen om te verdedigen.

In vergelijking met de kwalificaties voor het WK 2018 hebben de mannen van Roberto Martínez hun spel minder direct gemaakt. Hun balbezit duurt nu gemiddeld 6,96 passes, tegenover 5,88 op weg naar het WK. En ze schieten gemiddeld om de 36 passes naar de goal, terwijl ze dat twee jaar tevoren om de 31 passes deden. De kwaliteit van de doelkansen is er nochtans op vooruitgegaan. Het komt alleen doordat het nationale realisme weer normale proporties heeft aangenomen (eind 2016 hadden de Duivels een onbeschaamde succesratio tegen Estland, dat acht goals slikte) en de wedstrijd in San Marino de minst efficiënte was van deze campagne, dat de offensieve cijfers niet even indrukwekkend zijn als twee jaar geleden.

Aan de bal ontwikkelt België zich nog meer op de linkerflank. Die wordt nochtans steeds vaker verlaten door Eden Hazard, die meer en meer acties in het centrum maakt. Omdat hij zijn tegenstanders in zijn kielzog meetrekt, maakt de aanvoerder van de Rode Duivels de vleugel vrij voor Jan Vertonghen, die het spel kan doen vooruitgaan door zijn passes (hij is in de kwalificaties de beste speler wat betreft passes die zijn ploeg laten opschuiven op het veld) en voor Thorgan Hazard, die hetzelfde doet met zijn rushes met de bal aan de voet. En dat allemaal zonder te veel kansen weg te geven over die linkerflank, die historisch gezien het zwakke punt is van deze generatie. Het lijkt alsof het Duivelse systeem eindelijk een evenwicht gevonden heeft tussen de nood aan het creëren van voldoende kansen om te winnen en de noodzakelijke defensieve stabiliteit om achteraan niet te veel risico te lopen.

Pressing om te winnen?

België behoort tot de beste leerlingen van Europa in alle onderdelen van het spel en toch is de kwaliteit van de pressing beduidend minder dan die van de Europese referenties op dat vlak, zoals Frankrijk en Spanje. De Belgen laten hun tegenstander gemiddeld vier passes meer geven voor ze de bal heroveren. Misschien kan dat verklaard worden door de wil van de bondscoach om de ploeg te laten leren om te lijden zonder balbezit, met als doel om zich voor te bereiden om wedstrijden te winnen waarin de Duivels niet de baas zijn over de bal.

Bij balverlies beginnen de Belgen soms aan een pressing die kort en ordeloos is omdat sommige offensieve spelers verspreid staan over het veld. Vervolgens plooien ze zich snel terug met vier of vijf man achterin, om zo te vermijden dat de flankspelers in de rug gepakt worden door de snelle omschakelingen die de Duivels zoveel pijn gedaan hebben op de weg naar het WK. Maar door de helft van de ploeg terug te trekken, vaak nog vergezeld van een Axel Witsel die zijn rol als waakhond ter harte neemt, berooft de ploeg zich tegelijkertijd van de mogelijkheid om een efficiënte pressing uit te voeren. Daarvoor is immers meer collectieve inzet nodig. Zo wordt de ploeg in tweeën gedeeld en ligt ze doorgaans open op de flank omdat de vleugelspelers plaats moeten nemen in de linie van de vijf verdedigers. Daardoor kan de tegenstander snel terrein winnen en zonder veel moeite het middenveld doorbreken van zodra hij de nodige technische kwaliteiten heeft om onder de eerste pressing uit te komen.

Op een moment dat pressing het gemeenschappelijke kenmerk lijkt te zijn van de topploegen, in een voetbal dat Liverpool tot Europees kampioen kroonde en Tottenham tot de Champions Leaguefinale bracht, zou die keuze kunnen lijken op ketterij. Maar dan gaat men wel voorbij aan het feit dat België de tegenaanval in zijn bloed heeft en in zijn rangen een van de beste passeurs en de beste dribbelaar van Europa telt. Enorme wapens, die nog beter kunnen schitteren wanneer de ruimte openligt. Met een balbezit boven de 70 procent gemiddeld weet België toch te scoren op collectief goed uitgevoerde counters. Een extra sleutel om, exact een eeuw na het olympische goud in eigen land, de poorten naar een internationale trofee te openen?

De goals vallen als kaakslagen. De tandem Haris Seferovic en Xherdan Shaqiri jaagt de Rode Duivels het schaamrood op de wangen. Op een relatief anonieme Nations League-avond midden in de herfst slikt het België van Roberto Martínez niet alleen goals maar ook een desillusie. Thibaut Courtois, goed voor 35 clean sheets in 69 interlands met de Duivels, lijkt zijn ogen niet te kunnen geloven. De lange armen van de doelman zwaaien geërgerd de lucht in om de defensieve onmacht aan te tonen van een ploeg die op de dool is. Op de grasmat van Luzern wordt die uitgeteld door een enthousiast publiek en een tegenstander die alles of niks speelt, nadat hij in het begin van de match voor het blok werd gezet door twee goals van Thorgan Hazard. België krijgt er daarna nog vijf binnen. Op de linkerflank die water maakt, is er zelfs geen Yannick Carrasco om de zwartepiet toe te schuiven. Met Dedryck Boyata die rugdekking verleent aan Nacer Chadli hebben de Rode Duivels geen antwoord op de infiltraties van Shaqiri. Daardoor moet Axel Witsel ter hulp komen en zijn positie voor de verdediging verlaten. En daar bevindt zich net een Seferovic die de goals aan elkaar rijgt. Het is een gepeperde rekening. De laatste doelman van de nationale ploeg die zich in negentig minuten tijd vijf keer heeft moeten omdraaien, was Jean-François Gillet, als onmachtige getuige van een demonstratie van de latere wereldkampioen Spanje in Galicië (5-0). Dat was in 2009, in een tijdperk waarvan men hoopte dat het voorgoed voorbij was. Roberto Martínez zoekt die avond naar woorden. En naar een verklaring. 'We waren niet in staat om te communiceren, om samen op een volwassen manier te verdedigen. Dat was opvallend', aldus de bondscoach. De toekomst en een rustig parcours naar het EK hangen dus af van een versteviging van de basis. Een jaar en zes wedstrijden later lijkt de boodschap overgekomen te zijn: op hun weg naar het Europees kampioenschap hebben de Rode Duivels slechts één goal geïncasseerd in 540 minuten. Een geschenkje van Thibaut Courtois, op dat moment in volle Madrileense crisis, die de Russische aanvallers een doelpunt op een schoteltje aanbood. Is België veranderd? Hetgeen men kan onthouden is natuurlijk ook dat de tegenstanders slechts sparringpartners waren, die zelfs niet in dezelfde categorie boksen als de Duivels. Dan gaat men wel voorbij aan Rusland, recent nog kwartfinalist op het WK in eigen land, waar het Spanje ten val bracht en slechts op de valreep na een spannende wedstrijd sneuvelde tegen de latere finalist Kroatië. Maar op weg naar het EK lijken de punten en de goals niettemin talrijker dan de lessen. Toch dit: België stond in zijn eerste zes kwalificatiewedstrijden twaalf gekadreerde schoten toe aan zijn tegenstanders, dus gemiddeld één per speelhelft. Zo werden de rangen weer gesloten na de negen gekadreerde schoten die werden weggegeven aan de Zwitsers tijdens die overstroming in Luzern. In zes wedstrijden gaven de Rode Duivels minder kansen weg dan in de negentig minuten tegen het Brazilië van Neymar in de kwartfinale van het voorbije WK. Courtois heeft zich zelfs niet bovenmatig hoeven in te spannen om vijf clean sheets toe te voegen aan zijn indrukwekkende verzameling. Hij werd dan ook beschermd door een over het algemeen geruststellende verdediging, zelfs wanneer Axel Witsel of Vincent Kompany op het appel ontbraken. Is dat nu echt een nieuwigheid? Is dat echt het gevolg van de defensieve wensen van de bondscoach, die doorgaans toch minder bezig is met wat er in het eigen strafschopgebied gebeurt dan met de beste manier om dat van de tegenstander aan te vallen? Zijn uitspraken zouden dat doen vermoeden, want in de kolommen van La Dernière Heure bevestigde hij: 'België moet Spanje, Duitsland of Frankrijk kunnen kloppen zonder de bal te hebben. Nu zijn wij een ploeg die altijd de bal wil. We moeten ook op een andere manier kunnen winnen.' In Schotland lieten de Rode Duivels de bal aan hun tegenstanders in het eerste kwartier van de match (56 procent balbezit voor de Britten), om beter te kunnen toeslaan in de rug van de verdediging. Maar ook op weg naar het WK in Rusland hadden de Belgen hun capaciteit om weinig kansen weg te geven al dik in de verf gezet. Na zes matchen hadden ze toen amper acht gekadreerde schoten toegestaan aan hun tegenstanders. Dat cijfer is dus nog indrukwekkender dan de twaalf van nu. Nochtans is België ook hiermee de Europese natie die de minste opgelegde kansen weggeeft, namelijk 0,46 expected goals per match (waarbij een expected goal overeenkomt met een duidelijke doelrijpe kans). Als de Belgen meer dan ooit de bal hebben (een gemiddelde boven de 700 passes per wedstrijd sinds het begin van de EK-kwalificaties), dan komt dat vooral doordat de tegenstanders hen de bal laten hebben. De meest memorabele goals van deze generatie zijn dan wel counterdoelpunten - van Kroatië zes jaar geleden, via Japan tot de recente openingsgoal in Schotland - de Duivels leren zich meer en meer van de bal te bedienen om te verdedigen. In vergelijking met de kwalificaties voor het WK 2018 hebben de mannen van Roberto Martínez hun spel minder direct gemaakt. Hun balbezit duurt nu gemiddeld 6,96 passes, tegenover 5,88 op weg naar het WK. En ze schieten gemiddeld om de 36 passes naar de goal, terwijl ze dat twee jaar tevoren om de 31 passes deden. De kwaliteit van de doelkansen is er nochtans op vooruitgegaan. Het komt alleen doordat het nationale realisme weer normale proporties heeft aangenomen (eind 2016 hadden de Duivels een onbeschaamde succesratio tegen Estland, dat acht goals slikte) en de wedstrijd in San Marino de minst efficiënte was van deze campagne, dat de offensieve cijfers niet even indrukwekkend zijn als twee jaar geleden. Aan de bal ontwikkelt België zich nog meer op de linkerflank. Die wordt nochtans steeds vaker verlaten door Eden Hazard, die meer en meer acties in het centrum maakt. Omdat hij zijn tegenstanders in zijn kielzog meetrekt, maakt de aanvoerder van de Rode Duivels de vleugel vrij voor Jan Vertonghen, die het spel kan doen vooruitgaan door zijn passes (hij is in de kwalificaties de beste speler wat betreft passes die zijn ploeg laten opschuiven op het veld) en voor Thorgan Hazard, die hetzelfde doet met zijn rushes met de bal aan de voet. En dat allemaal zonder te veel kansen weg te geven over die linkerflank, die historisch gezien het zwakke punt is van deze generatie. Het lijkt alsof het Duivelse systeem eindelijk een evenwicht gevonden heeft tussen de nood aan het creëren van voldoende kansen om te winnen en de noodzakelijke defensieve stabiliteit om achteraan niet te veel risico te lopen. België behoort tot de beste leerlingen van Europa in alle onderdelen van het spel en toch is de kwaliteit van de pressing beduidend minder dan die van de Europese referenties op dat vlak, zoals Frankrijk en Spanje. De Belgen laten hun tegenstander gemiddeld vier passes meer geven voor ze de bal heroveren. Misschien kan dat verklaard worden door de wil van de bondscoach om de ploeg te laten leren om te lijden zonder balbezit, met als doel om zich voor te bereiden om wedstrijden te winnen waarin de Duivels niet de baas zijn over de bal. Bij balverlies beginnen de Belgen soms aan een pressing die kort en ordeloos is omdat sommige offensieve spelers verspreid staan over het veld. Vervolgens plooien ze zich snel terug met vier of vijf man achterin, om zo te vermijden dat de flankspelers in de rug gepakt worden door de snelle omschakelingen die de Duivels zoveel pijn gedaan hebben op de weg naar het WK. Maar door de helft van de ploeg terug te trekken, vaak nog vergezeld van een Axel Witsel die zijn rol als waakhond ter harte neemt, berooft de ploeg zich tegelijkertijd van de mogelijkheid om een efficiënte pressing uit te voeren. Daarvoor is immers meer collectieve inzet nodig. Zo wordt de ploeg in tweeën gedeeld en ligt ze doorgaans open op de flank omdat de vleugelspelers plaats moeten nemen in de linie van de vijf verdedigers. Daardoor kan de tegenstander snel terrein winnen en zonder veel moeite het middenveld doorbreken van zodra hij de nodige technische kwaliteiten heeft om onder de eerste pressing uit te komen. Op een moment dat pressing het gemeenschappelijke kenmerk lijkt te zijn van de topploegen, in een voetbal dat Liverpool tot Europees kampioen kroonde en Tottenham tot de Champions Leaguefinale bracht, zou die keuze kunnen lijken op ketterij. Maar dan gaat men wel voorbij aan het feit dat België de tegenaanval in zijn bloed heeft en in zijn rangen een van de beste passeurs en de beste dribbelaar van Europa telt. Enorme wapens, die nog beter kunnen schitteren wanneer de ruimte openligt. Met een balbezit boven de 70 procent gemiddeld weet België toch te scoren op collectief goed uitgevoerde counters. Een extra sleutel om, exact een eeuw na het olympische goud in eigen land, de poorten naar een internationale trofee te openen?