Het bedrag dat een profvoetballer in de Jupiler Liga verdient, is opgebouwd uit een vast loon, premies, groepsverzekering en voordelen in natura. Soms komen daar nog extra's (bonussen) bij.
...

Het bedrag dat een profvoetballer in de Jupiler Liga verdient, is opgebouwd uit een vast loon, premies, groepsverzekering en voordelen in natura. Soms komen daar nog extra's (bonussen) bij. Het wettelijk vastgelegde minimumloon voor een betaalde sportbeoefenaar bedraagt dit seizoen 16.350 euro op jaarbasis. Wie slechts deeltijds is tewerkgesteld (een minderheid, zoals jonge profs die nog studeren), moet minimaal 8.175 euro verdienen. Buitenlanders van buiten de Europese Unie, zoals alle Afrikanen, hebben recht op minstens 65.400 euro (8 x 8.175). Al deze bedragen zijn bruto. Premies en voordelen in natura zijn inbegrepen, vakantiegeld en groepsverzekering niet. Het gegarandeerde loon varieert van club tot club en ook tussen spelers in eenzelfde club zijn er grote verschillen. Sinds 2003 hebben voetballers recht op vakantiegeld. Daarmee werd het laatste gat in hun sociale zekerheid gedicht. Zoals elke 'normale' werknemer krijgen ze hun brutosalaris sindsdien dertien maanden uitbetaald (om precies te zijn : maal 12,96 + één winstpremie). Het vaste maandloon maakt in de meeste gevallen 55 à 60 procent van het totale spelersinkomen uit. Anderlecht vormt daarop een merkwaardige uitzondering met niet eens 30 procent, onder meer doordat het de groepsverzekering als variabel loon beschouwt. 'Loon naar werken', het vroegere motto bij Club Brugge, is dat van paars-wit geworden en dus moeten spelers er presteren voor hun geld. Contractueel is per punt een premie vastgelegd, die met drie wordt vermenigvuldigd bij een overwinning. Niet alle spelers in een ploeg hebben dezelfde premies. Het komt voor, maar is zeker niet de regel (Club Brugge schafte het af), dat clubs een progressief premiestelsel hanteren. Daarbij loopt de vergoeding op naarmate de ploeg langer ongeslagen blijft, tot bij de eerstvolgende nederlaag opnieuw de basispremie van kracht wordt. Of de premie stijgt naarmate de ploeg klimt in de rangschikking. Een punt is dan meer waard wanneer ze vijfde is dan wanneer ze dertiende staat. Heel uitzonderlijk dwingt een (top)speler een minimale premiegarantie af, maar eigenlijk komt dit neer op een hoger vast loon en dus is het ongebruikelijk. Bij Anderlecht bestond het, maar wordt het afgebouwd. Bij de budgettering gaat een club wel uit van een minimaal aantal punten : bij Anderlecht en Club Brugge 75, RC Genk 68, Standard 62 en AA Gent 60. De meeste kleine(re) clubs budgetteren op ongeveer 40 punten. Soms trekken alle spelers op het wedstrijdblad de volledige premie. Bij andere clubs geldt dat alleen voor de basisploeg : wie invalt krijgt nog 75 procent, wie niet van de bank komt de helft. Wie geblesseerd aan de kant staat, heeft de eerste maand recht op een gemiddelde van de zonder hem behaalde premies. Daarna valt hij terug op de arbeidsongevallenverzekering of de mutualiteit. Na de zesde maand bij blessure (arbeidsongeval) of na de tweede maand bij ziekte is drastisch inkomensverlies reëel. Sporters zijn in zulke gevallen slecht beschermd omdat ze maar beperkt RSZ afdragen. Sinds 1985 bestaat de zogenaamde 'Assubel-regeling', ook wel het pensioenspaarplan van de profsporter genoemd, maar in feite een groepsverzekering. Clubs zijn wettelijk verplicht een percentage van het inkomen van een speler (hoe meer hij verdient, hoe hoger de bijdrage, maar 40 procent is het plafond) te storten in een fonds. Die bijdrage moet bovenop het brutosalaris (maandloon min vakantiegeld + premies) worden berekend en betaald en mag er dus niet van worden afgehouden. Dat laatste is een inbreuk op de wetgeving en gebeurt soms nog, maar minder vaak dan vroeger (zie de vordering van achterstallige pensioenbijdragen door ex-spelers van Lierse). Spelers kunnen dit opzij gezette kapitaal op hun 35ste of bij het einde van hun loopbaan in één keer opnemen tegen een laag belastingtarief van meestal 16,5 à 20 procent (onder bepaalde voorwaarden zelfs maar 10 procent). Noem het een vorm van uitgesteld loon. Meestal stellen clubs een woning/appartement en een wagen met tankkaart ter beschikking van hun spelers. In het eerste geval kan het ook gaan om een maandelijkse bijdrage, in het tweede geval om een kilometervergoeding. Voor buitenlanders zit er doorgaans een aantal vliegtuigtickets naar het thuisland in het loonpakket. Toppers onderhandelen vaak ook tekengeld. Een beloning, zeg maar, omdat ze bij een club willen komen voetballen of er bijtekenen. Of omdat ze transfervrij komen, waardoor de club een transfersom uitspaart. De tekenvergoeding is belastbaar en wordt vermeld op de loonfiche. Ze maakt dus deel uit van het totale loonpakket en kan worden beschouwd als een voorschot op het loon. Dat maakt het interessant voor een speler. Het geld wordt direct bij de contractondertekening uitgekeerd of samen met het eerste maandloon gestort, maar een zekere spreiding van betaling is evenmin ongebruikelijk. Tekengeld dat dit jaar werd bedongen, is dubbel interessant voor de spelers : de buitenlanders en de in Frankrijk of Duitsland gedomicilieerde Belgen genieten (onder voorwaarden) nog van de 18-procentregel. Die verdwijnt per 1 januari 2008. Vele tekengelden zijn dan ook in één keer uitgekeerd deze zomer. In het nieuwe reglement van de groepsverzekering telt het tekengeld niet meer mee voor de berekening van de groepspensioenbijdrage, wat dan weer zeer interessant kan zijn voor de club. Een andere aanvulling op het inkomen vormen de vooraf afgesproken targets, waar een eenmalige premie als bonus tegenover staat : titel- of bekerwinst, Europees ticket, volgende bekerronde, et cetera. Zo zou kwalificatie voor de Champions League de Anderlechtspelers elk 120.000 euro hebben opgeleverd. Soms bedingt een speler een extra premie wanneer hij een bepaald aantal wedstrijden in de ploeg staat. Het risico is dat hij net voor hij aan dat aantal zit, niet meer wordt opgesteld. Enkele jaren geleden leidde dat tot een rechtszaak tussen Manu Karagiannis en La Louvière. De speler won. JAN HAUSPIE