Johan Boskamp spiekt tussen de lamellen door naar buiten. Dan schuift de voordeur open. Het welkom in de hal is een foto van De Kuip met daaronder een immens boek: 'Feyenoord de Grootste' genaamd. Boskamp sloft erlangs, zijn keuken in. Even later overhandigt hij de fotograaf een koffie: 'Ik weet niet of-ie te zuipen is.' De fotograaf kijkt hem vragend na als hij terug de keuken in verdwijnt en die ene zin voor hem slechts een binnensmondse mompel was.
...

Johan Boskamp spiekt tussen de lamellen door naar buiten. Dan schuift de voordeur open. Het welkom in de hal is een foto van De Kuip met daaronder een immens boek: 'Feyenoord de Grootste' genaamd. Boskamp sloft erlangs, zijn keuken in. Even later overhandigt hij de fotograaf een koffie: 'Ik weet niet of-ie te zuipen is.' De fotograaf kijkt hem vragend na als hij terug de keuken in verdwijnt en die ene zin voor hem slechts een binnensmondse mompel was. Dan komt Boskamp terug, een Cola Zero in de hand. Hij draagt een polo, daaronder een korte broek en badslippers. Zijn ogen zitten nog wat dicht. Boskamp is moe. Heel moe. 'Ik heb zo verschrikkelijk veel wedstrijden gezien', zegt hij en laat zich zakken op de zetel. 'Ik heb periodes in een seizoen dat ik hier gewoon languit lig te pitten.' Nu zijn de competities voorbij en is hij al tien dagen zijn huis nauwelijks uit geweest. Hij wil televisiekijken en lezen. De tv staat afgesteld op voetbal of National Geographic. Zijn boeken gaan over de Tweede Wereldoorlog. 'Totale rust', noemt hij het. Daarvóór was hij vaak en ver van huis. Op vrijdag en zaterdag reed hij tweehonderd kilometer naar Hilversum voor de Nederlandse televisie, op zondag honderdvijftig voor zijn club Feyenoord en dan sloot hij het weekend af bij VTM waar hij in de week ook nog aanschoof voor de Champions League. 'Ik zie mezelf nooit op tv. Ik vind dat verschrikkelijk. Er zijn ook twee boeken over me geschreven. Ik heb die niet gelezen. Nee, joh. Ik ga toch geen boek over mezelf zitten lezen. Mijn kinderen? Het interesseert ze geen reet. Ik denk dat ze er strontziek van worden. Maar ik amuseer me met dat analyseren. Ik ga niet op de computer zitten en alles uit die wedstrijd halen om dat dan te vertellen op de televisie. Ik ga daar gewoon zitten en zie wel wat er gebeurt. En dan zeg ik het op mijn manier.' Hij vindt het onzin: dat 'hele wetenschappelijk gezeik', zoals hij de ontwikkeling in het voetbal noemt. 'Ik lach me kapot. Nu moet je voortaan twee paaltjes omhooghouden en dan ga je beter voetballen, schijnt. Hou toch op. Neem het Milanlab. Nou, dat was wat. De snelheid van de ogen meten ze en noem het allemaal maar op. En dan wachie, en wachie. Want er gaat wat komen. Maar wat hebben ze nog gewonnen na het Milanlab?' Boskamp spreekt die laatste woorden met nadruk uit, geeft er zo een bespottelijke zwaarte aan. 'Het gaat om het voetbal. Ik ga nog weleens trainen, komen ze met overgooiertjes aan. Van die fluohesjes. Moet ik niet hebben. 'Toen jij vroeger op straat speelde, had je toen overgooiertjes?', zeg ik dan. Nee... En je wist precies wie er bij je stond. Moest je veel sneller kijken. Voorbereiden. Heel die wetenschap maakt het zo ontzettend moeilijk. Voetbal is maar een simpel spelletje.'