Nina Derwael wijst voor zich uit, naar een langgerekt betonnen gebouw met kleine ramen. 'Daar woon ik', zegt ze, met achter haar de enorme topsporthal Vlaanderen in Gent die boven haar uit torent: de turnzaal in de achtertuin van haar internaat.
...

Nina Derwael wijst voor zich uit, naar een langgerekt betonnen gebouw met kleine ramen. 'Daar woon ik', zegt ze, met achter haar de enorme topsporthal Vlaanderen in Gent die boven haar uit torent: de turnzaal in de achtertuin van haar internaat. Ze woont er al vanaf haar elfde. Dat buiten aan een houten tafel een volwassen dame zit, is dan ook niet zo verwonderlijk. Toch blijft het opvallend. Achttien jaar is Derwael pas, en toch al tweevoudig Europees kampioene op de brug met ongelijke leggers. 'Ik ben altijd wat matuur geweest ten opzichte van leeftijdsgenoten. Maar ook als ik oudere mensen hoorde praten over hun problemen, dacht ik: zijn dat nu problemen? Ik heb bepaalde situaties altijd vrij rationeel kunnen bekijken.' Niet enkel de stap vanuit Sint-Truiden naar Gent deed haar vlug opgroeien. Als enig kind was het belangrijkste in de opvoeding dat de kleine Nina voor zichzelf leerde zorgen. 'Mijn ouders vonden het van kleins af aan belangrijk dat ik zelfstandig was en zelf kon aangeven wat ik wilde. Ze hadden het allebei druk met hun werk, ik moest mijzelf bezig houden. Maar ik kon mij niet aan een tafel zetten en beginnen te kleuren. Na vijf minuten was ik dat beu. Het liefst ging ik naar buiten: trampoline springen, rondlopen door de buurt, in onze kersenboom klimmen. Een beetje een jongen-meisje was ik wel, maar ik had even veel vriendinnetjes als vriendjes.' Het turnen speelde toen al een prominente rol. Wanneer ze op haar elfde naar Gent verhuisde om zich volledig op haar sport te richten, was dat een tweede grote verandering in korte tijd. Een jaar eerder waren haar ouders uit elkaar gegaan. 'Op dat moment had ik het moeilijk met de scheiding, maar ik denk dat mijn ouders het erger vonden dat ik naar Gent ging dan ikzelf.' Een kind van elf is nog fragiel, maar heimwee kende Derwael niet. 'Ik kon goed op mezelf zijn en ben niet gauw eenzaam. Ik ben ook sociaal ingesteld: overal waar ik ben, leer ik snel nieuwe mensen kennen. Tegen random mensen kan ik zomaar beginnen te praten.' Op het internaat vond ze gemakkelijk haar weg. 'Het was alleen even wennen, ik had mijn ouders aan het einde van de dag niet meer bij me om alles voor me te doen of bij een probleem gelijk een oplossing te geven. Ik leerde problemen zelf op te lossen en daar ook anders naar te kijken: eerst zien of ik de zaken zelf kan regelen en als ik er niet uitkom, vraag ik hulp. Dat had een impact op me. Ik werd snel zelfstandig en leerde van mijn gewoontes afstappen als iets niet lukte. Dat is belangrijk voor later, denk ik: dat je niet op een bepaalde manier moet blijven denken als dat niet blijkt te werken. Dan moet je eens om je heen durven te kijken. Dat neem ik voor de rest van mijn leven mee.' Derwael kijkt bewust naar haar eigen handelen en trekt haar mond open wanneer het moet. 'Dat mondige, dat heb ik van mijn moeder', zegt ze. Ook noemt ze zichzelf 'een regelaar': 'Ik wil graag weten wat er speelt binnen een groep en meestal ben ik ook wel van alles op de hoogte. Ik ben een leidend type, altijd geweest blijkbaar. Mijn leerkrachten van vroeger zeggen: 'We zagen toen al dat ze een karaktertje was.' Ze noemden me de chef van de kleuterklas... ( lacht) Bij een ruzie kwam ik als eerste tussenbeide om de zaken te regelen.' Nu nog treedt ze vaak op de voorgrond, omringd door een natuurlijke zelfverzekerdheid. 'Ik ben niet verlegen of teruggetrokken. Ik heb ook nooit echt last van onzekerheid gehad. Alleen bij de eerste grote wedstrijden voelde ik die. Als klein meisje liep ik de zaal in en zag al die gymnasten naar wie ik al die jaren had opgekeken. Nu stond ik ineens tegenover hen.' Haar mondige karakter verdween even ver naar de achtergrond. 'Bij de opwarming is het altijd dringen: iedereen wil zijn tijd op het toestel goed benutten, maar er is niet genoeg tijd voor iedereen. Ik stond met grote ogen naar de anderen te kijken en zei telkens: 'Ga maar, ga maar.' En wanneer ik dacht: nu is het mijn beurt, drongen meiden voor die al aan de beurt waren geweest. Ik durfde niets te zeggen. Dat heb ik ondertussen wel afgeleerd. Zeker in de aanloop naar finales moet je bij de opwarming echt voor jezelf opkomen en van je afbijten. Anders lopen ze over je heen. Ik laat mij niet meer aan de kant duwen en zeg: 'Neen, nu is het aan mij!' en ik spring die brug op en doe mijn opwarming. Anders kom je gewoon niet aan de beurt.' Dat is wel aan haar besteed, beaamt ze. Maar: 'Het is niet leuk. Ik moet een bitch zijn op die momenten. Want dat is iedereen, zeker in finales. Dus ik móét het doen en ik kán het, maar ik voel me daar toch niet altijd goed bij.' Finales: ze heeft er inmiddels al wat geturnd. Goud op het EK in 2017, brons op het WK later dat jaar en opnieuw Europees goud in 2018. Derwael werd een publiek figuur en met de prestaties kwamen ook de verwachtingen. Nu komende week het WK in Qatar wordt gehouden, is al geschreven dat Derwael met haar oefening voor goud kan gaan. 'Mijn leven is ineens heel hard veranderd en ik had het daar in het begin moeilijk mee. Lange tijd zorgden de manier waarop mensen nu naar me kijken en wat ze van me verwachten voor extra druk: ik wilde leven naar de verwachtingen van die mensen. 'Mijn trainster ( Marjorie Heuls, nvdr) heeft me daar goed bij geholpen. 'Je hebt die titel, mensen kunnen je dat niet meer afnemen', zei ze. 'Nu begint het opnieuw. Komt er nog iets bij: des te beter. Zo niet: dan heb je nog altijd wat je hebt bereikt.' Ik heb moeten leren focussen op wat ik kan en wat mijn eigen verwachtingen zijn. Veel mensen zeggen: ze gaat voor goud. Ikzelf ga anders te werk. Ik focus me op mijn oefening en op het puntentotaal waarvan ik denk dat ik dat zou moeten halen. Als dat lukt, komt vanzelf wel in beeld welke plaats daarbij hoort. Dat werkt beter voor mij: het helpt me een rust in mezelf te behouden.' Ook kan Derwael inmiddels goed omgaan met het beeld dat mensen van haar hebben. 'Vaak denken mensen me te kennen omdat ze de persoon die ze op tv zien, denken te kennen. Maar Nina de turnster is niet de Nina in het dagelijkse leven. Ik heb op trainingen en in wedstrijden een andere mentaliteit. Dan ben ik heel erg gefocust en een echte perfectionist. Zó perfectionistisch dat ik heel rap geïrriteerd kan geraken als iets niet gaat zoals ik het wil. Ik ga blijven vechten tot het lukt zoals ik het wil. Ik ben een doorzetter in de zaal, terwijl ik daarbuiten veel losser ben. Dat hoor ik ook van mensen die voor het eerst met me praten. 'Goh, ik had je toch anders voorgesteld.' De tendens is: 'Ze kan goed turnen, dus ze zal wel uit de hoogte doen en denken dat ze het is.' Ik weet echt niet waar dat vandaan komt.' Derwael vindt het niet leuk, maar ze legt het naast zich neer. Ze weet: die mensen zien niet wat ze elke dag voor haar sport doet. En dat alle dagen hetzelfde zijn. Training, school, training, eten, slapen. Het vuur dat er in Derwael zit, jaagt haar door de dagen, met dertig uur training per week. Al zeven jaar lang. 'Natuurlijk heb ik vaak geen zin, maar het is de kunst om niet toe te geven aan dat stemmetje in mijn hoofd. Ook al is het er vaak. Het zegt telkens: 'nu kan ik niet meer' en 'nu heb ik geen zin meer en laat mij gewoon stoppen' of 'laat mij in mijn bed gaan liggen'. Het helpt me om me dan te focussen op de reden waarom ik ook vandaag in die zaal sta, wat ik nog wil bereiken. Dan komt er een ander stemmetje op: 'Kom, je wilt nog zoveel bereiken, dus je moet hier door.' Tóch de zaal in gaan, tóch mijn programma doen, tóch er alles uithalen, terugkijken en zien: zelfs op slechte dagen kan ik doen wat ik moet doen. Juist dan groei ik. Al is het alleen mentaal.' De strenge tante in Derwael heeft altijd geprevaleerd boven de stem in haar hoofd die haar eens wilde doen afremmen. Een slechte training weegt dan ook altijd langer door dan een medaille. 'Er zijn genoeg dagen geweest dat ik na een slechte training half wenend terugkwam op het internaat. Op school ook. Mijn klasgenoten konden direct zien hoe mijn training van die ochtend was geweest en zeiden tegen elkaar: 'Oei, haar gezicht staat op onweer.' Dan wisten ze dat ze niet op mijn tenen moesten trappen, dan kon het weleens ontploffen. Zij hielden daar rekening mee en kregen mij aan het einde van het lesuur zelfs opnieuw aan het lachen. Dat zijn mooie dingen, ook al zijn ze maar zo klein. Als ik niet zou topsporten, zou ik eraan voorbij gaan, maar ik ben mij er juist heel erg van bewust. Dat wil ik ook. Want ik wil zorgen dat ik al die kleine dingen niet kwijtraak. Omdat ze zo groot zijn.'