Het centrum van Brugge ademt altijd weer rust en schoonheid uit, stelt Wilfried Meert nog maar eens vast wanneer hij aanschuift in het mooie en gerenommeerde restaurant Patrick Devos middenin de stad. Twintig jaar is het alweer geleden dat hij hier zijn intrek nam. 'Ik heb heel de wereld gezien, maar ik kan me geen vijf steden voorstellen waar het zo mooi is om te wonen en waar je zo veel verschillende faciliteiten op niveau hebt.'

Meert, afkomstig uit het Brabantse Ternat, is de man die de Memorial Van Damme groot heeft gemaakt, een topevenement dat hij nog altijd mee stuurt, maar waarvan hij de leiding inmiddels heeft overgedragen aan Cédric Van Branteghem, ex-atleet met olympische ervaring. Weinigen herinneren zich nog dat hij voordien een lange carrière in de journalistiek beleefde bij Het Laatste Nieuws en Sport 70 en Sport 80, dat in 1986 zou samengaan met Sportmagazine. Voor hij zich vastbeet in atletiek coverde Meert zowat alle sporten. Hij volgde negen keer de Tour en drie keer de Giro. Ook de Belgische voetbalstadions kende hij van binnen en buiten, terwijl hij één van de pioniers was die in Vlaanderen de volleybalverslaggeving mee op de kaart zette: ' Het Laatste Nieuws had al iemand voor basket, zo kreeg ik het volleybal, een jonge, maar snel groeiende sport. Ik maakte daar toenmalig hoofdredacteur Louis Clicteur attent op, en hij zei: 'Begin daar maar een rubriek mee.' Zo trok ik in de weekenden door Vlaanderen, de ene avond in een zaal in Kortrijk, de andere in Genk of Maaseik.'

Ik hou van figuren die hun sport ontstijgen. Als Carl Lewis binnenkomt, vult hij meteen de kamer.' Wilfried Meert

Wat frappeert je het meest als je de sport van nu vergelijkt met de sportwereld waar je als jonge reporter meer dan 40 jaar geleden in stapte?

Wilfried Meert: 'Het amateurisme is er bij de meeste sporten uit. De begeleiding is vandaag top, over bijna heel de wereld. Langs de andere kant is de toegankelijkheid voor een groot stuk verdwenen. Vandaag lees je in elke krant hetzelfde interview van dezelfde spelers. Wij belden de sporters nog rechtstreeks op en werden vaak al 's anderdaags bij hen thuis ontvangen. Na om het even welke eersteklassewedstrijd ging je in de kleedkamer onder de douche met de naakte spelers praten. Iedereen was aanspreekbaar. In de Tour zocht je Eddy Merckx na elke rit in zijn hotelkamer op. Toen Rudy Pevenage eerst geel en later groen droeg in de Tour, was ik elke dag op zijn kamer om een stuk te maken. Ik heb de laatste Tour met een Belgische winnaar, Lucien Van Impe, en de laatste Giro met een Belgische winnaar gevolgd. Johan De Muynck was blij dat hij tussen al die Italianen eens met een Vlaming kon praten. Tijdens de wedstrijd reed je tussen de renners, je volgde Merckx terwijl hij een col op zwoegde. Nu rij je van de start via de snelweg naar de perszaal bij de aankomst.'

Ivo Van Damme, INGE KINNET
Ivo Van Damme © INGE KINNET

Guide Michelin

Weinig mensen weten dat je naast atletiek nog tal van andere sporten hebt gecoverd.

Meert: 'Wij werden in die tijd in alle sporten opgeleid. Ik heb ooit verslag gedaan van een hockeywedstrijd terwijl ik de spelregels niet eens kende. Ik volgde ook het voetbal en de eerste keer dat ik naar de Tour ging, belde men me twee dagen van te voren op: één van de verslaggevers was uitgevallen; of ik hem kon vervangen, drie weken lang? En of ik dan meteen even met mijn vrouw kon overleggen en binnen een kwartier kon terugbellen? Twee dagen later zat ik in een auto met chauffeur en twee collega's op weg naar Frankrijk. De chef greep in het handschoenenkastje, haalde er de Guide Michelin uit en zei: 'Eens zien waar we vanavond in Rijsel lekker kunnen eten.' Die avond zat ik voor het eerst in mijn leven in een chique restaurant en at ik voor het eerst oesters. Maar 's avonds was er op de gang maar één toilet voor alle kamers van die verdieping.'

Wat was als kind je favoriete sport?

Meert: 'Toch atletiek. Ik bewonderde Gaston Roelants die op de Olympische Spelen van 1968 in Tokio een medaille won. Maar ik ging ook met mijn vader, die een grote fan was van Jef Mermans, naar Anderlecht kijken, dicht bij ons thuis.'

Je stapte na je journalistieke loopbaan over naar de andere kant, eerst bij de atletiekbond, later naar de organisatie van de Memorial. Heeft die overstap je anders tegen de sport doen aankijken?

Meert: 'Het is toch een stuk rustiger aan de andere kant. In de journalistiek leefde je van deadline naar deadline, er was constant de druk om niets te missen. Ik ben wel blij dat ik nog de goeie periode heb meegemaakt. Het is nu moeilijker om aan een goed verhaal te geraken. Anderzijds moest je toen overal je zware schrijfmachine meesleuren en je verhaal in de perszaal van de Tour de France afgeven aan de vrouwen die blind konden typen. Zij verstuurden mijn tekst dan met de telex tussen de Franse, Italiaanse, Spaanse en Engelse teksten door.

Waarom ben je van kamp veranderd?

Meert: 'Door een samenloop van omstandigheden. Tijdens mijn laatste Tour in 1987 werd ik de laatste nacht in Parijs plots wakker met hartkloppingen en begon ik hevig te zweten. Ze hebben me toen met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Die arts raadde me aan om toch eens na te denken over hoe ik leefde. Kort daarop belde een collega me om te zeggen dat de secretaris-generaal van de atletiekbond na 40 jaar met pensioen ging: of dat niets voor mij was, met mijn contacten in het atletiekwereldje. Ik bedacht dat die functie gemakkelijker te combineren zou zijn met de organisatie van de Memorial, waar ik toen al mee bezig was. Zo kwam er een eind aan 24 mooie jaren, nadat ik in 1967 als regionaal correspondent was begonnen bij Het Laatste Nieuws. '

Carl Lewis, INGE KINNET
Carl Lewis © INGE KINNET

Een stempel

Zonder de Memorial was je misschien doorgegaan.

Meert: 'Wanneer de Memorial was geweest wat we eerst in gedachten hadden - een eenmalige hommage aan een verongelukt topatleet - dan had ik niet elke avond in de perszaal na mijn gewone werk nog eens uren aan de telefoon moeten hangen. Maar de mensen en de atleten vonden het zo'n fijne gebeurtenis dat ze vroegen om er nog één te organiseren. En daarna nog één, tot vandaag.'

Hoe heb je Ivo Van Damme leren kennen?

Meert: 'Zijn trainer, Mon Vanden Eynde, had me hem getipt. Die zei me: 'Ik heb een opvolger voor Miel Puttemans gevonden. Een jongen die tot zijn achttiende voetbalde bij Racing White uit Woluwe, maar omdat hij het beu was om altijd maar trappen te krijgen is hij overgeschakeld op atletiek. Nog nooit heb ik zo'n talent gezien, met zo'n persoonlijkheid. Je moet hem eens interviewen.' Het was Ivo's eerste interview, op de hoek van de Brusselse Jacqmainlaan, waar Het Laatste Nieuws toen gevestigd zat. Het klikte tussen ons, ook omdat ze bij Ivo thuis die krant lazen. Hij vroeg me meteen waarom wij niets voor de atletiek deden. Tot een mooie avond in juni 1976, toen we met zeven Belgische atletiekverslaggevers op een terras in Rome zaten, naast het atletenhotel. Ivo kwam bij ons zitten en vroeg opnieuw wanneer wij eens iets gingen doen. 'Als jij straks goed loopt op de Spelen in Montreal', zeiden we, en we dachten er vanaf te zijn. Behaalt hij daar, op zijn allereerste Spelen, toch twee zilveren medailles? Toen heb ik mijn collega's gezegd: we moeten onze belofte houden. In oktober zijn we samengekomen, met de afspraak om het jaar daarop een meeting te organiseren. Kort nadien is Ivo op trainingsstage verongelukt. We zijn vervolgens naar de federatie gestapt, maar die zag ons idee niet zitten, waarop we zelf een vzw hebben opgericht: De Vrienden van de Atletiek, allemaal journalisten, met nul verstand van organisatie. Eén van ons, een advocaat, heeft de statuten opgemaakt. We wilden er absoluut de twee man bij die Ivo geklopt hadden: John Walker en Alberto Juantorena. Die eerste zegde meteen toe, al moest hij daar een andere meeting voor annuleren, en hij beloofde voor een nieuw wereldrecord te gaan. Op de telex naar de Cubaanse federatie die Juantorena's belangen behartigde, kwam pas laat antwoord. 'Dit jaar lukt het niet meer, maar als jullie het volgend jaar opnieuw doen, komt Alberto zeker.'

Die eerste meeting werd een memorabele avond.

Meert: 'We hadden gehoopt op 15.000 aanwezigen en de collega's lachten daar om: er zou geen 10.000 man opdagen. Uiteindelijk hadden we tickets tekort en moesten we de aanwezigen een stempel geven. Met 45.000 zat het stadion vol. Walker miste zijn wereldrecord op een halve seconde en viel later Ivo's vader, die hem zijn medaille gaf, wenend in de armen.'

Ivo Van Damme

Wat is je van Ivo Van Damme het meest bijgebleven?

Meert: 'Zijn on-Vlaamse mentaliteit. Vandaag zijn Remco Evenepoel, Wout van Aert en de Belgian Cats ambitieus en zij komen daar ook voor uit. Destijds was elke Belg blij dat hij naar de Spelen mocht, met alle gevolgen van dien: vaak waren ze er al uit in de reeksen. Ivo zei: 'Ik ga voor de finale, en eenmaal daar kan alles.' Hij was de enige in de Belgische delegatie die zo durfde te praten. Omdat zijn vader eerst rijkswachtcommandant was geweest in Namen was Ivo perfect tweetalig, waardoor hij meteen in beide landsdelen aansloeg. Hij praatte vlot en zei verstandige zaken.'

Lance Armstrong, INGE KINNET
Lance Armstrong © INGE KINNET

Na zijn overlijden viel de Belgische atletiek in een gat.

Meert: 'Ook daarna hadden we nog goeie atleten, maar geen winnaars. Er was altijd talent, maar niet de cultuur zoals in Oost-Europa en de VS, waar talenten een beurs kregen aan de universiteit. België heeft altijd eenzaten gehad: Gaston Reiff, Puttemans, Roelants, later Eddy Annys, William Van Dijck, Ronald Desruelles en Fons Brydenbach. Er zijn hier geen middelen, er is geen instituut want dat werkt hier niet. Een Belg wil 's avonds thuis zijn. Een talent uit Perpignan verhuist naar Parijs op internaat, maar waarom zou je in Leuven blijven slapen als je op een uur thuis bent in Gent? Dan krijg je het verhaal van kleine groepjes: met Rudi Diels in Leuven rond Kim Gevaert, met Jacques Borlée in Brussel. Als de coach stopt, is het afgelopen. Rond een voetbalcoach of basketcoach hangt glamour en geld. Atletiek is eenzaam en niet betaald. Vind maar een trainer die op zijn 60e in de winter in het bos staat te rillen en zijn atleten twee keer ziet passeren zonder een euro te verdienen. En als je al een goeie coach vindt: waar moet je dan van leven, in afwachting dat je de absolute top bereikt?'

Het grote verschil met 40 jaar geleden? Het amateurisme is er bij de meeste sporten uit.' Wilfried Meert

In het voetbal gaan ze wel naar een internaat, en dromen ze al jong van geld.

Meert: 'Weet je wat het grote nadeel van atletiek tegenover voetbal, basket of hockey is? Atletiek speel je niet, je beoefent het. De jongeren van tegenwoordig moeten kunnen spelen. Atletiek is geen spel, evenmin als zwemmen. Op zeker moment kom je aan je plafond, en dan haken de meesten af. Niet iedereen kan Kim Gevaert worden. Alleen de top gaat door. Want er is ook niets mee te verdienen. Welke uitdaging heb je nog, als je merkt dat je geen top wordt? In andere sporten is dat anders. Iedere jongere droomt er van Messi of Hazard te worden. Lukt dat niet, dan kan hij nog prof of semi-prof worden. En als ook dat te hoog gegrepen is, kan hij in provinciale gaan sjotten, of op zaterdagmiddag met de vrienden. Elke voetballer kan, op welk niveau ook, iedere week zijn hobby uitoefenen. Een hoogspringer die niet over twee meter geraakt, gaat in het weekend niet lekker een aantal keer 1,70 meter springen. Je gaat niet voor je plezier in je eentje wat hordelopen. Atletiek kun je niet beoefenen op lager niveau. Je kunt alleen gaan joggen.'

Usain Bolt, INGE KINNET
Usain Bolt © INGE KINNET

Doping

Welke persoonlijkheden zijn je in die 40 jaar het meest bijgebleven en waarom?

Meert: 'Ik hou van figuren die hun sport ontstijgen. Topsport en charisma gaan niet altijd samen, maar bijvoorbeeld bij Carl Lewis wel. Wanneer die binnenkomt, vult hij meteen de kamer, net als de Oekraïense polsstokspringer Sergej Boebka, Sebastian Coe, Tourbaas Félix Lévitan en Raoul Mollet die het BOIC gemoderniseerd heeft. Alleen is zo'n Lewis in het begin nog gemakkelijk bereikbaar, maar eens er succes is, werpen ze barrières op. Carl vroeg me op een dag: 'Wilfried, mag ik alstublieft op mijn kamer eten? In de eetzaal kom ik niet aan eten toe; iedereen wil iets van me.' Usain Bolt: net hetzelfde. In het begin vinden ze die aandacht interessant, maar de 27e selfie van die dag is al minder leuk. Bolts manager zei me eens dat hij per dag gemiddeld 30 aanvragen kreeg voor een interview, vanuit de hele wereld. Als hij op die aanvragen ingaat, kan hij geen atleet meer zijn. Dus zegt die manager: stop. Want Jamaicanen amuseren zich graag, je moet die bijna beschermen tegen zichzelf. Veel van het karakter van atleten wordt bepaald door de omgeving. Natuurlijk zijn Scandinaviërs zoals Lasse Virén meer gesloten; het is daar zes maanden per jaar donker, waarop ze zich terugtrekken in huis.'

Lasse Virén kwam later in opspraak door bloeddoping. Heeft zo'n man voor jou dan afgedaan?

Meert: 'Ik voel me niet zo snel bedrogen. Er waren periodes dat iedereen experimenteerde. Kijk eens naar die oude zwart-wit foto's uit de jaren vijftig of zestig toen ze met schuim op hun mond over de streep kwamen: niets werd daar over gezegd. Nu is er bijna een zero tolerance - ik vind dat we mensen vaak te snel aan het kruis nagelen. Denk je dat die jonge atleten destijds in de Sovjet-Unie veel keus hadden, dat ze wisten dat ze geen vitamines, maar hormonen slikten toen men hen zei: 'Elke dag een pilletje nemen, vandaag blauw, morgen groen.' Veel atleten zijn van arme komaf en kunnen met hun talent eindelijk wat geld verdienen - voor zichzelf, voor hun familie, voor hun entourage. Als vervolgens iemand zegt: 'Je moet dit eens nemen', dan doen ze dat.

Tia Hellebaut, INGE KINNET
Tia Hellebaut © INGE KINNET

'Ik probeer altijd rekening te houden met de context. Veel atleten hebben een blind vertrouwen in hun entourage. Sport is veel vertrouwen hebben, daar boven, in je hoofd. Als je elke dag piekerend naar huis rijdt, kun je toch niet presteren? Dus traint elke atleet keihard en denkt: 'Ik doe wat mijn trainer en medisch begeleider me zeggen.' Zonder blind vertrouwen kun je nooit aan de top presteren.'

Is Ben Johnson, omwille van zijn dopinggebruik de antiheld van de OS van 1988 voor jou nog een topatleet of eerder een bedrieger?

Meert: 'Een domme topatleet. Ben Johnson stotterde in zijn jeugd, was een kind uit een arm gezin dat van Jamaica naar Canada geëmigreerd was en iemand die met zijn talent alles kon krijgen wat hij en zijn familie daarvoor niet hadden. Daar heb ik meer begrip voor dan voor Lance Armstrong die al veel heeft verdiend en vervolgens een systeem gaat uitdokteren om iedereen te slim af te zijn om nog meer te verdienen.'

Zijn de Olympische Spelen nog altijd je ultieme uren van bewondering?

Meert: 'Ja. Hoger kun je niet mikken. Alles wat schaars is, is top. Kampioen kun je elk jaar worden, olympisch kampioen maar één keer om de vier jaar. Voor veel atleten met een korte carrière is dat a once-in-a-lifetime opportunity: alles of niets.'

Wat zijn jouw emotionele momenten tijdens de Spelen?

Meert: 'De gouden medaille in het hoogspringen van Tia Hellebaut op de Spelen van 2008 in Peking. Dat ze een medaille kon halen, wisten we, maar iedereen was ervan overtuigd dat Blanka Vlasic nog net iets hoger zou springen. Niet, dus. Ook onze 4x100-metervrouwen in Peking zorgden voor een straf moment, net als de vier gouden medailles van Carl Lewis op de OS in Los Angeles in 1984. Ik heb Carl goed gekend, en zijn ouders ook. Heel fijne mensen.'

Is de verwondering gebleven na al die decennia als reporter en organisator?

Meert: 'Ja. Ik kan nog altijd immens van topsport genieten zonder te denken: zou dit wel clean zijn? Zoals die 6,18 meter onlangs van de Amerikaans-Zweedse polsstokspringer Armand Duplantis: fantastisch toch? Remco Evenepoel heb ik mateloos bewonderd eind vorig jaar toen hij in San Sebastián van iedereen wegreed. Op zo'n moment denk ik niet: klopt dit wel? Ik weiger op zo'n moment zulke vragen te stellen.'

Wilfried Meert: 'Veel atleten hebben een blind vertrouwen in hun entourage. Zonder dat kun je nooit aan de top presteren.', INGE KINNET
Wilfried Meert: 'Veel atleten hebben een blind vertrouwen in hun entourage. Zonder dat kun je nooit aan de top presteren.' © INGE KINNET

'Atletiek doet al 20 jaar aan gelijke verloning voor mannen en vrouwen'

Wilfried Meert: 'De atletiek doet al bijna 20 jaar aan gelijke verloning. Sinds de oprichting van de Golden League is het prijzengeld voor mannen en vrouwen hetzelfde. Alleen het startgeld verschilt, dat hangt ook af van het charisma. Ik heb jarenlang Merlene Ottey, Jelena Isinbajeva of Jackie Joyner veel meer startgeld betaald dan veel mannelijke lopers omdat zij topresultaten garandeerden, charisma hadden en volk naar het stadion lokten.

'Moeten de Belgische voetbalsters, die net de kans gekregen hebben om in deftige omstandigheden te werken, nu al evenveel betaald worden als hun mannelijke collega's die volle stadions trekken en voor veel tv-inkomsten zorgen? Op dit moment nog niet, zou ik zeggen. In sommige Arabische landen kunnen vrouwen maar beperkt sporten en voor Afrikaanse vrouwen die op hun veertiende al zwanger zijn, is een topsportcarrière al geen optie meer. Het criterium voor mij is: top zijn in je sport. Drie jaar geleden speelden de Belgian Cats voor 40 man, nu drie dagen naeen voor 4500 toeschouwers. Die meisjes gaan basketten in Rusland, Amerika, Turkije. Welke vader liet zijn dochter 20 jaar geleden naar Jekaterinenburg gaan? Vandaag is topsport veel mondialer geworden, er zijn veel meer kansen voor iedereen. Meisjes kregen die kans vroeger vaak niet. De eerste olympische medaillewinnares van een Arabisch land, de Marokkaanse 400 meter loopster Nawal El Moutawakel, werd na haar zege op de OS van 1984 in haar eigen land uitgescholden. Een vrouw die in Los Angeles in korte broek durfde te lopen? Ongehoord, vond men dat toen.'

Sebastian Coe heeft het wereldrecord op de mijl aangescherpt tijdens de Memorial Van Damme in 1981. Hij wordt geflankeerd door Wilfried Meert (rechts) en Gaston Roelants., INGE KINNET
Sebastian Coe heeft het wereldrecord op de mijl aangescherpt tijdens de Memorial Van Damme in 1981. Hij wordt geflankeerd door Wilfried Meert (rechts) en Gaston Roelants. © INGE KINNET
Het centrum van Brugge ademt altijd weer rust en schoonheid uit, stelt Wilfried Meert nog maar eens vast wanneer hij aanschuift in het mooie en gerenommeerde restaurant Patrick Devos middenin de stad. Twintig jaar is het alweer geleden dat hij hier zijn intrek nam. 'Ik heb heel de wereld gezien, maar ik kan me geen vijf steden voorstellen waar het zo mooi is om te wonen en waar je zo veel verschillende faciliteiten op niveau hebt.' Meert, afkomstig uit het Brabantse Ternat, is de man die de Memorial Van Damme groot heeft gemaakt, een topevenement dat hij nog altijd mee stuurt, maar waarvan hij de leiding inmiddels heeft overgedragen aan Cédric Van Branteghem, ex-atleet met olympische ervaring. Weinigen herinneren zich nog dat hij voordien een lange carrière in de journalistiek beleefde bij Het Laatste Nieuws en Sport 70 en Sport 80, dat in 1986 zou samengaan met Sportmagazine. Voor hij zich vastbeet in atletiek coverde Meert zowat alle sporten. Hij volgde negen keer de Tour en drie keer de Giro. Ook de Belgische voetbalstadions kende hij van binnen en buiten, terwijl hij één van de pioniers was die in Vlaanderen de volleybalverslaggeving mee op de kaart zette: ' Het Laatste Nieuws had al iemand voor basket, zo kreeg ik het volleybal, een jonge, maar snel groeiende sport. Ik maakte daar toenmalig hoofdredacteur Louis Clicteur attent op, en hij zei: 'Begin daar maar een rubriek mee.' Zo trok ik in de weekenden door Vlaanderen, de ene avond in een zaal in Kortrijk, de andere in Genk of Maaseik.' Wat frappeert je het meest als je de sport van nu vergelijkt met de sportwereld waar je als jonge reporter meer dan 40 jaar geleden in stapte? Wilfried Meert: 'Het amateurisme is er bij de meeste sporten uit. De begeleiding is vandaag top, over bijna heel de wereld. Langs de andere kant is de toegankelijkheid voor een groot stuk verdwenen. Vandaag lees je in elke krant hetzelfde interview van dezelfde spelers. Wij belden de sporters nog rechtstreeks op en werden vaak al 's anderdaags bij hen thuis ontvangen. Na om het even welke eersteklassewedstrijd ging je in de kleedkamer onder de douche met de naakte spelers praten. Iedereen was aanspreekbaar. In de Tour zocht je Eddy Merckx na elke rit in zijn hotelkamer op. Toen Rudy Pevenage eerst geel en later groen droeg in de Tour, was ik elke dag op zijn kamer om een stuk te maken. Ik heb de laatste Tour met een Belgische winnaar, Lucien Van Impe, en de laatste Giro met een Belgische winnaar gevolgd. Johan De Muynck was blij dat hij tussen al die Italianen eens met een Vlaming kon praten. Tijdens de wedstrijd reed je tussen de renners, je volgde Merckx terwijl hij een col op zwoegde. Nu rij je van de start via de snelweg naar de perszaal bij de aankomst.' Weinig mensen weten dat je naast atletiek nog tal van andere sporten hebt gecoverd. Meert: 'Wij werden in die tijd in alle sporten opgeleid. Ik heb ooit verslag gedaan van een hockeywedstrijd terwijl ik de spelregels niet eens kende. Ik volgde ook het voetbal en de eerste keer dat ik naar de Tour ging, belde men me twee dagen van te voren op: één van de verslaggevers was uitgevallen; of ik hem kon vervangen, drie weken lang? En of ik dan meteen even met mijn vrouw kon overleggen en binnen een kwartier kon terugbellen? Twee dagen later zat ik in een auto met chauffeur en twee collega's op weg naar Frankrijk. De chef greep in het handschoenenkastje, haalde er de Guide Michelin uit en zei: 'Eens zien waar we vanavond in Rijsel lekker kunnen eten.' Die avond zat ik voor het eerst in mijn leven in een chique restaurant en at ik voor het eerst oesters. Maar 's avonds was er op de gang maar één toilet voor alle kamers van die verdieping.' Wat was als kind je favoriete sport? Meert: 'Toch atletiek. Ik bewonderde Gaston Roelants die op de Olympische Spelen van 1968 in Tokio een medaille won. Maar ik ging ook met mijn vader, die een grote fan was van Jef Mermans, naar Anderlecht kijken, dicht bij ons thuis.' Je stapte na je journalistieke loopbaan over naar de andere kant, eerst bij de atletiekbond, later naar de organisatie van de Memorial. Heeft die overstap je anders tegen de sport doen aankijken? Meert: 'Het is toch een stuk rustiger aan de andere kant. In de journalistiek leefde je van deadline naar deadline, er was constant de druk om niets te missen. Ik ben wel blij dat ik nog de goeie periode heb meegemaakt. Het is nu moeilijker om aan een goed verhaal te geraken. Anderzijds moest je toen overal je zware schrijfmachine meesleuren en je verhaal in de perszaal van de Tour de France afgeven aan de vrouwen die blind konden typen. Zij verstuurden mijn tekst dan met de telex tussen de Franse, Italiaanse, Spaanse en Engelse teksten door. Waarom ben je van kamp veranderd? Meert: 'Door een samenloop van omstandigheden. Tijdens mijn laatste Tour in 1987 werd ik de laatste nacht in Parijs plots wakker met hartkloppingen en begon ik hevig te zweten. Ze hebben me toen met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Die arts raadde me aan om toch eens na te denken over hoe ik leefde. Kort daarop belde een collega me om te zeggen dat de secretaris-generaal van de atletiekbond na 40 jaar met pensioen ging: of dat niets voor mij was, met mijn contacten in het atletiekwereldje. Ik bedacht dat die functie gemakkelijker te combineren zou zijn met de organisatie van de Memorial, waar ik toen al mee bezig was. Zo kwam er een eind aan 24 mooie jaren, nadat ik in 1967 als regionaal correspondent was begonnen bij Het Laatste Nieuws. ' Zonder de Memorial was je misschien doorgegaan. Meert: 'Wanneer de Memorial was geweest wat we eerst in gedachten hadden - een eenmalige hommage aan een verongelukt topatleet - dan had ik niet elke avond in de perszaal na mijn gewone werk nog eens uren aan de telefoon moeten hangen. Maar de mensen en de atleten vonden het zo'n fijne gebeurtenis dat ze vroegen om er nog één te organiseren. En daarna nog één, tot vandaag.' Hoe heb je Ivo Van Damme leren kennen? Meert: 'Zijn trainer, Mon Vanden Eynde, had me hem getipt. Die zei me: 'Ik heb een opvolger voor Miel Puttemans gevonden. Een jongen die tot zijn achttiende voetbalde bij Racing White uit Woluwe, maar omdat hij het beu was om altijd maar trappen te krijgen is hij overgeschakeld op atletiek. Nog nooit heb ik zo'n talent gezien, met zo'n persoonlijkheid. Je moet hem eens interviewen.' Het was Ivo's eerste interview, op de hoek van de Brusselse Jacqmainlaan, waar Het Laatste Nieuws toen gevestigd zat. Het klikte tussen ons, ook omdat ze bij Ivo thuis die krant lazen. Hij vroeg me meteen waarom wij niets voor de atletiek deden. Tot een mooie avond in juni 1976, toen we met zeven Belgische atletiekverslaggevers op een terras in Rome zaten, naast het atletenhotel. Ivo kwam bij ons zitten en vroeg opnieuw wanneer wij eens iets gingen doen. 'Als jij straks goed loopt op de Spelen in Montreal', zeiden we, en we dachten er vanaf te zijn. Behaalt hij daar, op zijn allereerste Spelen, toch twee zilveren medailles? Toen heb ik mijn collega's gezegd: we moeten onze belofte houden. In oktober zijn we samengekomen, met de afspraak om het jaar daarop een meeting te organiseren. Kort nadien is Ivo op trainingsstage verongelukt. We zijn vervolgens naar de federatie gestapt, maar die zag ons idee niet zitten, waarop we zelf een vzw hebben opgericht: De Vrienden van de Atletiek, allemaal journalisten, met nul verstand van organisatie. Eén van ons, een advocaat, heeft de statuten opgemaakt. We wilden er absoluut de twee man bij die Ivo geklopt hadden: John Walker en Alberto Juantorena. Die eerste zegde meteen toe, al moest hij daar een andere meeting voor annuleren, en hij beloofde voor een nieuw wereldrecord te gaan. Op de telex naar de Cubaanse federatie die Juantorena's belangen behartigde, kwam pas laat antwoord. 'Dit jaar lukt het niet meer, maar als jullie het volgend jaar opnieuw doen, komt Alberto zeker.' Die eerste meeting werd een memorabele avond. Meert: 'We hadden gehoopt op 15.000 aanwezigen en de collega's lachten daar om: er zou geen 10.000 man opdagen. Uiteindelijk hadden we tickets tekort en moesten we de aanwezigen een stempel geven. Met 45.000 zat het stadion vol. Walker miste zijn wereldrecord op een halve seconde en viel later Ivo's vader, die hem zijn medaille gaf, wenend in de armen.' Wat is je van Ivo Van Damme het meest bijgebleven? Meert: 'Zijn on-Vlaamse mentaliteit. Vandaag zijn Remco Evenepoel, Wout van Aert en de Belgian Cats ambitieus en zij komen daar ook voor uit. Destijds was elke Belg blij dat hij naar de Spelen mocht, met alle gevolgen van dien: vaak waren ze er al uit in de reeksen. Ivo zei: 'Ik ga voor de finale, en eenmaal daar kan alles.' Hij was de enige in de Belgische delegatie die zo durfde te praten. Omdat zijn vader eerst rijkswachtcommandant was geweest in Namen was Ivo perfect tweetalig, waardoor hij meteen in beide landsdelen aansloeg. Hij praatte vlot en zei verstandige zaken.' Na zijn overlijden viel de Belgische atletiek in een gat. Meert: 'Ook daarna hadden we nog goeie atleten, maar geen winnaars. Er was altijd talent, maar niet de cultuur zoals in Oost-Europa en de VS, waar talenten een beurs kregen aan de universiteit. België heeft altijd eenzaten gehad: Gaston Reiff, Puttemans, Roelants, later Eddy Annys, William Van Dijck, Ronald Desruelles en Fons Brydenbach. Er zijn hier geen middelen, er is geen instituut want dat werkt hier niet. Een Belg wil 's avonds thuis zijn. Een talent uit Perpignan verhuist naar Parijs op internaat, maar waarom zou je in Leuven blijven slapen als je op een uur thuis bent in Gent? Dan krijg je het verhaal van kleine groepjes: met Rudi Diels in Leuven rond Kim Gevaert, met Jacques Borlée in Brussel. Als de coach stopt, is het afgelopen. Rond een voetbalcoach of basketcoach hangt glamour en geld. Atletiek is eenzaam en niet betaald. Vind maar een trainer die op zijn 60e in de winter in het bos staat te rillen en zijn atleten twee keer ziet passeren zonder een euro te verdienen. En als je al een goeie coach vindt: waar moet je dan van leven, in afwachting dat je de absolute top bereikt?' In het voetbal gaan ze wel naar een internaat, en dromen ze al jong van geld. Meert: 'Weet je wat het grote nadeel van atletiek tegenover voetbal, basket of hockey is? Atletiek speel je niet, je beoefent het. De jongeren van tegenwoordig moeten kunnen spelen. Atletiek is geen spel, evenmin als zwemmen. Op zeker moment kom je aan je plafond, en dan haken de meesten af. Niet iedereen kan Kim Gevaert worden. Alleen de top gaat door. Want er is ook niets mee te verdienen. Welke uitdaging heb je nog, als je merkt dat je geen top wordt? In andere sporten is dat anders. Iedere jongere droomt er van Messi of Hazard te worden. Lukt dat niet, dan kan hij nog prof of semi-prof worden. En als ook dat te hoog gegrepen is, kan hij in provinciale gaan sjotten, of op zaterdagmiddag met de vrienden. Elke voetballer kan, op welk niveau ook, iedere week zijn hobby uitoefenen. Een hoogspringer die niet over twee meter geraakt, gaat in het weekend niet lekker een aantal keer 1,70 meter springen. Je gaat niet voor je plezier in je eentje wat hordelopen. Atletiek kun je niet beoefenen op lager niveau. Je kunt alleen gaan joggen.' Welke persoonlijkheden zijn je in die 40 jaar het meest bijgebleven en waarom? Meert: 'Ik hou van figuren die hun sport ontstijgen. Topsport en charisma gaan niet altijd samen, maar bijvoorbeeld bij Carl Lewis wel. Wanneer die binnenkomt, vult hij meteen de kamer, net als de Oekraïense polsstokspringer Sergej Boebka, Sebastian Coe, Tourbaas Félix Lévitan en Raoul Mollet die het BOIC gemoderniseerd heeft. Alleen is zo'n Lewis in het begin nog gemakkelijk bereikbaar, maar eens er succes is, werpen ze barrières op. Carl vroeg me op een dag: 'Wilfried, mag ik alstublieft op mijn kamer eten? In de eetzaal kom ik niet aan eten toe; iedereen wil iets van me.' Usain Bolt: net hetzelfde. In het begin vinden ze die aandacht interessant, maar de 27e selfie van die dag is al minder leuk. Bolts manager zei me eens dat hij per dag gemiddeld 30 aanvragen kreeg voor een interview, vanuit de hele wereld. Als hij op die aanvragen ingaat, kan hij geen atleet meer zijn. Dus zegt die manager: stop. Want Jamaicanen amuseren zich graag, je moet die bijna beschermen tegen zichzelf. Veel van het karakter van atleten wordt bepaald door de omgeving. Natuurlijk zijn Scandinaviërs zoals Lasse Virén meer gesloten; het is daar zes maanden per jaar donker, waarop ze zich terugtrekken in huis.' Lasse Virén kwam later in opspraak door bloeddoping. Heeft zo'n man voor jou dan afgedaan? Meert: 'Ik voel me niet zo snel bedrogen. Er waren periodes dat iedereen experimenteerde. Kijk eens naar die oude zwart-wit foto's uit de jaren vijftig of zestig toen ze met schuim op hun mond over de streep kwamen: niets werd daar over gezegd. Nu is er bijna een zero tolerance - ik vind dat we mensen vaak te snel aan het kruis nagelen. Denk je dat die jonge atleten destijds in de Sovjet-Unie veel keus hadden, dat ze wisten dat ze geen vitamines, maar hormonen slikten toen men hen zei: 'Elke dag een pilletje nemen, vandaag blauw, morgen groen.' Veel atleten zijn van arme komaf en kunnen met hun talent eindelijk wat geld verdienen - voor zichzelf, voor hun familie, voor hun entourage. Als vervolgens iemand zegt: 'Je moet dit eens nemen', dan doen ze dat. 'Ik probeer altijd rekening te houden met de context. Veel atleten hebben een blind vertrouwen in hun entourage. Sport is veel vertrouwen hebben, daar boven, in je hoofd. Als je elke dag piekerend naar huis rijdt, kun je toch niet presteren? Dus traint elke atleet keihard en denkt: 'Ik doe wat mijn trainer en medisch begeleider me zeggen.' Zonder blind vertrouwen kun je nooit aan de top presteren.' Is Ben Johnson, omwille van zijn dopinggebruik de antiheld van de OS van 1988 voor jou nog een topatleet of eerder een bedrieger? Meert: 'Een domme topatleet. Ben Johnson stotterde in zijn jeugd, was een kind uit een arm gezin dat van Jamaica naar Canada geëmigreerd was en iemand die met zijn talent alles kon krijgen wat hij en zijn familie daarvoor niet hadden. Daar heb ik meer begrip voor dan voor Lance Armstrong die al veel heeft verdiend en vervolgens een systeem gaat uitdokteren om iedereen te slim af te zijn om nog meer te verdienen.' Zijn de Olympische Spelen nog altijd je ultieme uren van bewondering? Meert: 'Ja. Hoger kun je niet mikken. Alles wat schaars is, is top. Kampioen kun je elk jaar worden, olympisch kampioen maar één keer om de vier jaar. Voor veel atleten met een korte carrière is dat a once-in-a-lifetime opportunity: alles of niets.' Wat zijn jouw emotionele momenten tijdens de Spelen? Meert: 'De gouden medaille in het hoogspringen van Tia Hellebaut op de Spelen van 2008 in Peking. Dat ze een medaille kon halen, wisten we, maar iedereen was ervan overtuigd dat Blanka Vlasic nog net iets hoger zou springen. Niet, dus. Ook onze 4x100-metervrouwen in Peking zorgden voor een straf moment, net als de vier gouden medailles van Carl Lewis op de OS in Los Angeles in 1984. Ik heb Carl goed gekend, en zijn ouders ook. Heel fijne mensen.' Is de verwondering gebleven na al die decennia als reporter en organisator? Meert: 'Ja. Ik kan nog altijd immens van topsport genieten zonder te denken: zou dit wel clean zijn? Zoals die 6,18 meter onlangs van de Amerikaans-Zweedse polsstokspringer Armand Duplantis: fantastisch toch? Remco Evenepoel heb ik mateloos bewonderd eind vorig jaar toen hij in San Sebastián van iedereen wegreed. Op zo'n moment denk ik niet: klopt dit wel? Ik weiger op zo'n moment zulke vragen te stellen.'