Op de drempel van de hemel, een schitterend witte en fel verlichte ruimte, gaat Johan Cruijff in discussie met Sint-Pieter, die de sleutels van de hemelpoort in zijn bezit heeft. Hij eist dat hij terug mag naar de aarde, zijn werk is daar nog niet voltooid, er zijn daar mensen die van hem houden en hem nodig hebben. Cruijff is 200 procent overtuigd van zijn gelijk en zal dat aantonen ook, daar kan zelfs geen Sint-Pieter tegenop.
...

Op de drempel van de hemel, een schitterend witte en fel verlichte ruimte, gaat Johan Cruijff in discussie met Sint-Pieter, die de sleutels van de hemelpoort in zijn bezit heeft. Hij eist dat hij terug mag naar de aarde, zijn werk is daar nog niet voltooid, er zijn daar mensen die van hem houden en hem nodig hebben. Cruijff is 200 procent overtuigd van zijn gelijk en zal dat aantonen ook, daar kan zelfs geen Sint-Pieter tegenop. Ziedaar het raamwerk van de tv-serie Johan Cruijff, logisch is anders, die twee jaar geleden op de Nederlandse openbare omroep liep. Het levensfeit waar deze faction- reeks op inpikt, is de hartaanval die Cruijff krijgt tijdens een wandeling met zijn vrouw Danny in januari 1991. De 43-jarige oud-voetballer moet met spoed een bypassoperatie ondergaan en zweeft even tussen leven en dood. Dat zijn de facts. In de fiction van de tv-serie is dat het moment waarop Cruijff zijn dispuut heeft met Sint-Pieter. De twee overlopen het leven van de voetballer, vanaf de dood van zijn vader Manus. Niet in de eerste plaats het voetballeven, maar veeleer zijn persoonlijke besognes, het gevecht om zijn familie op de eerste plaats te laten komen. Waren al zijn keuzes en beslissingen wel zo goed? Het is een pertinente vraag van de heilige hemelbewaker, maar Cruijff zou Cruijff niet zijn als hij op elk punt zijn gelijk wil halen: 'Jouw baas heb toch al eens iemand naar beneden gestuurd? Ik kan wel niet over water lopen, maar over gras kan ik aardig meekomen.' Enfin, hij slaagt in zijn opzet, de operatie blijkt een succes, zijn leven op aarde mag voortgaan.Het geschetste beeld is tekenend voor Cruijff, die leefde bij gratie van de contramine: altijd superieur, altijd dissident. Cruijff wist het altijd beter. Als een prediker toonde hij de weg en de waarheid. Een van zijn bijnamen was 'het orakel van Betondorp', de wijk waar hij opgroeide. En een orakel staat dicht bij de goden, dat is bekend. Journaliste en tv-persoonlijkheid Hanneke Groenteman zei eens: 'Wat Johan zegt, dat geeft je een soort van zen-gevoel. Het heeft niet zozeer met begrijpen te maken, maar met voelen.' Het zat 'm natuurlijk ook in die bijzondere vanzelfsprekendheid waarmee Cruijff dingen zei. Nooit hing er een zweem van twijfel omheen. Het was zo en niet anders. Punt. Dat botste meer dan eens, zeker wanneer hij als trainer te maken kreeg met een andersdenkend bestuur. 'Ik neem de beslissingen alleen, continu', vertelde hij ooit aan Hugo Camps. 'Als er mensen zijn die het daar moeilijk mee hebben, dan hoor ik het wel. Dan zijn we gauw uitgepraat, dan ga ik.' Cruijff ging. Meermaals. Wat de mythevorming in de hand werkte was niet alleen wát Cruijff zei, maar de manier waarop hij het zei. Hij kon het op een heel aparte manier uitleggen. Cruijffiaans werd een variant van het Nederlands, 'elk nadeel heb z'n voordeel' een standaarduitdrukking. Vaak is hij amper te volgen. 'Als Johan begon te oreren, dan ging ik een bakkie koffie halen', vertelde Willem van Hanegem eens. Maar vele van zijn uitspraken hebben een diepe betekenis wanneer je erop doordenkt. Zoals: 'Vaak moet er ets gebeuren voor er iets gebeurt.' Of: 'Je gaat het pas zien als je het doorhebt.' Kauw daar maar eens op. Ondertussen zijn er vele generaties opgegroeid die Cruijff alleen maar kennen van zijn tv-optredens, zijn interviews en zijn gevleugelde uitspraken. Generaties die Cruijff nooit op het veld hebben zien schitteren. Die zich amper iets kunnen voorstellen bij een ander aforisme van hem: 'Voetbal speel je met je hoofd, want de bal is vlugger dan de benen.' Misschien was dat de reden waarom zijn benen hem altijd sneller ter plaatse brachten dan zijn tegenstanders. Cruijff was een meester van de tempowisselingen. Zoals hij in de WK-finale van 1974 in de eerste minuut de bal bij de middencirkel oppikte, een Duits standbeeld voorbijliep, een paar passen inhield en dan met een nieuwe versnelling de backlijn in dook, waar Berti Vogts te laat kwam met zijn tackle. Penalty, omgezet door Johan Neeskens. Toen leek Oranje nog niet op weg naar zijn grootste voetbaltrauma ooit. Zoals hij heel zijn leven mensen verbaal op het verkeerde been kon zetten, zo deed hij dat tijdens zijn voetbalcarrière met schijnbewegingen en demarrages. Altijd grepen de verdedigers naar het restbeeld van een speler die al meters verder was. Zoals hij het zelf zei: 'Als ze normaal timen, komen ze bij mij altijd te laat.' Of zijn voetbal inderdaad breingestuurd was, daarover liepen de meningen uiteen. Het is als de vraag naar de kip of het ei. Jan Mulder beweerde in een herdenkingsstuk dat het net de voeten van Cruijff waren die op alles vooruitliepen, ook op zijn denken: 'Het menselijk lichaam kan weinig zonder aandrijving vanuit de hersenen, zoniet dat van Cruijffie. ' Hij kon 'gedachteloos' met een bal omgaan, schreef Mulder. Alles intuïtie, een ondoorgrondelijk aangeboren talent. Of Cruijff nu bewust nadacht over zijn eigen baltoetsen of niet, feit is dat hij voortdurend met tactiek in zijn hoofd zat, op en naast het veld. Hij zag het allemaal veel klaarder en scherper dan een ander dat kon. Als zeventienjarige speelde hij zijn eerste wedstrijdje in het A-elftal van Ajax, een oefenpot tegen Helmondia '55, en zijn tegenstander die dag, ene Jacques van der Schoot, herinnert zich nog hoe dat frêle joch, met een shirt dat wapperde om zijn tengere lijf, al meteen zijn ploegmaats begon te dirigeren. 'Na afloop spraken we erover in de kleedkamer. Zo jong en al zo aanwezig, dat hadden we nog niet eerder meegemaakt.' Cruijff speelde niet alleen met zijn hoofd en zijn voeten, maar ook met zijn handen: voortdurend liep hij te gesticuleren, aanwijzingen te geven, commando's te schreeuwen. Wat hem onderscheidt van andere voetballegendes als Pelé, Maradona, Eusébio, de twee Ronaldo's of Messi, is dat hij het spelletje daadwerkelijk veranderd heeft. Zoals de godin Pallas Athena ontstond uit het hoofd van Zeus, zo ontstond het moderne voetbal uit het hoofd van Cruijff. Cruijff deed dat in een meesterlijk één-tweetje met Rinus Michels. Michels, die al in de spits speelde bij Ajax toen Cruijff nog in de wieg lag, werd in maart 1967 aangesteld als hoofdtrainer van Ajax. Met de Amsterdamse club ging het op dat moment verre van goed. Michels haalde de bezem door de selectie en dropte enkele jongeren, onder wie Cruijff, in de ploeg. Met harde hand en een stem als een hakkelende mitrailleur kneedde hij zijn team. Passing, pressie, vrijlopen, inspelen: elke speler werd een radertje dat slechts functioneerde in het grotere geheel - het zogenaamde 'totaalvoetbal' zag het daglicht. Het concept was in wezen eenvoudig: verdedigers moesten mee aanvallen en aanvallers moesten mee verdedigen. Het staat buiten kijf dat je daarvoor een pak geweldige voetballers nodig hebt, zowel op technisch als op tactisch vlak. Michels had het bijzondere geluk dat hij kon rekenen op een speler als Johan Cruijff: Die volgde niet zomaar richtlijnen op, hij dacht ook zoals de coach dacht. Het totaalvoetbal had misschien bestaan zonder Michels, maar nooit zonder Cruijff. Het paste ook perfect in de tijdsgeest: om voetbal te spelen zoals Ajax het dan speelde, was lef nodig en dat hadden de Ajacieden in overvloed. In een tijd waarin de provo's Amsterdam choqueerden, liepen zij door het straatbeeld als voetballende Rolling Stones, met lang haar en brede jeans. Het Ajaxgevoel was vergelijkbaar met de branie die de provocerende schrijver Jan Cremer uitstraalde: 'Ik, Jan Cremer. Wij, Ajax.' In juni 1971 nam Michels, na het behalen van drie titels en drie bekers, afscheid met de Europabeker voor Landskampioenen. Op Wembley versloeg Ajax Panathinaikos met 2-0. In 1972 pakte Ajax een tweede Europacup (2-0 tegen Inter) en in 1973 een derde op rij (1-0 tegen Juventus), maar de klad zat er dan al in. Met Michels was ook een groot stuk discipline verdwenen en sommige spelers pikten het niet langer dat een pedante Cruijff de baas speelde. Vooral Arie Haan voerde de rebellie. In de zomer werd Cruijff weggestemd als aanvoerder. Hij trok zijn conclusies en nam de wijk naar het zuiden. Bij FC Barcelona werd hij weer verenigd met Michels en opnieuw was de tandem succesvol. Barça, dat al veertien jaar naast het politieke juk ook het sportieve overwicht van Madrid moest ondergaan, hunkerde naar een titel als gelovigen naar hun Verlosser. Cruijff, de beste speler van dat ogenblik, werd ingehaald als 'JC Messias'. En Cruijff zorgde voor de verlossing: in 1974 speelden de blaugrana kampioen. En passant werd erfvijand Real in eigen Bernabéu met 0-5 vernederd. In de documentaire En un momenta dado (2004) zie je hoe oude Catalanen beginnen te huilen bij die herinnering: 'We luisterden naar de radio en omhelsden elkaar bij elke goal. Hij gaf ons onze trots terug.' Aan het debuut van Cruijff voor Barcelona zat trouwens een Belgisch tintje: de sparringpartner in een door Michels gearrangeerde vriendenmatch was ... Cercle Brugge! De coach van de Bruggelingen, Han Grijzenhout, had nog onder Michels bij Ajax gewerkt en zo mocht groen-zwart begin september 1973 naar Nou Camp afreizen om er het eerste optreden van Cruijff te faciliteren. Maar de Bruggelingen waren een even hulpeloze boksbal als Jean-Pierre Coopman dat drie jaar later in zijn kamp tegen Muhammad Ali zou zijn. Cruijff en co mepten de troepen van Grijzenhout vlot tegen de grasmat: 6-0.Een nog opmerkelijker verhaal is dat van Cruijffs allerlaatste wedstrijd. Dat was niet de afscheidsmatch Ajax-Bayern in 1978. Die eindigde trouwens op maar liefst 0-8. Bayern was door eerdere gebeurtenissen (enkele EC-nederlagen, een slecht onthaal in Amsterdam) redelijk geprikkeld en ging voluit, terwijl enkele jongere Ajacieden het vertikten om zich in te spannen voor 'die praatjesmaker' van Barça. Cruijffs laatste wedstrijd is ook niet de kampioenschapswedstrijd van Feyenoord op Willem II in 1984. Feyenoord, jawel, want in het tweede deel van zijn actieve loopbaan ging de legendarische nummer 14 na weer eens een akkefietje met het Ajaxbestuur bij de aartsrivaal aan de slag. Neen, voor hij zijn schoenen definitief aan de wilgen hing, speelde Cruijff nog een partijtje in Saudi-Arabië. Begin 1985 had prins Faisal persoonlijk de Rotterdamse club uitgenodigd voor een wedstrijd tegen Al-Ahli - op voorwaarde dat Cruijff erbij zou zijn. Maar die was dus eigenlijk al een halfjaar gestopt... Voor véél geld ging hij toch overstag. Bij aankomst in Djedda bleek er trouwens nog een voorwaarde: Cruijff moest de eerste helft met Al-Ahli meedoen! De wedstrijd was nog één laatste Cruijffshow. Hoewel hij al maanden niet getraind had, zette hij de Saudi's met twee doelpunten op voorsprong. In de tweede helft - opnieuw in Feyenoordtenue - bood hij Ruud Gullit op een schoteltje de 2-1 aan. Behalve een royale gage mocht Cruijff van de prins ook een Rolex en een theeservies in 24-karaats goud mee naar huis nemen. Ja, Cruijff en de centen ... er zijn de wildste geruchten over verspreid. Zijn broer Hennie - ze waren nooit de dikste vrienden - bestrijdt dat Johan een geldwolf was: 'Hij was wel een zorgzaam iemand, hij wilde niet dat zijn gezin, zijn vrienden of collega's te kort werd gedaan of dat ze hetzelfde gemis zouden voelen als hij in zijn jeugd, nadat onze vader overleden was.' En dus borrelde de rebel in de voetballer naar boven, die omwille van betere contracten en hogere premies in opstand kwam tegen het gezag van club- en bondsleiders. Met aan zijn zijde Cor Coster, zijn schoonvader en tegelijk zijn makelaar. Die sleepte ook deals met schoenen-, wasmiddelen-, drank- en zelfs sigarettenmerken in de wacht. Cruijff, die op een bepaald moment in zijn carrière vier pakjes per dag rookte, maakte reclame voor Roxy Dual, een 'teer- en nicotinearme' sigaret, want: 'Ik vind: als je rookt, moet je wel verstandig roken.' Het zou dezer dagen ondenkbaar zijn - en het is hem mogelijk ook fataal geworden - maar het legde hem destijds geen windeieren. Eind jaren 80 en vooral na zijn operatie in 1991 - Cruijff was dan al trainer geworden, ook bij Ajax en Barcelona - kregen zijn zakelijke bezigheden een filantropisch kantje. Hij figureerde nu in een reclamespot tégen roken, werd goodwillambassadeur van een aantal organisaties en richtte zelf zijn Johan Cruyff Foundation op. Die zorgt onder meer voor synthetische voetbalveldjes voor de jeugd (de Cruyff Courts) en laat gehandicapte kinderen aan sport doen. Er zijn ook scholen die hij steunde, zoals de Cruyff University in Tilburg en het Cruyff Institute in Amsterdam. Hoewel hij zelf flink doneerde, relativeerde hij bescheiden zijn rol in de Foundation: 'Ik geef mijn naam daaraan en dat wordt gecontroleerd door de mensen daar. Ik ben de lamp, zeg maar, die aanstaat.' Waar hij op voetbalvlak amper wat van zijn felheid had ingeboet - getuige de vlammende ruzie met Ajax en zijn tegenpool Louis van Gaal jaren geleden - was Cruijff in het dagelijkse leven een bezadigde en goedlachse opa geworden, met een groot hart voor de mensen. Wijze woorden sprak hij anderhalf jaar geleden in Voetbal International: 'Topsport is een serieuze bezigheid, maar er moet wel wat te lachen zijn. Zo heb ik altijd in het leven gestaan. Weet je wat het is? In je laatste jas zitten geen zakken. Als je in je kist ligt, heb je niks meer aan status of geld. Dus geniet van de dingen die je doet. En probeer anderen te laten meegenieten.' Dat deed Johan Cruijff overvloedig. Zijn lamp zal altijd blijven branden.