Over Ronaldo

Cristiano Ronaldo kwam voor de start van het seizoen 2003/04 en ik mocht die jongen meteen. Hij had iets sympathieks over zich en een goede houding. Waar ik het meest van onder de indruk was, was dat hem de mogelijkheid was geboden om nog een jaar op huurbasis in Lissabon te blijven, maar hij zei neen. Hij was direct naar Manchester gekomen. Ik vond het een goede, moedige beslissing, want hij was nog maar zeventien. Na de eerste paar dagen dat ik hem had zien meetrainen, was mijn reactie: deze jongen wordt een van de grootste spelers ter wereld. Ik zei het niet hardop, omdat ik er altijd voor waakte een speler te vroeg op te hemelen of af te branden.
...

Cristiano Ronaldo kwam voor de start van het seizoen 2003/04 en ik mocht die jongen meteen. Hij had iets sympathieks over zich en een goede houding. Waar ik het meest van onder de indruk was, was dat hem de mogelijkheid was geboden om nog een jaar op huurbasis in Lissabon te blijven, maar hij zei neen. Hij was direct naar Manchester gekomen. Ik vond het een goede, moedige beslissing, want hij was nog maar zeventien. Na de eerste paar dagen dat ik hem had zien meetrainen, was mijn reactie: deze jongen wordt een van de grootste spelers ter wereld. Ik zei het niet hardop, omdat ik er altijd voor waakte een speler te vroeg op te hemelen of af te branden. Hij zag eruit als een voetballer. Je moet er het uiterlijk voor hebben en dat had hij. Zinédine Zidane oogde als een voetballer en Ronaldo oogde als een voetballer. De vorm, de lichaamstaal, een beetje arrogantie ook. Maar hij straalde iets aardigs uit, hij had iets heel innemends. We vergeten dat toen hij voor het eerst zijn opwachting maakte, hij veel kritiek te verduren kreeg. Hij ging te snel naar het gras als hij werd getackeld, zijn rendement was onvoldoende. Maar, nogmaals: hij was pas zeventien. Op die leeftijd speelde ik bij de jeugd voor Rockmount. Hij was ongelofelijk. Hij was direct een van de hardst werkende spelers bij United. Hij zag er goed uit en was zich daarvan bewust ook. In die zin was hij ijdel, voor de spiegel. Hij was een grote knaap, fysiek sterk. Staat je goed, dacht ik altijd. Keek ik naar andere jongens die voor de spiegel stonden, dan dacht ik: jij verdomde idioot. Maar Ronaldo had iets onschuldigs en aardigs over zich. Ik denk niet dat hij zich meer druk maakte om de spiegel dan om zijn spel. Ik heb altijd de indruk gehad dat voetbal zijn liefde was. Hij krijgt nog steeds de kritiek dat hij zich bij een tackle te gemakkelijk laat vallen en hij werd afgekraakt toen hij knipoogde nadat Wayne Rooney bij het WK van 2006 tijdens Engeland-Portugal met rood van het veld moest. Maar dat hoort bij het voetbal. Het zit gewoon in de buitenlandse spelers, in hun spel: een vrije schop versieren, een tegenstander een rode kaart aannaaien. Als ze vlak bij het strafschopgebied worden getackeld, gaan ze naar het gras. Iedereen is dol op de Gazza-verhalen, de tragedies, maar het is geweldig om een speler te zien die zijn mogelijkheden waarmaakt. Ronaldo had veel critici, maar volgens mij werden de mensen gewoon moe van al dat gehak op hem en gaven ze toe dat hij wel wat krediet verdiende. Je kunt het als pech beschouwen dat hij in dezelfde periode voetbalt als Lionel Messi, maar Messi heeft hem wel een doel gegeven: beter worden dan hij. Jongere spelers brengen een andere energie, ze kennen geen angst. Ze proberen dingen uit. Aan het begin van het seizoen 2003/04 was ik 32, maar het was nog niet alsof ik 38 was. Ik had niet het gevoel dat ik aan de kant werd geschoven. Ik was niet bang, voelde me niet bedreigd. Er was gewoon dat besef: zo is de sport. Je wordt 32 en je komt aan de rand van de klif. Een sportpsycholoog die een keer naar United kwam, zei dat de neergang geleidelijk kon gaan of boem, je valt van de klif. Je hoopt gewoon dat het geleidelijk zal gaan. Bij United ging het met mij op een leuke manier bergafwaarts. Ik speelde nog. Ik deed het prima, zette mezelf nog niet voor schut. Maar ik domineerde wedstrijden niet meer zoals vroeger. Ik had altijd een beetje blasé gedaan over de rol van een aanvoerder. Ik had vaak gezegd dat het alleen maar draaide om de toss. Ik wilde er niet meer van maken dan dat. Maar toen ik wat ouder was, besefte ik dat er veel meer bij komt kijken (zie kader). De rol van de aanvoerder is niet alleen belangrijk, maar zelfs onmisbaar. En het is niet alleen een Engelse traditie. Kijk naar de grote aanvoerders in Italië en Spanje - Paolo Maldini, Dino Zoff, JavierZanetti, Raúl, Carles Puyol. Het zijn inspirerende leiders. Bryan Robson, Steve Bruce, Eric Cantona: fantastische aanvoerders met wie ik heb gespeeld. Ieder van hen voerde zijn team op zijn eigen manier aan. Robbo leidde de ploeg bijvoorbeeld in de zin dat hij fysiek veeleisend was, ook op training. Hij was een heel aardige vent en hield van een borrel. Brucie was heel vriendelijk en geweldig met de gezinnen. Hij had altijd iets aardigs over zich, had altijd tijd voor je. Hij was goed met kaartjes voor de wedstrijd, als je er voor familie of vrienden een paar extra nodig had. Het was bijna een politieke functie. Brucie ging daar heel goed mee om en heeft dat meegenomen naar zijn trainerschap. Cantona voerde zijn ploeg aan met zijn persoonlijkheid, zijn charisma. Een aanvoerder hoeft geen grote bek te hebben. Eric zei zelden iets. In mijn vroege jaren bij United hadden ze een spelerspot waar ieder van ons aan het einde van het seizoen ongeveer 800 pond (1100 euro, nvdr) uit kreeg. Dat was voor het werk dat we hadden gedaan voor de clubbladen, de clubvideo's. Dit was nog voordat alles in de spelerscontracten werd vastgelegd. We verdienden allemaal behoorlijk, en 800 pond, daar viel niemand zich een buil aan. Toen we een keer in de kleedkamer zaten, besloten we alle cheques in een pet te stoppen en ze er één voor één weer uit te trekken. Degene wiens naam op de laatste cheque stond, mocht alle cheques houden. Om niet af te gaan deed iedereen zijn cheque in de pet, op een paar van de jongere spelers na - ik geloof dat het David Beckham en Gary en Phil Neville waren. Die deden niet mee. Ze waren nieuwkomers en konden het geld nog niet missen. Maar Paul Scholes en Nicky Butt stopten hun cheque erin. Iedereen zweten natuurlijk, ik zelf ook, ik zag dat soort bedragen altijd in termen van de hoeveelheid pints die ik ermee zou kunnen kopen. Ik denk dat ik de op twee na laatste naam was, maar de laatste cheque die uit de pet kwam, was Eric Cantona. Hij had ongeveer 16.000 pond (22.000 euro, nvdr) gewonnen. De volgende dag kwam hij binnen. Er werd heel wat gedold. "Eric, vuile mazzelaar." "Geld trekt geld aan, verdomme." Hij had iemand van de club geregeld om de cheques te verzilveren. Hij had het geld in tweeën gedeeld en gaf het aan Scholesy en Nicky omdat, zo zei hij, die twee de ballen hadden gehad om mee te doen terwijl ze het zich eigenlijk niet konden permitteren. Die twee jongens gingen ieder met acht mille naar huis, wat me zelfs nog meer ergerde. Maar ik dacht alleen: wat een gebaar! Dat zou verder niemand anders hebben gedaan. Toen ik bij Nottingham Forest (van 1990 tot 1993, nvdr) speelde, was Stuart Pearce daar aanvoerder en dat deed hij echt grandioos. Ik hield van zijn manier van spelen en trainen, in die tijd leidde hij ook de Engelse ploeg. Als het aankomt op mensen die als aanvoerder een voorbeeldfunctie hadden, heb ik geboft. Stuart verdedigde me een paar keer. Ik had een keer problemen met mijn contract bij Forest en kreeg een hoop kritiek over me heen. Brian Clough (de toenmalige coach, nvdr) had gezegd dat ik me inhalig opstelde. Hij probeerde me via de media onder druk te zetten in de hoop dat ik een nieuw contract zou tekenen. In de kleedkamer maakten een paar spelers daar opmerkingen over. Ik herinner me dat Pearcie zei: "Luister, jongens, zijn jullie allemaal tevreden met jullie overeenkomst?" "Ja", zei iedereen. "Laat hem dan godverdomme met rust." Woede heeft altijd deel uitgemaakt van mijn karakter. Ik zie het niet als iets slechts. Mijn reputatie is altijd geweest: hij is nukkig. Toen ik nog speler was, gedroeg ik me daar vermoedelijk ook naar. Maar veel van mijn rode kaarten waren te wijten aan frustratie, niet aan woede. Dat is een groot verschil. Ik kan me niet herinneren ooit van het veld te zijn gestuurd als we 3-0 voor stonden. De keren dat ik kwaad ben geweest, was als ik mezelf verdedigde. De man daarboven heeft me op een bepaalde manier gemaakt, waardoor ik voorzien ben van een zekere vorm van energie, van zelfverdediging. Ik zie mijn woede als een nuttig middel. Als ik mijn woede uit, laat ik iets vrij. Ik beheers het nu beter dan in het verleden. Het is een familietrekje, dat ik zonder enige twijfel van mijn vader heb, dat zie je zo: geen geduld, weinig verdraagzaam. Het is waarschijnlijk een van mijn vele tegenstrijdigheden: ik word niet zo kwaad als mensen wel eens denken. Maar het helpt me. Zodra ik een ruimte binnenloop, weet ik dat mensen ongerust zijn - dat weet ik gewoon. Ze verwachten een soort gewelddadige skinhead. Dus ik heb de goede gewoonte mensen teleur te stellen. Ik denk dat ik mensen vrij goed bejegen. Ik heb vrienden die ik al dertig jaar ken. Als ik een ongeduldige agressieveling was, denk ik dat ze wel uit mijn buurt zouden blijven. Iemand zei een keer tegen me - het voert terug naar de tijd dat ik veel dronk - dat met mij uitgaan was alsof hij met een tijdbom op stap ging. Die reputatie houdt mensen waarschijnlijk bij me uit de buurt, en dat komt me vaak wel uit, maar ik zeg niet dat het goed is. Woede is dus een nuttige karaktertrek. Maar als ik in een hoek word gedreven, beroepsmatig of privé, en ik mijn zelfbeheersing verlies - ook al heb ik gelijk, dat doet er niet toe - dan weet ik diep vanbinnen dat ik de verliezer zal zijn. Als ik tegen iemand tekeerga, zelfs wanneer ik het recht aan mijn kant kan hebben, klinkt er een stemmetje in mijn hoofd: 'Hier ga je voor boeten.' Dat is de zelfvernietigingsknop. In de tijd van mijn drankmisbruik was ik meestal een paar dagen zoek. Ik denk dat het mijn manier was om mezelf even uit te schakelen, zonder acht te slaan op de gevolgen. Het was zelfvernietigend, dat zie ik wel in, maar ik word er nog steeds door aangetrokken. Niet de drank, maar dat beetje gekheid, het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel. Ik zou mezelf echter nooit toestaan om werkelijk zelfvernietigend te zijn. Ik wil mijn trots hebben en ik houd van mooie dingen in mijn leven. Ik wil niet de zoveelste gevallen ex-ster zijn. Ik ben tamelijk goed in het 'in de dag' leven. Echt, wat ik cool vind, is een goede nachtrust en mensen om me heen hebben die me dierbaar zijn. Er is een verschil tussen woede en razernij. Bij woede - de keren dat ik kwaad ben geweest - kan iemand die bij me is, of zelfs ikzelf, het omkeren. Er is een weg terug: als ik kwaad was, kon ik mezelf weer terugtrekken. Maar bij razernij ging ik voorbij dat punt, het gaat verder dan woede. Het komt zelden voor, vooral nu ik niet meer voetbal. En ik twijfel of ik op het veld ooit pure razernij heb gevoeld. Alle keren dat ik eraf werd gestuurd, ging het om frustratie of een beheerste woede. Razernij is niet te beheersen. Goed is het niet, vooral de nasleep ervan niet. Je valt, en dat kan heel diep zijn. DOOR DE REDACTIE"Ik mocht Cristiano Ronaldo meteen. Hij had iets sympathieks over zich en een goede houding." "Mijn reputatie is altijd geweest: hij is nukkig. Toen ik nog speler was, gedroeg ik me daar vermoedelijk ook naar."