'Ik zal het maar toegeven: ik heb me zowel bij Beerschot als Antwerp goed gevoeld, al was ik van kleins af supporter van Antwerp. Ook een beetje van Club Brugge, omdat mijn leraar van het vierde jaar één van de beste vrienden was van Julien Cools, die op dat moment bij Club voetbalde. Omdat ik zo gepassioneerd was door voetbal, nam die leraar me eens mee naar de Europabekerwedstrijd Club Brugge-HSV. Dat was het grote Club, met naast Cools ook Ulrik Le Fèvre, Birger Jensen en Edi Krieger. In die tijd belandden we met de miniemen van Dessel eens op de Bosuil voor een jeugdtoernooi. Daar kwam ik onder de indruk van de enorme betonnen kuip die het stadion toen was.
...

'Ik zal het maar toegeven: ik heb me zowel bij Beerschot als Antwerp goed gevoeld, al was ik van kleins af supporter van Antwerp. Ook een beetje van Club Brugge, omdat mijn leraar van het vierde jaar één van de beste vrienden was van Julien Cools, die op dat moment bij Club voetbalde. Omdat ik zo gepassioneerd was door voetbal, nam die leraar me eens mee naar de Europabekerwedstrijd Club Brugge-HSV. Dat was het grote Club, met naast Cools ook Ulrik Le Fèvre, Birger Jensen en Edi Krieger. In die tijd belandden we met de miniemen van Dessel eens op de Bosuil voor een jeugdtoernooi. Daar kwam ik onder de indruk van de enorme betonnen kuip die het stadion toen was. 'Mijn tweede kennismaking met den Antwerp was minder leuk. In die tijd had Dessel me twee keer voor een jaar uitgeleend aan Lierse, voor 50.000 frank ( 1250 euro, nvdr) per seizoen. Na de allereerste trainingsdag op Kessel was ik morsdood, we hadden twee uur zonder bal getraind. Nog nooit meegemaakt. Ik bedoel: bij Dessel kregen we training van de postbode, en wanneer de ijskar passeerde, kregen we soms een ijsje. Maar ik zette door en leerde veel bij van Marcel Vets, de legendarische jeugdcoördinator. We werden er twee jaar kampioen, en ik wou graag blijven. Alleen maakte ik in de laatste match van mijn tweede jaar, Dessel-Lierse vier goals, waarop Dessel tegen Lierse zei: 'Als je hem nog een jaar wil, kost het 100.000 frank.' 2500 euro dus, terwijl eerder 1500 euro afgesproken was vanaf seizoen drie. Dat wou Lierse niet. 'Zo keerde ik tegen mijn goesting terug, maar iemand regelde dat ik een week met de U15 van Antwerp kon meetrainen, zonder dat Dessel daar van wist. Ik deed dat goed, die trainer was ook content, maar de andere Antwerpjongens lachten me uit: 'Hey boerke, wat komt gij hier doen?' Daar was ik niet goed van. Toen Dessel dat van die trainingen vernam, was het afgelopen. Ik ben toen een paar weken gedesillusioneerd gestopt met voetballen. Maar hoe dan ook: ik was op dat moment nog niet klaar voor Antwerp.''Bij Antwerp hebben ze me nooit als een overloper beschouwd, waarschijnlijk omdat er tien jaar tussen mijn verblijf bij Beerschot en mijn verhuis naar de Bosuil zat. Toen ik net bij Antwerp arriveerde, had ik wel een discussie met de fans. Die vonden het gemakkelijk, een ex-Beerschotspeler die bij zijn aankomst zegt dat hij altijd Antwerpfan is geweest. Waarop ik zei: over twee weken breng ik de bewijzen mee. Een tekening van mijn papa in mijn poëziealbum, met een getekend gezicht van Alfred Riedl, de Oostenrijkse topschutter van Antwerp, met het bijschrift: ik hoop dat je op een dag bij onze favoriete club kan spelen. 'Mijn eerste Antwerpse derby beleefde ik als speler van Beerschot. Dat was de enige eersteklasseclub die me een profcontract aanbood. Wat voor een match was dat, in september 1988! Wij, hekkensluiter met amper één punt, wonnen met 5-1 van de nummer twee in de rangschikking. Ach, die avond hadden we zelfs Brazilië geklopt, zozeer had onze trainer, Barry Hughes, ons opgenaaid: winnen betekende drie dagen vrij! Ik scoorde twee keer, het was pas mijn derde wedstrijd van mijn eerste seizoen in eerste klasse. Even opgelucht ademhalen na mijn eerste maanden in de grote stad voor de stille Kempenjongen die ik op dat moment was. Wanneer ervaren spelers als Jos Daerden of Simon Tahamata na de training vroegen om de ballen te verzamelen, deed ik dat. Vroegen ze dat aan Marc Schaessens, een jongen van 't stad, antwoordde die: 'Doe dat zelf, hé. ' 'Op die eerste weken bij Beerschot na heb ik me altijd op mijn gemak gevoeld in Antwerpen. Het kriebelt wel wanneer ik nu Antwerp Europees bezig zie. Dat heb ik nooit meegemaakt. Ik speelde nooit voor een topclub, al stond ik een keer dicht bij Club Brugge en was er een keer sprake van Anderlecht. Ik ben één keer opgeroepen voor de nationale beloften. En op een dag kwam Paul Van Himst me bij Genk voor de Rode Duivels scouten in het vooruitzicht van Polen-België. Tegen KV Mechelen gaf Paul Theunis me de opdracht om Philippe Albert te neutraliseren. Maar in dat grote Mechelen speelde Albert meer als linksbuiten dan als linksback. Mijn verdedigende opdracht voerde ik die dag perfect uit, maar Van Himst was wel op zoek naar een spits, en selecteerde dan maar Cisse Severeyns van KV Mechelen, hoewel die amper speelde. Terwijl ik al mijn visum voor Polen aangevraagd had. 'Maar we hadden het over wat Antwerp voor mij betekende. Wel: voor mij was Antwerp mijn tweede thuis, met de grauwe, robuuste Bosuil. Zodra ik op de Bosuil arriveerde, kreeg ik meteen kippenvel van die Tribune 2, met al die mensen met een hartstochtelijke liefde voor die club. Nu heb je dat al iets minder. Ik hoop dat dat niet wegvalt met dat mooie, nieuwe stadion. Ik vrees een beetje dat dat de ziel van de club gaat veranderen de komende jaren. Ik weet heel zeker dat dit het mooiste stadion van België wordt, maar ik ga wel iets missen. Vroeger stond je met je enkels in de modder als je durfde je vrouw mee te nemen naar het stadion. Nu is als het ware de rode loper uitgerold, maar dat gaat ten koste van een stuk rauwheid dat ik met Antwerp associeer. Dat rauwe paste wel bij mij. Ik was niet de meest fijnbesnaarde voetballer, meer een type rechttoe rechtaan. Daarom zat het Antwerp van toen me als gegoten. Ik hoefde me niet aan te passen, ik was zo.' 'Antwerp heeft me ook veranderd als voetballer. Voordien was ik een luierik. In 80 procent van de matchkes zei de trainer me: 'Pat, blijf gerust vooraan, en zorg dat je er op het einde één of twee binnentrapt.' Dan loop je je niet te pletter als er een bosloop op het programma staat. Onder Regi Van Acker trainde ik voor het eerst met hartslagmeters. Daardoor ben ik gaan letten op hoe je traint, en werd ik fysiek veel sterker. Op den Antwerp krijg je niet de trofee van beste speler als je een zweetdief bent. Ik heb die wel twee keer gewonnen. Ik ben op Antwerp een andere speler geworden. Nog geen Gert Verheyen die negentig minuten heen en weer rende, maar ik was wel meer aanwezig in de match dan voorheen. Vooral in die topmatchen gebeurde er iets met mij, als ik wist dat het stadion vol zat. Ik was een speler die de affectie van het publiek nodig had. Achteraf gaf Eddy Wauters toe dat mijn naam al een paar keer eerder gevallen was, maar dat het prijskaartje te duur was. 'Die transfer was trouwens een ongelofelijk verhaal. Jef Van Gastel, voorzitter van voetbalclub Schoten, ontmoet de zoon van de voorzitter van KFC Turnhout, waar ik toen speelde, en ze praten over voetbal. Die zoon zegt: 'We gaan Goots verkopen, je kan die voor één miljoen frank hebben.' Maar in plaats van me naar Schoten te halen, belt Jef naar Eddy Wauters en zegt: 'Goots is te koop voor één miljoen frank.' De dag nadien krijg ik telefoon van Wauters. Of ik gauw naar Antwerpen kon komen? Dat moest voor middernacht rond zijn, want het was de laatste dag van de transferperiode. Ik rijd tegen 150 per uur naar daar, waarna Antwerpmanager Carl Geeraerts met een cheque van één miljoen naar Turnhout gaat en aanbelt bij de voorzitter. Maar die zegt: 'Goots is niet te koop.' Want Turnhout had inmiddels een bod van RKC Waalwijk voor mij. Die boden 7,5 miljoen frank, zeven keer zo veel. Toen heeft mijn toenmalige vrouw naar de voorzitter van Turnhout gebeld: 'Ofwel betaal je hem nog twee jaar uit, ofwel laat je hem naar Antwerp gaan, maar naar RKC gaat hij zeker niet.' Opeens kon het wel, al hebben ze de postverantwoordelijke nog moeten opbellen, want het was al na middernacht, en ze hadden die stempel nodig. 'Nu volg ik Antwerp voor de Gazet. Als ik die Europese matchen zie, denk ik aan die supporters. Die hebben daar zo lang op moeten wachten, en nu kunnen ze het enkel op tv zien. Zelf voetbalde ik nooit Europees, op een paar Intertotomatchen na. Hier was ik graag bij geweest. Maar als je moet kiezen tussen Mbokani en Patrick Goots, moet je Mbokani zetten. Omdat die minstens drie klassen beter is dan Goots. Zoals hij die bal kan afschermen terwijl hij langs alle kanten belaagd en aangetrapt wordt, ook met zijn rug naar doel, dat kon ik niet. Ik had ruimte nodig, dook de hoeken in. 'Maar Mbokani plus Goots, dat had goed gewerkt. Want wanneer had ik mijn beste periodes? Als tweede spits: bij Beerschot achter Willy Wellens, bij Kortrijk achter Hendrie Krüzen, en bij Antwerp achter Darko Pivaljevic. Ik ben er haast zeker van: ik, achter Mbokani, dat zou vuurwerk gegeven hebben.' 'Eerlijk: van de meer dan twintig matchen die ik dit seizoen al live zag in de Jupiler Pro League, was Beerschot het vaakst de spektakelploeg. Soms valt het niveau me in het algemeen wat tegen. Ik vind dat trainers veel verbloemen, de zaken soms te mooi praten. Ook Ivan Leko ziet vaak een beter Antwerp dan ik. Zeg het als het eens minder gaat. Misschien komt het omdat ze allemaal Vincent Kompany willen nadoen, altijd en overal uitvoetballen van achteruit. Tegenwoordig moet je keeper je beste voetballer zijn, en een lange bal trappen is in alle omstandigheden not done. Terwijl niet alle Belgische ploegen de spelers van FC Barcelona of Manchester City hebben, en dan loopt er al eens iets fout. 'Je ziet die veranderde manier van spelen ook bij Antwerp. Dat streefde voorheen altijd het Engelse voetbal na, met als basis passie en werkkracht, terwijl Beerschot ging voor ietsje meer flair en technisch voetbal. Op Antwerp mocht het wat ruwer zijn, maar nu wordt dat kantje er wat afgeslepen, terwijl je bijvoorbeeld centraal achterin erg goeie verdedigers hebt, maar niet de beste voetballers. 'Eén van de beste voetballers blijft Didier Lamkel Zé, maar Leko heeft het met hem gehad en waarschijnlijk de spelers ook. Maar die kan wel alles: scoren, een actie opzetten, koppen, hij is snel. Kortom, alles wat je nodig hebt om op elk moment het verschil te maken. Dan vraag ik me af: kan er dan echt niet voor extra begeleiding voor zo'n jongen gezorgd worden, zodat die kop op zijn lijf wat minder verkeerd komt te staan? 'Ach, je hebt altijd van die speciale types. Darko Pivaljevic, de King, was er in mijn tijd ook zo één. Die komt de dag na een zware wedstrijd op Seraing de kleedkamer binnen, gaat op zijn plek naast mij zitten, hangt zijn jas aan de kapstok, kijkt me even aan en zegt: 'Patrick, ik train vandaag niet.' Hij neemt zijn jas weer van de kapstok, en rijdt terug naar huis. Gebeurt dat vandaag, dan staan de kranten vol. Maar toen is daar niets over geschreven. Niemand buiten de ploeg wist dat, en het volgende weekend stond Darko gewoon weer in de spits. Wat moest Van Acker anders? Hem drie weken naast de ploeg zetten? We hadden maar vijftien man, en maar twee spitsen, hé. Mocht Leko er maar vijftien hebben in plaats van dertig, zou het misschien ook anders lopen. 'Wij hadden naast Darko ook voetballers die op training soms een bal zomaar wegtrapten. Dan ging Darko op een bal zitten en zei: 'Als jullie niet beter kunnen voetballen, doe je maar verder zonder mij.' In mijn eerste seizoen bij Antwerp waren we vier weken voor het einde kampioen in tweede klasse. Vanaf dan was het alleen nog feesten, maar we wonnen wel alle wedstrijden. Voor de laatste match op Tienen zei Darko in de kleedkamer: 'Ik doe vandaag niet mee.' Van Acker in alle staten. Voor ons was dat een galamatch, met 1000 Antwerpfans achter de goal. Wij warmen op, maar Darko loopt in een ander truitje langs de kant. Uiteindelijk startte hij, al was hij zo slecht dat de trainer hem er bij de rust af haalde. Net wat Darko wilde. Maar geen supporter die daar iets van gemerkt heeft. We wonnen die match met 1-5, met vier goals van mij. 'Darko was ne crème van een vent, zoals ik denk dat Lamkel Zé in de grond een crème van een vent is. In mijn tijd was er geen geld voor begeleiding. Toen kwamen de buitenlanders van overal ter wereld, kregen de sleutels van hun appartement en van de auto en verder werd daar niet naar omgekeken. Tot een paar weken later de boetes binnen dwarrelden, want dan hadden ze de stad leren kennen. Wisten zij veel dat je, als je naar de cinema ging, je auto niet op de stoep voor de ingang mocht parkeren. 'Misschien moeten ze mij inschakelen om op de Lamkel te letten. Misschien, hé. '