De straten van Eupen zijn door de zon weer vrijgemaakt van sneeuw. Alleen aan de rand van de wegen ligt nog een vastgevroren laagje, gevangen in de kou van de schaduw. Een paar honderd meter hoger is de bodem echter nog altijd bedekt onder een wit dek, in de bossen van de Hoge Venen.
...

De straten van Eupen zijn door de zon weer vrijgemaakt van sneeuw. Alleen aan de rand van de wegen ligt nog een vastgevroren laagje, gevangen in de kou van de schaduw. Een paar honderd meter hoger is de bodem echter nog altijd bedekt onder een wit dek, in de bossen van de Hoge Venen. Aan de voet van dat natuurgebied woont Siebe Blondelle (31), alleen. Zijn vrouw en dochter hebben hun thuis nog in Brugge, op 230 kilometer afstand. Deze middag zijn Reinhilde (33) en Laure (4) weer overgekomen; zoals ze elke week doen. Dan blijven ze een paar dagen, meestal rond een wedstrijd. 'We gaan graag met zijn drieën wandelen. Het is hier prachtig', zegt de verdediger van KAS Eupen. 'Er heerst hier een fijne sfeer, met mooie natuur. Laatst zat ik met Hendrik ( Van Crombrugge, nvdr) bij mij thuis en ineens zagen we een roofvogel in de tuin landen en een muis pakken. Ik was zó onder de indruk, ik dacht: wauw, dat is chique. Het is hier totaal anders dan in West-Vlaanderen, daar heb je meer landbouwgrond.' Blondelle heeft in zijn carrière al veel plekken gezien. Als zestienjarige verliet hij de vertrouwde Brugse omgeving voor het onbekende Arnhem. Daarna volgden nog Venlo, het Duitse Ahlen, Oost-Vlaamse Herzele waarna Eupen zijn bestemming werd. Moeilijk heeft de voetballer het nooit gehad met de wisselingen. Al op zijn veertiende verliet Blondelle het huis toen hij in Meulebeke op een internaat ASO combineerde met voetballen in de jeugd van Club Brugge. 'Dat was de enige topsportschool in West-Vlaanderen waar we ook voetbaltraining konden krijgen. En dan gingen we 's avonds nog naar de club om te trainen. Dat was fysiek zwaar, en ook het leven op het internaat zelf. Het was een katholieke school, de jongens en meisjes werden gescheiden en we moesten allemaal hetzelfde kostuum dragen: bruine schoenen, een jeansbroek en een blauwe pull met daaronder een wit polootje. Om half zeven stonden we op; dan moesten we eerst de kamer kuisen, je schoenen moesten gepoetst zijn en je moest je baard geschoren hebben. Daarna verschenen we op appel voor het ochtendgebed. In de grote zaal kwamen we samen, de jongens en meisjes, waar we op een lijn gingen staan. Precies zoals in het leger, hé. Dat kun je toch niet geloven? Dat dat in die tijd nog bestond. En de oudsten controleerden eens per week de jongeren: of de kamer goed gekuist was en je schoenen mooi schoon waren. Dat was natuurlijk vaak ook een beetje corrupt.' Als de herinneringen terugkomen, begint Blondelle te lachen. 'Ik heb daar van alles meegemaakt en achteraf is dat een mooie tijd geweest. Het is niet dat ik thuis álle vrijheid had, maar mijn broers en ik mochten wel doen wat we wilden. In het internaat was dat over. Daar moesten we stil zijn. Er zijn momenten geweest dat ik dacht: wat heb ik nu weer gedaan? Wat voor school is dit? 'Door de rest van de leerlingen werden wij scheef bekeken: 'Die hebben privileges; zij mogen weg 's avonds om te trainen en wij zitten hier aan het avondgebed.' Ons interesseerde dat niet. We waren vooral blij als we het internaat uit mochten. Dat was voor ons zo'n moment van vrijheid: we kunnen nu doen wat we willen. Dat waren altijd zotte ritten. Van Meulebeke naar Brugge is misschien een half uurtje rijden, maar dat was ambiance in die busjes. We pakten lunchpakketjes mee en dan zag je soms de pakken van een liter melk het raam uitvliegen naar fietsers. Nu denk je: we waren soms een beetje marginaal, hé. Maar doordat de regels op het internaat zo streng waren, kreeg je juist van zulke uitspattingen. Sommige gasten glipten weg om een pita te gaan eten of we zetten de klas op stelten, maar echt op stelten, hé. Door met stoelen te gooien, en zo. Dat was soms tot aan het agressieve toe.' Vijf dagen in de week verbleef Blondelle daar, in Meulebeke. In het weekend mocht hij naar huis; naar het kleine Oedelem bij Brugge. 'Ik ben de jongste van drie jongens. Mijn twee broers zijn qua karakter vrij verschillend. Als zij ruzie maakten, kwam ik ertussen. Ik probeerde altijd de kerk in het midden te houden. Met mijn middelste broer Wannes voetbalde ik op straat en hij zat ook op het internaat. Dat was voor mij plezant. Hij gaf mij het voorbeeld door hard te trainen. Hij pushte mij om dat ook te doen; er alles voor te geven. We hadden een pleintje achter ons huis, daar speelden we met tien, twintig man. Voetbal, voetbal, voetbal, altijd maar voetbal. Een onbezorgde jeugd, dat was het zeker. Het enige wat ik misschien gemist heb in mijn jeugdjaren is het familiegevoel. Dat je thuis samenzit voor het avondeten. Bij ons was het thuiskomen van school, zakken pakken, snel wat ontbijtgranen nemen en naar de training. Om negen uur kwam ik thuis, dan gauw het eten opwarmen of een boterhammetje eten en het bed in. 'Mijn ouders zijn beiden hardwerkende mensen die het ook niet allemaal gekregen hebben. Zij stonden in het onderwijs: mijn vader was directeur van een school en mijn moeder was kleuterleidster. Zij heeft altijd veel lawaai rond haar hoofd gehad en dan ook nog eens drie jongens thuis, haha... Mijn ouders stonden heel nuchter in mijn voetbalcarrière. Ze hebben me altijd gewaarschuwd dat ik me moest realiseren dat het voetbal vandaag of morgen gedaan kan zijn. Ik moest ervoor zorgen dat ik mijn school afrondde. Ze hebben mij goed voorbereid op het leven en me de goede waarden en normen meegegeven: blijf wie je bent. Het enige wat ze niet wisten, is hóé het voetballeven is. Dat kan ook niet, het is een wereld op zich. En het loopt altijd anders dan je had gepland. 'Dat begon voor mij al met de verwachting van mijn debuut, bij Vitesse. Dat werd heel chaotisch, met een doelpunt en een rode kaart. In één wedstrijd al zoveel emoties. Ik dacht: is dit nu het voetbal? Gaat dat elke week zo zijn? Naarmate je ouder wordt, word je daar rustiger in. Als jonge speler zie je het voetballeven groter dan het is. Je hebt die oudere gasten al op tv zien voetballen en je kijkt naar hen op. Dat schept verwachtingen rond een persoon, gecreëerd door de show waarin hij zich beweegt. En dan valt dat soms tegen als je daarna met hem samenspeelt. Dan denk je: dat is ook maar gewoon een mens. Ik realiseer me dat mensen nu ook zo naar mij kijken. Ik vind dat raar. De show die eromheen wordt gecreëerd is niet nodig.' Blondelle was zestien toen Vitesse hem naar Arnhem haalde. Lang hoefde hij niet na te denken over het aanbod. 'Misschien ook een beetje door de mensen in mijn omgeving die me wat gepusht hebben om ervoor te gaan. Ze maken het verhaal ook mooier: 'Het is Nederland. Dat is goed voor de opleiding van jeugdspelers.' Dat was ook zo. Toen was Nederland een stap verder, nu zijn in België ook alle scholen afgestemd op voetbal. Mijn vader is ook erg voetbalminded. Hij zei: 'Dit is een kans. Die moet je pakken.' Mijn moeder stond er wat twijfelachtig tegenover. Zij dacht: zestien jaar... dat is misschien wat vroeg. Maar als jong gastje denk je maar een ding: voetballen. Ik ben dan niet het type dat moeite heeft met zo'n keuze. En echt wennen hoefde ik daar niet. Na mijn tijd op het internaat was Papendal ( sportcentrum waar jeugdspelers van Vitesse verblijven, nvdr) een hotel voor mij. Ik had ook geluk dat ik een supergoede kamergenoot had in Tim De Meersman. Wij waren vrij gefocust op voetbal. En uitgaan... dat deden we niet.' De afstand tot het thuisfront was wel groot: 250 kilometer. 'Ik miste mijn familie. En hoe meer ik naar huis belde, hoe moeilijker het was. Soms was het beter ze niet te horen en te weten: dit is nu nodig voor het voetbal, het gaat wel voorbij. Mijn ouders kwamen ook elk weekend naar Arnhem voor de wedstrijd. En dan reden we met de Belgische jongens, Tim en Onur Kaya, met mijn ouders mee terug. Mijn vader bracht ons dan op zondagavond weer naar Arnhem en reed weer alleen naar Oedelem. Achteraf denk ik: die heeft toch veel gedaan voor ons. Op het moment zelf ben je bezig met het voetbal en denk je niet aan wat je ouders allemaal doen. Je eigen leventje en je eigen carrière is het belangrijkste. Dan is het ikke, ikke, ikke. Nu denk ik: 'Papa je bent gek. Laat mij dan gewoon in Nederland slapen.' Maar hij wilde graag dat ik meeging naar huis.' Vlak voor Blondelle naar Arnhem vertrok, kreeg hij een relatie met zijn vrouw Reinhilde. De twee kennen elkaar al vrijwel hun hele leven. 'Onze ouders en familie kennen elkaar goed. Mijn vader zat in een volksmuziekbandje en haar vader speelde lange tijd ook in een bandje. Op sommige evenementen werden die muziekgroepen samen uitgenodigd om te spelen, waardoor we elkaar zagen. In vakanties gingen we weleens bij elkaar op de barbecue. Ik zag haar op die momenten, maar we hadden niet heel veel contact. Toen ik twaalf, dertien jaar was, hebben we elkaar terug gezien, in Brugge op de Meifoor. Ik met mijn broers en zij met haar twee zussen. Sindsdien zijn wij echt een vriendengroep geworden. We gingen veel uit met elkaar en ondernamen leuke dingen. Dat was wel speciaal, dat wij zo een groepje van zes hadden, met allemaal wat speciale namen. Mijn broers heten Kobe en Wannes en haar zussen Machteld en Gudrun.' Na twee jaar ontstond er meer dan een vriendschap tussen Siebe en Reinhilde. En die andere vier? Hij lacht. 'Mijn middelste broer was ook samen met haar tweelingzus. Die relatie heeft vijf jaar geduurd. Maar bij ons was dat zo'n gevoel van... dat klikte meteen zo supergoed. Ik dacht als jongen toen ook: moet ik die stap nu al zetten? Want dit kan weleens voor de rest van mijn leven zijn. Dat voelde ik, toen al. Dat is raar op die leeftijd. Ik heb het er ook weleens met andere spelers over. Die zeggen dan: 'Serieus? Eén vriendin?' Ja, dat is mijn vrouw geworden. Dat vinden ze wel een beetje raar. We zijn nu vijftien jaar samen, de helft van ons leven.' Samen hebben ze een dochtertje van vierenhalf. Waar hun leven zich in Brugge afspeelt, woont Blondelle dus in Eupen. 'Toen ik van Vitesse naar VVV-Venlo ging, is mijn vrouw bij mij komen wonen. We hebben zeven, acht jaar samengewoond, eerst in Venlo en daarna in Herzele. Daar konden we blijven wonen toen ik bij Dender, Waasland-Beveren en in Bergen voetbalde. Het was niet de bedoeling om daar weg te gaan. We woonden net op de rand van de Vlaamse Ardennen, een heel toffe streek. Maar met de geboorte van onze dochter veranderden de zaken. Mijn ouders zaten soms langer in de auto om te komen babysitten dan dat ze bij ons waren. Om dichter bij onze families te zijn, zijn we teruggekeerd naar Brugge. Daar wonen we nu twee jaar, maar we denken er over om naar hier te verhuizen. Dit is mijn derde seizoen in Eupen. Als ik langer blijf, dan zouden we die stap durven zetten. 'Het is niet altijd even gemakkelijk. Maar ik zie hier ook jongens die hun familie twee maanden niet zien. Dus nee, ik kan niet zeggen dat die afstand begint te wegen. Het is een knop in mijn hoofd die ik omdraai. Ik weet: het is voor het voetbal. En mijn dochtertje weet dat ook. Ik merk wel nu ze ouder wordt dat ze vaker vraagt: 'Papa, wanneer blijf je nog eens een dag bij ons?' Dat maakt het soms wat moeilijker. Maar in het voetbal kan het zo snel veranderen, voor hetzelfde geld wonen wij volgend jaar weer samen in Brugge. Of hier. Ik denk niet te ver in de toekomst. Want uiteindelijk heb je het vaak niet in de hand en loopt alles anders dan je in je hoofd had.'