Een tijdje geleden zat er een brief in mijn postbus met het logo van Club Brugge op de envelop. Ik was dan ook nieuwsgierig naar de inhoud. Het was een uitnodiging om deel te nemen aan een huldemoment dat werd georganiseerd naar aanleiding van het 120-jarig bestaan van Club Brugge. Een eerbetoon aan de oud-spelers zou plaatsvinden voor de Brugse derby. Dat de brief tot bij mij was geraakt, was al een klein wonder. Mijn postbode is een fervente Anderlechtsupporter en allergisch voor alles wat ook maar in de verste verte met Club Brugge te maken heeft. Hij moet in een vergevingsgezinde bui geweest zijn of hij heeft stilletjes aan een bril nodig en had het embleem van mijn Brugse vrienden niet gezien.

In de brief stond een zin die mij een beetje verontrustte en ik citeer letterlijk: graag willen wij zo veel mogelijk oud-spelers van onze club in deze hulde en ereronde betrekken. Een ereronde, in een tot aan de nok gevuld stadion met fanatieke, blauw-zwarte supporters? Ik vroeg mij af of dat voor mij niet het lot tarten was. Een ongeluk is namelijk vlug gebeurd, vooral aangezien de Clubsupporters er nogal nerveus bij zouden lopen na drie verloren derby's op een rij. Maar mijn ongerustheid over die ereronde bleek volledig onterecht. Ik heb dan wel een paar jaar bij Club gespeeld, maar ik word nog altijd geassocieerd met Anderlecht. Dat etiket raak ik nooit meer kwijt. Ik dacht er dus aan om een burka aan te trekken, maar dat idee heb ik maar laten varen. Bij aankomst in de Zuidtribune van het Jan Breydelstadion kreeg iedere oud-speler een blauw-zwarte sjaal aangereikt en men verwachtte dat men die dan ook onmiddellijk om de hals zou hangen, wat ik dan ook deed. Toen we het veld betraden voor de fameuze ereronde en ik Bob Peeters, de Cercletrainer, tegen het lijf liep, had ik al prijs! "Heb je niet de verkeerde sjaal om? Ik dacht dat je de paars-witte kleuren prefereerde", fluisterde hij mij lachend toe.

Ik ga hier niet hypocriet doen: als Anderlecht tegen Club Brugge speelt, heb ik het liefst dat de Brusselaars het laken naar zich toetrekken, zonder daarom hysterisch te worden als het niet lukt. Maar in de wedstrijden van Club tegen Standard, Genk of Gent, kies ik onvoorwaardelijk de kant van blauw-zwart.

Hoe ik overigens in de herfst van mijn loopbaan nog bij Club Brugge ben terechtgekomen, is mij een raadsel. Ik zat gebeiteld bij Toulouse en dacht Frankrijk nooit meer te verlaten. Wat mij bezielde toen ik een voorstel kreeg van de Bruggelingen weet ik niet, maar het was zeker niet voor het geld. Ik verdiende er de helft van wat ik bij Toulouse kon vangen. Waarschijnlijk streelde het mijn ego dat Brugge, toch een topclub in België, in de herfst van mijn loopbaan, nog in mij geïnteresseerd was. Club is tot op heden toch nog altijd - en dat zal denkelijk wel zo blijven - de enige Belgische club die de finale speelde van de beker voor landskampioenen, nu de Champions League, tegen Liverpool op Wembley. Daar kunnen we vandaag alleen maar van dromen.

De ereronde werd aangevoerd door het boegbeeld van Club, Raoul Lambert, nog altijd de simpelste mens van de wereld! Dat die nooit de Gouden Schoen heeft gekregen, is een pure schande, zeker als men ziet wie hem later allemaal heeft gekregen. Na de match dronk ik nog menig pintje met de onvermijdelijke Birger Jensen, Henk Houwaart, nog steeds keurig in maatpak, en Gert Verheyen, die zich nog herinnerde dat ik ooit op bezoek was geweest bij zijn ouders toen hij nog een kleuter was. Dat zegt veel over mijn leeftijd.

Ik raakte ook aan de praat met Nathalie, een West-Vlaamse die in Schoten is verzeild geraakt. Haar man interesseert zich niet voor voetbal maar zij mist geen enkele thuismatch van Club en komt dan maar alleen naar de wedstrijden. Haar grootste vijanden zijn die van Brussel, je mag raden wie dat zijn. Ze vertrouwde mij toe dat ze nog nooit kleding met paars-witte kleuren had gekocht en dat ze van plan was om dat ook nooit te doen zo lang ze leefde. Bekeren kon ik haar niet en ik ben dan maar naar huis gegaan. Met mijn blauw-zwarte sjaal om ...

Raoul Lambert: nog altijd de simpelste mens van de wereld.

Een tijdje geleden zat er een brief in mijn postbus met het logo van Club Brugge op de envelop. Ik was dan ook nieuwsgierig naar de inhoud. Het was een uitnodiging om deel te nemen aan een huldemoment dat werd georganiseerd naar aanleiding van het 120-jarig bestaan van Club Brugge. Een eerbetoon aan de oud-spelers zou plaatsvinden voor de Brugse derby. Dat de brief tot bij mij was geraakt, was al een klein wonder. Mijn postbode is een fervente Anderlechtsupporter en allergisch voor alles wat ook maar in de verste verte met Club Brugge te maken heeft. Hij moet in een vergevingsgezinde bui geweest zijn of hij heeft stilletjes aan een bril nodig en had het embleem van mijn Brugse vrienden niet gezien. In de brief stond een zin die mij een beetje verontrustte en ik citeer letterlijk: graag willen wij zo veel mogelijk oud-spelers van onze club in deze hulde en ereronde betrekken. Een ereronde, in een tot aan de nok gevuld stadion met fanatieke, blauw-zwarte supporters? Ik vroeg mij af of dat voor mij niet het lot tarten was. Een ongeluk is namelijk vlug gebeurd, vooral aangezien de Clubsupporters er nogal nerveus bij zouden lopen na drie verloren derby's op een rij. Maar mijn ongerustheid over die ereronde bleek volledig onterecht. Ik heb dan wel een paar jaar bij Club gespeeld, maar ik word nog altijd geassocieerd met Anderlecht. Dat etiket raak ik nooit meer kwijt. Ik dacht er dus aan om een burka aan te trekken, maar dat idee heb ik maar laten varen. Bij aankomst in de Zuidtribune van het Jan Breydelstadion kreeg iedere oud-speler een blauw-zwarte sjaal aangereikt en men verwachtte dat men die dan ook onmiddellijk om de hals zou hangen, wat ik dan ook deed. Toen we het veld betraden voor de fameuze ereronde en ik Bob Peeters, de Cercletrainer, tegen het lijf liep, had ik al prijs! "Heb je niet de verkeerde sjaal om? Ik dacht dat je de paars-witte kleuren prefereerde", fluisterde hij mij lachend toe. Ik ga hier niet hypocriet doen: als Anderlecht tegen Club Brugge speelt, heb ik het liefst dat de Brusselaars het laken naar zich toetrekken, zonder daarom hysterisch te worden als het niet lukt. Maar in de wedstrijden van Club tegen Standard, Genk of Gent, kies ik onvoorwaardelijk de kant van blauw-zwart. Hoe ik overigens in de herfst van mijn loopbaan nog bij Club Brugge ben terechtgekomen, is mij een raadsel. Ik zat gebeiteld bij Toulouse en dacht Frankrijk nooit meer te verlaten. Wat mij bezielde toen ik een voorstel kreeg van de Bruggelingen weet ik niet, maar het was zeker niet voor het geld. Ik verdiende er de helft van wat ik bij Toulouse kon vangen. Waarschijnlijk streelde het mijn ego dat Brugge, toch een topclub in België, in de herfst van mijn loopbaan, nog in mij geïnteresseerd was. Club is tot op heden toch nog altijd - en dat zal denkelijk wel zo blijven - de enige Belgische club die de finale speelde van de beker voor landskampioenen, nu de Champions League, tegen Liverpool op Wembley. Daar kunnen we vandaag alleen maar van dromen. De ereronde werd aangevoerd door het boegbeeld van Club, Raoul Lambert, nog altijd de simpelste mens van de wereld! Dat die nooit de Gouden Schoen heeft gekregen, is een pure schande, zeker als men ziet wie hem later allemaal heeft gekregen. Na de match dronk ik nog menig pintje met de onvermijdelijke Birger Jensen, Henk Houwaart, nog steeds keurig in maatpak, en Gert Verheyen, die zich nog herinnerde dat ik ooit op bezoek was geweest bij zijn ouders toen hij nog een kleuter was. Dat zegt veel over mijn leeftijd. Ik raakte ook aan de praat met Nathalie, een West-Vlaamse die in Schoten is verzeild geraakt. Haar man interesseert zich niet voor voetbal maar zij mist geen enkele thuismatch van Club en komt dan maar alleen naar de wedstrijden. Haar grootste vijanden zijn die van Brussel, je mag raden wie dat zijn. Ze vertrouwde mij toe dat ze nog nooit kleding met paars-witte kleuren had gekocht en dat ze van plan was om dat ook nooit te doen zo lang ze leefde. Bekeren kon ik haar niet en ik ben dan maar naar huis gegaan. Met mijn blauw-zwarte sjaal om ... Raoul Lambert: nog altijd de simpelste mens van de wereld.