Door de Engelstilstraat reed een blauwe Volvo. Fietsers stapten af en gingen verstijfd naast hun rijwiel staan, voetgangers hielden de pas in of liepen hard door, nerveus achteromkijkend, mijn vader deed de borst alvast opzwellen, moeder was niet in de winkel om hem te helpen. Het was een dag om naar het zwembad te fietsen, wat ik ook van plan was na het bezoek uit het buitenland.
...

Door de Engelstilstraat reed een blauwe Volvo. Fietsers stapten af en gingen verstijfd naast hun rijwiel staan, voetgangers hielden de pas in of liepen hard door, nerveus achteromkijkend, mijn vader deed de borst alvast opzwellen, moeder was niet in de winkel om hem te helpen. Het was een dag om naar het zwembad te fietsen, wat ik ook van plan was na het bezoek uit het buitenland. De Volvo had een witte nummerplaat met rode letters. Mijn vader ging staan en zei plechtig: 'Ze zijn er.' De wagen stond bijna stil. Toegesnelde kinderen keken door de voorruit naar binnen. Zij zagen Albert Roosens, voorzitter van Anderlecht en eigenaar van een olieverwarmingsinstallatiebedrijf (,,'m, zit in de mazout''), en Pierre Buyle, bestuurslid en paardenhandelaar uit Neerpede. Vooral het nummerbord maakte indruk: wit met rode letters en cijfers. Kapper Van de Grijspaarde en slager Roege, die stonden te praten voor de groentezaak van Tuin, waren erbij toen het exotische voertuig landde en in enkele seconden zouden de eerste Belgen voet op Oost-Groninger bodem zetten. Hoe oud was ik? Zeventien. In Winschoten. Vergeleken met een mens in bijvoorbeeld Utrecht betekent die zeventien dat je ongeveer tien bent en in mijn geval kun je daar gevoeglijk nog een paar jaar afdoen. Acht jaar, wereldberoemd, miljonair, aanstaand bezitter van de witte open sportwagen MG-B, gevierd door een uitzinnige bevolking: ik was de rock- 'n-roll van Winschoten, mijn talent kon daar niet langer blijven, ik moest weg. Jan was volgens zijn vader te groot geworden voor Winschoten. Anderlecht lonkte. Mijn ouders aarzelden. Zij vreesden de gevaren van de grote stad. Brussel was zeven uur rijden, autowegen waren schaars. En de provinciale weg tussen Harderwijk en Amersfoort bijvoorbeeld slingerde zich tussen twee rijen dikke beuken door het Gelderse landschap - levensgevaarlijk bij hoge snelheden. Maar het verlangen won het van de angst en mijn vader deed een gastvrij sprongetje van de stoep toen Anderlecht voor de winkel uitstapte. Hoe zal ik de toestand van deze man beschrijven? In de war? Mijn vader vertoonde zeer ernstige gelaatstrekken. Met dat gezicht wilde hij zeggen: 'Zo makkelijk laat ik Jan niet door u meetronen, dit worden zware onderhandelingen, heren, ik ga op elk detail letten, elke onbeleefdheid uwerzijds zal er eentje te veel zijn, elk spoor van dubieus Belgisch gedrag dat mijn zoon nadeel kan bezorgen, zal ik u inpeperen.' Of was het toch de angst? Kon hij me niet loslaten? Zag hij me na het overleven van de dodemanstocht naar de Belgische hoofdstad door louche Brusselse makelaars doorverkocht aan Moeskroen en daarna aan mensenhandelaren uit Noord-Frankrijk, die mij uiteindelijk via reeksen slechte vrouwen en oplichtersbendes waarvan ik tegen mijn zin deel zou uitmaken aan een ronselaar van het vreemdelingenlegioen zouden verpatsen voor de paar duizend francs die ik niet meer waard was? Voorzitter Roosens trok de aandacht van de volledige Engelstilstraat. Het als gegoten kostuum. De glimmend gepoetste schoenen. De hagelwitte boord. De fraaie platte knoop in de stropdas zoals oude Britse ministers die nog aan hebben. Het voorname buikje. De chique manchetknopen. De dasspeld. De spiegelgladde wangen. De montere tred. Het stemgeluid van een regent uit een exotisch land - Anderlecht - dat ik binnenkort de mijne zou mogen noemen. Hij haalde met een snelle beweging een vulpen uit de binnenzak. Het afschroeven van de dop vervulde mij van intense bewondering, we bevinden ons nog steeds in de schoenmakerij in de Engelstilstraat. De machines zwegen, vader en ik keken toe hoe Albert Roosens in een geweldig handschrift enige voorwaarden op een Belgisch blokjesvel schreef dat hij uit zijn leren agenda had gescheurd. Vader wankelde naar de bakelieten telefoon aan de muur. Moeder, huisvrouw in ons huis aan de Parklaan, moet de hoorn in haar mond hebben gehad toen hij rinkelde, zo vlug hoorden we haar melding in de hoorn: 'Annie'. Geert zei nog een tijdje niets en toen, eindelijk, plechtig in een absolute stilte: 'Anderlecht heeft Jan honderdduizend gulden geboden.' De uitdrukking op zijn gezicht had nergens meer mee te maken. Deze man vloog ergens stuurloos door het heelal. Maar ik niet. Ik werd speler van Anderlecht. Zeven jaar in het echt gedroomd in het stadion, 7. Avenue Théo Verbeeck. De eerste keer dat ik een voet op het ietwat bolle veld zette, was ik ten diepste ontroerd. Elke wedstrijd was ik ontroerd. Nergens ter wereld heb ik me gelukkiger gevoeld dan op die plek, vooral in het strafschopgebied aan de parkzijde, waar het lichtjes bergop gaat. Het Astridpark. Soms zit ik in mijn werkkamer en hoor het hartverscheurende uit veertigduizend kelen. 'An-der-lècht'. Honderd jaar oud in 2008. Ik feliciteer ere-voorzitter Constant VandenStock en zijn en mijn honderdjarige liefde. S jan mulder