Plaça de la Sagrada Familia in Barcelona, begin december. Terwijl België kreunt onder de eerste winterprikken baadt het plein voor de basiliek in een heerlijk zonnetje. Bij een temperatuur van om en bij de twintig graden lijken de Kerstmannen en de stalletjes met bomen, ballen en slingers een anachronisme. We wish you a merry Christmas... Jingle Bells... Warm of koud, de stad is in feeststemming. Honderden toeristen verdringen zich voor de ingang van de Basílica i Temple Expiatori de la Sagrada Família, het onvoltooide meesterwerk van Antoni Gaudí. In 1885 gaf de grondlegger van het Catalaanse modernisme zichzelf tien (!) jaar de tijd om het ontwerp te realiseren - meer dan 125 jaar later proberen honderd arbeiders dag in dag uit de nieuwe deadline (2025) te halen. "Dit wordt nooit afgewerkt", zucht Joma, de Spaanse fotograaf die in de weekends als wandelgids in Andorra moet bijklussen. Nog meer dan in andere Europese landen heeft de economische crisis Spanje in een stevige houdgreep. Aan de balkons rond het plein domineren tientallen exemplaren van La Senyera - de vlag met de vier horizontale rode strepen op een geelgouden achtergrond - het straatbeeld, een stil protest met als ultieme droom de totale onafhankelijkheid van Catalonië.
...

Plaça de la Sagrada Familia in Barcelona, begin december. Terwijl België kreunt onder de eerste winterprikken baadt het plein voor de basiliek in een heerlijk zonnetje. Bij een temperatuur van om en bij de twintig graden lijken de Kerstmannen en de stalletjes met bomen, ballen en slingers een anachronisme. We wish you a merry Christmas... Jingle Bells... Warm of koud, de stad is in feeststemming. Honderden toeristen verdringen zich voor de ingang van de Basílica i Temple Expiatori de la Sagrada Família, het onvoltooide meesterwerk van Antoni Gaudí. In 1885 gaf de grondlegger van het Catalaanse modernisme zichzelf tien (!) jaar de tijd om het ontwerp te realiseren - meer dan 125 jaar later proberen honderd arbeiders dag in dag uit de nieuwe deadline (2025) te halen. "Dit wordt nooit afgewerkt", zucht Joma, de Spaanse fotograaf die in de weekends als wandelgids in Andorra moet bijklussen. Nog meer dan in andere Europese landen heeft de economische crisis Spanje in een stevige houdgreep. Aan de balkons rond het plein domineren tientallen exemplaren van La Senyera - de vlag met de vier horizontale rode strepen op een geelgouden achtergrond - het straatbeeld, een stil protest met als ultieme droom de totale onafhankelijkheid van Catalonië. Een mimeartiest wordt door de fotograaf beleefd verzocht om elders te gaan staan, Arnór Gudjohnsen moet erom lachen. Het wordt een mooi beeld: hij met op de achtergrond de imposante basiliek van Gaudí. De gedachten van Gudjohnsen dwalen af naar het kleine houten kerkje in Húsavik, zijn geboortestadje aan de noordkust van IJsland. "2500 inwoners. Ik zou er niet meer kunnen wonen. Je moet in Húsavik geweest zijn om te begrijpen hoe iemand van daar ooit profvoetballer is geworden. Mijn grote droom was bakker worden", lacht hij. "Pas toen ik veertien, vijftien jaar was en voor de nationale jeugdploeg werd opgeroepen, droomde ik van een toekomst in het voetbal." Gudjohnsen, 51 jaar, schetst een beeld van zijn geboortestadje. "Nu is het walvistoerisme big business, maar in mijn kindertijd leefde tachtig procent van de inwoners van de visserij. Ook mijn vader. Hij vertelde me ooit dat hij zijn oudste dochter voor het eerst zag toen ze drie maanden oud was. Soms ging hij in het weekend even aan land, speelde een wedstrijdje met de lokale derdeklasser en vertrok opnieuw. Hard werken... Moeder was huisvrouw en amper 16 jaar toen ik werd geboren. Op haar 22e had ze al vier kinderen. Dat wás nu eenmaal zo. Wie in IJsland opgroeide, werd heel snel zelfstandig. Daardoor heb ik een deel van mijn jeugd gemist, maar uiteindelijk was het een goede voorbereiding om naar de grote wereld te gaan." En die grote wereld was in zijn geval... Lokeren. Op weg naar het restaurant informeert Gudjohnsen naar enkele ploegmaats van vroeger. "Is Frankie Vercauteren trainer van Sporting Clube de Portugal? Mooi." Hij wil weten wat René Vandereycken doet. Niets meer sinds december 2009, toen hij bij de Rode Duivels werd ontslagen. "Goede ideeën over voetbal nochtans. Ik dacht dat hij een grote trainer zou worden. Koppig en tegendraads, dat wel, maar als voetballer had je hem toch liever in jouw team. Hij kon heel brutaal zijn, maar anderzijds was hij bij Anderlecht wel de eerste om mij na mijn operatie een bezoekje in het ziekenhuis te brengen. Zo was hij ook wel. Ik herinner me nog dat we na de verloren finale tegen Tottenham Hotspur weenden als kinderen. Twee volwassen mannen..." De interesse in zijn ex-collega's is gemeend. En toch is het vreemd dat hij, na zijn vertrek bij Anderlecht in 1990 naar Bordeaux, slechts één keer naar België is teruggekeerd. "In 1992, ik herinner het mij nog goed. Bordeaux kon de definitieve transferprijs van Anderlecht niet betalen, ook al had ik in Brussel al twee seizoenen geen contract meer. Standard was geïnteresseerd, maar Michel Verschueren wilde me niet laten gaan. Daar, op dat moment, is mijn carrière geëindigd (zie kader).Maar ja... Ik moet binnenkort toch eens naar mijn zoon gaan kijken. En een paar van mijn oude restaurantjes bezoeken. Ik heb nergens beter gegeten dan in België, al moest ik hard trainen om op mijn gewicht te blijven. Een donut eten? Twee kilogram erbij!", schatert hij. In Restaurante Els Porxos bestelt Arnór Gudjohnsen een spaghetti bolognaise, een Italiaanse klassieker en misschien een verrassende keuze voor iemand die sinds september in een huis aan de haven woont. "Ik wil een jaar helemaal niets doen, tijd met de familie doorbrengen. We zijn hier allemaal samen. Mijn tweede vrouw, onze twee kinderen van twaalf en negentien jaar Arnór en Kjartan, Eidurs echtgenote, zijn drie kinderen... Genieten van het leven." Zijn voetbalschool in de buurt van Reykjavik runt hij vanop afstand. "Jonge voetballertjes moeten een betere opleiding krijgen. In mijn kindertijd konden we amper vijf maanden per jaar buiten op gravel voetballen, van september tot maart trainden we één keer in de week in de zaal waar handbal - de populairste sport - werd gespeeld. Ik was vijftien toen ik voor het eerst op gras voetbalde." En toch droomde hij al op jonge leeftijd van een voetbalcarrière. "Asgeir Sigurvinsson, die in 1973 naar Standard vertrok, was mijn rolmodel. Hij zei hoe ik me moest voorbereiden. Maar dat ik ooit betaald zou worden om te voetballen, leek onmogelijk. Meer zelfs: toen ik al bij de nationale U16 speelde, kocht ik mijn voetbalschoenen nog zelf." In het voorjaar van 1978 krijgt Gudjohnsen, zestien jaar, in Reykjavik het bezoek van een delegatie van Sporting Lokeren. Hij kan, na Sigurvinsson en Gudgeir Leifsson bij Sporting Charleroi, de derde IJslander in de Belgische competitie worden. "Ik wou er zelfs gratis voetballen", lacht hij. "Asgeir probeerde me in extremis nog naar Standard te loodsen, maar Roger Petit wilde niet dat mijn ouders zouden meekomen. Het kon niet anders. Ik was zeventien jaar, mijn vriendin was zwanger van Eidur... Ik was een kind dat vader zou worden. Plus: mijn ouders wilden me nog niet loslaten. Daarom heb ik voor Lokeren gekozen." 1978 zou voor Gudjohnsen een gezegend jaar worden. Nationale U16, EK-eindronde met de U18, opgeroepen voor de U21 en voor de nationale ploeg, én profvoetballer in België. "In IJsland speelde ik voor een handvol toeschouwers, plots stonden er 8000 supporters op de tribune. Ach, Lokeren was schitterend. Vriendelijke mensen ook. De voorzitter, Etienne Rogiers, en vooral de manager, Aloïs Derycker, die mij op de luchthaven van Luxemburg kwam ophalen. Het was enorm warm, Aloïs - een heel corpulente man - zweette zich in zijn kostuum te pletter. Ik had medelijden met hem", zegt hij lachend. Lokeren, eind jaren zeventig. Op Daknam bouwt Derycker aan een ploeg die de hegemonie van Anderlecht en Club Brugge wil doorbreken. Met een mix van buitenlanders (Bob Hoogenboom, Wlodek Lubanski, Grzegorz Lato en Preben Elkjær Larsen) en Belgische talenten (Maurits De Schrijver, Raymond Mommens en René Verheyen) loodst Urbain Braems de Waaslanders naar een vierde plaats. "Ik had het moeilijk," zegt Gudjohnsen, "maar Urbain, een vaderfiguur, geloofde in mij. Ik kreeg, samen met Lubanski, een speciaal trainingsprogramma, waarbij vooral de nadruk op techniek werd gelegd. Bal aannemen, passes verzorgen... De basics waren onvoldoende, maar dat was een gevolg van mijn opleiding. Als ik zie hoe de jongste twee zonen van Eidur, Andri Luca (10) en Daniel Tristan (6), in de FCB Escola (de voetbalschool van Barça voor kinderen tussen zes en elf jaar, nvdr) worden opgeleid...", zucht hij. "Die gastjes tikken zoals Xavi en Iniesta... Meer fouten, natuurlijk, maar de techniek worden er écht in gedrild. Dat zie ik ook bij zijn oudste zoon, Sveinn Aaron, die tot aan zijn dertiende bij de jeugd van FC Barcelona voetbalde. Hij speelt nu, net als mijn jongste zoon, bij Unió Esportiva Cornellà, een clubje in de buurt. Als je die gastjes bezig ziet, lijkt het wel alsof ze met die skills zijn geboren. Mocht ik in mijn jeugd zulke trainingen hebben gekregen, dan had ik wellicht een mooiere carrière gehad." Gudjohnsen herinnert zich zijn eerste doelpunten op Belgische bodem. "Bijna 35 geleden, maar het lijkt wel gisteren. Een thuiswedstrijd tegen Club Luik, ik scoorde de 2-1 en de 3-1. Een bevrijding! Ik heb dat seizoen een enorme progressie gemaakt, Urbain Braems wou me zelfs mee naar Anderlecht nemen, maar het was beter dat ik in Lokeren bleef. Ik woonde op wandelafstand van het stadion, Eidur was net geboren, en ook sportief liep het goed. Drie keer vierde, een keer tweede, drie jaar na elkaar Europees voetbal. Niets dan goede herinneringen." "Onder Braems' opvolger, Urbain Haesaert, begon ik geregeld op de bank, ook al omdat de concurrentie groot was. Mijn grote doorbraak kwam er met de komst van Robert Waseige, met wie ik een schitterende relatie had. Hij zette me geregeld op het middenveld. 'Je bent snel en sterk, ideaal voor de manier waarop ik wil voetballen', zei hij telkens. Als een trainer zoiets tegen je zegt, dan krijg je een mentale boost. Mijn beste van vijf seizoenen, waarna Anderlecht opnieuw aan de deur kwam kloppen en een heel mooi voorstel deed. In vergelijking met mijn familie in IJsland was ik plots een miljonair. En uiteindelijk was ik nog altijd maar 22 jaar." Een cultuurschok, zo omschrijft Gudjohnsen zijn eerste seizoen in het Astridpark. "Meer concurrentie, veel minder familiair dan in Lokeren. Voetbal was er meer business. Plus: ik raakte heel snel geblesseerd, waardoor ik amper heb gespeeld, ook al mocht ik tijdens de finale van de UEFA Cup in 1984 tegen Tottenham nog invallen. Net als in Brussel werd het 1-1, penalty's dus, maar ik miste de beslissende strafschop..." Waarop hij de handen voor de ogen slaat. Een dieptepunt, zegt Gudjohnsen, net zoals de verloren finale van de Beker voor bekerwinnaars in 1990. "Mijn laatste wedstrijd voor de club." In de verlengingen hesen Gianluca Vialli en Roberto Mancini Sampdoria Genua alsnog voorbij paars-wit. "De laatste keer dat Anderlecht in een Europese finale stond. Een troost. En in België waren we natuurlijk wél succesvol." Drie opeenvolgende titels in 1985, 1986 en 1987, twee keer de beker (1988 en 1989), topschutter in 1987 met 19 doelpunten. "Ontgoochelingen en geluk lagen heel dicht bij elkaar. Het afscheid was wrang, maar toch liggen mijn beste herinneringen in het Astridpark." Ontgoocheld trekt hij, 31 jaar inmiddels, naar Zweden, waar hij bij BK Häcken en Orebrö nog vijf seizoenen zal voetballen. "Ik ben uiteindelijk doorgegaan tot mijn veertigste (als speler-trainer bij het IJslandse Stajrnan, nvdr). Ik voetbalde gewoon nog te graag. Bovendien: ik had 25 jaar hetzelfde gedaan. Opstaan en naar de training vertrekken. Ik was echt bang om geen doel meer te hebben. Onterecht. Ik was verrast hoe gemakkelijk het was om níét meer te moeten voetballen." Hij deed een jaar bijna niets, leek de voetbalwereld definitief de rug toe te keren, tot Eidur hem vroeg om zijn belangen te behartigen. "Hij was mijn eerste grote klant", lacht hij. "En hij is sindsdien geregeld van club veranderd, dus..." Arnór Gudjohnsen kijkt naar buiten. Hij heeft drie uur gepraat. Soms gelachen, af en toe somber gekeken, maar het goede gevoel overheerst. "Als ik terugblik op mijn twaalf seizoenen in België, dan onthoud ik vooral de mooie herinneringen. Het was goed om bij die periode nog eens stil te staan, want uiteindelijk gaat het leven veel te snel. Ik ben hier komen wonen om rust te vinden, bij mijn familie te zijn. Ik wilde de routine doorbreken, maar uiteindelijk is dat heel moeilijk. Ik breng de kinderen 's morgens naar school, over een kwartiertje moet ik ze opnieuw ophalen. Op andere dagen moeten ze naar de training... En uiteindelijk zit je opnieuw in een vast patroon."` DOOR CHRIS TETAERT IN BARCELONA"Ik was vijftien toen ik voor het eerst op gras voetbalde." "Ik moest hard trainen om op mijn gewicht te blijven. Een donut eten? Twee kilogram erbij!"