Deze reportage verscheen in Sport/Voetbalmagazine van 28 maart 2018.
...

Vincent De Saedeleer (40) twijfelt niet: ' Matthias Schoenaerts had profvoetballer kunnen worden.' In de jeugdwerking van Beerschot vormden de twee jarenlang een onafscheidelijk duo. Schoenaerts en De Saedeleer leerden elkaar bij Beerschot kennen toen ze preminiemen waren. 'Wij waren de enigen die twee uur vóór de training al aan het sjotten waren en de enigen die tien uur na de training nóg aan het sjotten waren', vertelt De Saedeleer. 'We stonden ballen te trappen naar het doel dat het dichtst bij de kantine stond, daar was de verlichting het best. Op een keer vroeg ik Matthias om eens in dat doel te gaan staan. Die dag begon onze vriendschap. Op den duur voetbalden Matthias en ik twintig uur per weekend. We gaven voorzetten, hielden penaltytoernooitjes en deden wedstrijdjes waarbij je de bal tegen de deklat moest trappen. Pas om tien uur 's avonds, als het donker werd, gingen wij naar huis. Dan bleef Matthias bij mij slapen of ik bij hem.' Schoenaerts zelf zegt dat hij bij Beerschot verzeilde via een buurjongen. 'Die speelde er al en ik ging eens met hem mee.' Op praktisch vlak was Beerschot een handige keuze voor Schoenaerts. 'In 't stad stopte tram 2 aan de deur van Matthias en die tram had ook een halte aan de Wilrijkse Pleinen, waar Beerschot toen trainde', vertelt De Saedeleer. Vanaf de miniemen speelde De Saedeleer in hetzelfde team als Schoenaerts. 'We werden direct kampioen. Matthias was toen nog keeper, ook in die kampioenenmatch. Het was de tijd dat zijn vader nog meekwam, Julien ( ook een gerenommeerd acteur, nvdr). Ik herinner me dat Julien vóór die kampioenenmatch zei: 'Kom, we gaan wat opwarmen.' In de gietende regen stonden we daar balletjes te trappen met hem. Julien dook zelf ook naar elke bal. Hij droeg propere kleren, maar trok zich daar geen fluit van aan.' Volgens De Saedeleer was Matthias een heel goede keeper. 'Maar hij kon niet in zijn doel blijven, hij voetbalde te graag.' Schoenaerts beaamt dat: 'Op training sprak het me nog wel aan om te keepen, dan had je voortdurend iets omhanden, maar tijdens matchen vond ik het doodsaai.' Dus werd Schoenaerts veldspeler, op de linkerflank. 'Van ons twee gold ik als de betere voetballer, ' zegt De Saedeleer, 'ik was technisch beter onderlegd, maar Matthias had een heel goede voorzet en een beter schot. Zijn linker was gekend. Zelfs toen ik later in de vierde klasse speelde, stond ik nooit nog op het veld met iemand die zo'n hard schot had als Matthias. Hij kon ook waanzinnig snel lopen. Soms waren er coopertesten waar wij vooraf voor moesten trainen. Matthias deed dat niet, maar liep toch alles in frut vaneen. Hij was mager, maar één en al spier. Een echte sportman. Hij deed buikspieroefeningen en hij bokste.' Dat het klikte tussen De Saedeleer en Schoenaerts, was niet verwonderlijk. 'We hadden allebei goede ouders die we graag zagen, ' legt De Saedeleer uit. 'Maar we beleefden alle twee ook een moeilijke jeugd. Zijn vader was almaar vaker afwezig, mijn ouders waren gescheiden, de zijne op den duur ook. Met zijn moeder had hij een heel goede band, maar een strikte controle was er niet. Bij mij was dat ook zo: ik kon om twee uur 's nachts thuiskomen en niet naar school gaan. Vanaf ons elfde waren Matthias en ik straatkinderen. Wij deden maar op.' Schoenaerts knikt: 'Ik zat wat anders ineen dan de meeste jeugdspelers bij Beerschot, en Vincent ook. Alle andere kinderen werden door papa of mama naar de training gebracht. Wij kwamen zonder begeleiding, soms met de fiets door de regen.' Bij de nationale knapen van Beerschot belandden Schoenaerts en De Saedeleer in een team van trainer Marcel Saey (72). Die herinnert zich de passage van Schoenaerts nog levendig: ' Da was ne keirel zenne, makker. Ik ga niet zeggen dat Matthias een echte schoelie was, maar altijd stak die wel iets uit. Op training durfde Matthias al eens zijn bloot gat te tonen. Hij was een speelvogel, een clown.' Schoenaerts lacht: 'Dat hoorde bij de leeftijd. En misschien ook wel bij de aard van het beestje.' Maar echte problemen met Matthias had Saey nooit. 'Als hij iets uithaalde, was dat altijd plezant. Behalve die ene keer in Oostende. We speelden daar een toernooi en logeerden op de dijk, op de vijfde verdieping. Vincent en Matthias kropen er uit het raam van hun kamer om via het volgende raam bij hun buren naar binnen te klauteren, langs de buitengevel, terwijl er niet eens een terras was. Toen dat uitkwam, zei ik Matthias dat ik hem de dag nadien op de trein naar huis zou zetten. Ik belde zijn ma, maar die antwoordde: 'Trainer, alstublieft, doe dat niet. Ik kan er thuis ook niks mee aanvangen.' Dus hield ik hem toch maar in Oostende. Ik las hem eens goed de levieten en liet hem 's zondags niet spelen.' Buiten die ene keer stond Schoenaerts altijd in de basisploeg van Saey. De Saedeleer, die centraal speelde, benutte de kwaliteiten van zijn boezemvriend optimaal. 'Ik stuurde de bal diep op de linkerflank. Ik wist dat Matthias die wel zou halen en een voorzet zou geven richting de tweede paal, altijd de tweede paal. Daar kopte ik binnen. Op die manier maakten we een massa goals. Maar Matthias scoorde zelf ook vaak. Dan passeerde hij eerst een man, altijd puur op snelheid, nooit met een dribbel. Soms speelde hij de bal zelfs naast zijn tegenspeler en liep hij rond de man. Als hij goed in de match zat, durfde hij zotte dingen te doen.' Saey: 'Matthias was op het veld al een acteur. Hij speelde soms met de voeten van een tegenstander. Dan ging hij die gast voorbij, maar kapte hij terug om hem nóg een keer voorbij te gaan. Vandaar dat hij af en toe ook eens goed ondersteboven geschopt werd.' De Saedeleer lacht: 'Bij Matthias kwam dat kunstige toen al bovendrijven. Ik maakte mij dikwijls kwaad op hem. Als wij tegen Club Brugge een belangrijke match speelden en iedereen op scherp stond, durfde hij toch iets zots te doen. Vaak was hij ook veel te hevig, hij pakte regelmatig een rode kaart.' Ondanks zijn kuren was Schoenaerts snel doorgegroeid tot de nationale afdelingen. 'Ik ga niet beweren dat ik een Lionel Messi was, ' zegt hij zelf, 'maar ik had wel bepaalde kwaliteiten. Ik kon sjotten. En het allerbelangrijkste was dat ik ervan genoot. Ik hield enorm van het spelleke.' De Saedeleer: 'Als we 's zaterdags met de nationale afdeling voetbalden, vroegen ze wie er 's zondags nog wilde meedoen met de provinciale ploeg. Matthias en ik deden dat altijd. Als maar één van ons twee mocht meedoen op zondag, vochten we bijna. Voor ons waren de matchen in provinciale veel leuker. Daar domineerden we met Beerschot, terwijl we in nationale de mindere waren.' Bij de nationale scholieren was het Diederik Stickens (63) die Schoenaerts en De Saedeleer in zijn team kreeg. 'Matthias was een van de beste linksbuitens die ik ooit onder mijn hoede had', vertelt hij. 'Enfin, hij speelde goed als hij fris voor de dag kwam. Bij hem was het: de ene week alles, de andere niks. Hij had toen al een leven naast het voetbal. Als hij was uitgegaan, kwam de match op zaterdag vroeg voor hem. Dus ging ik hem thuis oppikken, om hem zeker mee te hebben. Meestal moest zijn moeder hem dan nog wakker maken. Maar hij was een heel bruikbaar element in mijn team, dus wilde ik er wel wat tijd insteken. Op een ochtend vond ik hem eens halfslapend aan het putteke van Quinten Matsijs, die waterput aan de kathedraal. Toen was hij nog niet thuis geweest. Ik had mijn werk met hem, maar ik beleefde er ook veel plezier aan: zo'n fijne en beleefde jongen. Je moest hem en De Saedeleer gewoon nemen zoals ze waren, straatrakkers die deugnieterij uithaalden. Zo spoot Matthias regelmatig tribunes vol graffiti. Hij deed dat ook op reclamepanelen, op de Wilrijkse Pleinen, overal waar het niet mocht.' Jean Clarijs (56): 'Maar toen al kon Matthias de mensen goed bespelen als hij op of naast het veld iets had uitgespookt. Hij kon zijn gezicht dan in een bepaalde plooi leggen en op die manier trainers, begeleiders én scheidsrechters in zijn zak steken. Als hij zijn uitleg gegeven had, voelde je toch de neiging om hem te geloven. Van Matthias werd je ook gewoon blij. Alleen kon je hem niet op een lijn doen lopen. Een beetje à la De Witte van Zichem. Was er een ruit gesneuveld? Schoenaerts. Was er een douchekop afgebroken? Schoenaerts. Ken je dat liedje van Conny Vandenbos: Een ruit kapot, dat was een schot van Sjakie van de hoek? Dat doet mij altijd aan Matthias denken. Maar na al die jaren komt hij nog altijd direct goedendag zeggen als hij mij ziet: ' Trainer, oe is 't?' Dat typeert hem evengoed.' Clarijs was de laatste Beerschottrainer die Schoenaerts onder zijn hoede had. Hij kreeg hem in zijn team nadat Schoenaerts eerst Beerschot enkele jaren links had laten liggen. De Saedeleer: 'In die periode besteedde Matthias meer tijd aan zijn graffitiwerk. Allebei kwamen we enkele verkeerde vrienden tegen en belandden we op een zijspoor. Voetballen deden we enkel nog in het stadspark. Op zijn negentiende keerde Matthias nog even terug naar Beerschot en speelde hij daar onder Clarijs kampioen.' Clarijs: 'Matthias was linksvoetig én een buitenspeler; dat maakte hem bijzonder. Maar hij zat niet in zijn hoofd met de droom om profvoetballer te worden.' Schoenaerts schudt het hoofd. 'Op een bepaald moment kwam ik dichter bij het eerste elftal', zegt hij, 'en plots vertelden allerlei mensen mij wat ik moest doen. Ik voelde een dwangmatigheid, een soort van autoriteit die mij wilde beheersen. Maar dat heeft nooit gewerkt voor mij. Ik vluchtte van al die imperatieven. Van de ene dag op de andere dag ging ik bij een caféploeg sjotten. Volgens mij is het leven van profvoetballer trouwens veel minder boeiend dan wij het ons voorstellen. Hoeveel voetballers zie je echt lachen als ze een interview -geven? Enkel de absolute toppers. Dié genieten. Iedereen die op een lager niveau speelt, lijkt wel depressief.' Clarijs was niet verbaasd dat Schoenaerts niet voluit ging voor een bestaan als profvoetballer: 'Het enige wat Matthias wou, was sjotten. Of hij dat op een groot veld kon doen met 10.000 man eromheen of op een klein pleintje of tegen een garagepoort, deed er voor hem niet toe.' De Saedeleer knikt: 'Zelfs het soort bal waarmee hij speelt, maakt hem niet uit. Matthias voetbalt al heel zijn leven met tennisballen. In zijn jeugd had hij er altijd een op zak. Als hij op een bus aan het wachten was, begon hij daarmee te jongleren. Voetbal is voor hem a way of living. Overal wil hij sjotten. In 2014 trokken we samen naar het WK in Brazilië. Toen maakte hij me 's morgens wakker om op het strand te gaan sjotten. Als jonge gasten namen wij ook al een bal mee naar 't stad. Dan liepen we daar op zaterdagmiddag elk langs een kant van de Meir, slalommend tussen de mensen. Wie als eerste met zijn bal aan het eind van de straat geraakte, die won.' Ook nu zijn internationale acteercarrière een hoge vlucht neemt, blijft Schoenaerts graag een balletje trappen, zelfs wanneer hij ver van Antwerpen is. Schoenaerts: 'Het pruttelt nog altijd en ik laat het niet los. Het is te leuk. Even die bal voelen, een lekker voorzetje geven, een lange pass trappen, héérlijk. Dat gaat er niet uit. In New York trek ik tegenwoordig graag naar China Town. Daar is een klein straatvoetbalplein. Op een vrije dag, bij mooi lenteweer, is er niks leuker dan daar wat te voetballen met de Chinezen. In Los Angeles zijn er dan weer veel Mexicanen die graag een balletje trappen. Overal ter wereld vind je mensen die willen voetballen.' In België is Schoenaerts nog ingeschreven bij een minivoetbalploeg en een veteranenploeg, maar daar zien ze hem niet vaak door zijn drukke agenda. Als hij enkele dagen in het land is, trommelt hij wel oude voetbalmakkers op. De Saedeleer toont een sms van Schoenaerts: Wanneer nog eens trappen? 'Naast mij ziet hij ook Jonas Van Geel ( acteur en tv-presentator, nvdr) nog altijd als een van zijn beste voetbalvrienden', vertelt De Saedeleer. 'Soms spelen we dan vier tegen vier: Jonas en Matthias bij de mannen van 't Stad en ik met drie anderen bij de mannen van buiten 't stad. Als je Matthias tegenkomt, moet je hem trouwens eens vragen om de koffer van zijn auto open te gooien. Daar liggen altijd kegeltjes in, enkele ballen, een paar keepershandschoenen en scheenlappen.' Schoenaerts knikt: 'En een pomp, héél belangrijk. Als er iets is waar ik niet tegen kan, dan is het: met een platte bal sjotten.' ( lacht) Schoenaerts en co voetballen waar ze het denken. 'Ik herinner me dat de politie ons een keer van de Wilrijkse Pleinen gooide', zegt De Saedeleer. 'Zoiets kan Matthias geen plaats geven. Dan gaat hij tekeer: ' Vinde gij da na normaal da wij hier nie meuge sjotten?! Ge moest uw eigen schamen.' Ook bij de jeugd van Beerschot waren er al zulke voorvallen. Clarijs: 'Soms werden de pleinen opnieuw ingezaaid. Dat kostte verschrikkelijk veel geld. Dan mocht je echt niet op die pleinen komen. Maar wie ging er toch op? Schoenaerts. Altijd Schoenaerts.' De Saedeleer lacht: 'Wij waren niet vies van wat kattenkwaad. Ooit zijn we een keer betrapt toen we trainingsoutfits hadden gestolen in het waskot. De gasten die één jaar ouder waren, droegen zo'n outfit. Wij vonden dat cool en wilden er ook een. Tussen ons twaalfde en ons veertiende braken we ook geregeld binnen in het stadion van Beerschot. Daar speelden we op het hoofdterrein tot het donker werd. Jaren aan een stuk deden we dat elke week. Ludo, de conciërge, kwam ons vaak van dat veld jagen, maar op den duur bleef die gewoon in zijn living zitten. Hij wist dat we toch terugkwamen.'