Heel anders dan vroeger is het nu om een afspraak te maken met een voetballer of trainer. Je belt of mailt naar de perswoordvoerder van de club en die laat je dan weten of een interview mogelijk is. Dat vindt dan meestal plaats op de club.
...

Heel anders dan vroeger is het nu om een afspraak te maken met een voetballer of trainer. Je belt of mailt naar de perswoordvoerder van de club en die laat je dan weten of een interview mogelijk is. Dat vindt dan meestal plaats op de club. Er is een tijd geweest dat je als journalist voetballers rechtstreeks contacteerde. Je belde op een maandag naar pakweg Jan Ceulemans en die zei dat je 's woensdags bij hem thuis mocht langskomen. Pas twee dagen later? Of het niet de dag daarop al kon, vroeg je aan Ceulemans. Die zuchtte eens en zei vervolgens dat het goed was. Ooit belden we op de ochtend van een wedstrijd naar Uli Stein, de doelman van Eintracht Frankfurt en de Duitse nationale ploeg. Hij vond het niet erg dat hij gestoord werd en legde meteen een datum voor een interview vast. Vervolgens vertelde hij uitgebreid hoe we moesten rijden, want door wegwerkzaamheden waren er een paar omleidingen. Heel ongebruikelijk was het dat je naar een voetballer of trainer belde en je die niet te pakken kreeg. En als dat al eens gebeurde, dan werd je daar op den duur bloednerveus van. Ooit, in november 1989, moesten we met het verzoek voor een interview zeventien keer bellen naar Hans Krankl, de mythische Oostenrijkse voetballer die op dat moment trainer was van Rapid Wien en met deze club Europees moest spelen tegen Club Luik. Per hoge uitzondering diende je Krankl te bereiken via de club. Zestien keer was de voormalige goalgetter net niet bereikbaar. Waarom, zo dacht je op een gegeven moment berustend, zou een topper uit het wereldvoetballer geïnteresseerd zijn in een verhaal in een Belgisch voetbalweekblad? Had de beste Oostenrijkse voetballer aller tijden, 34 doelpunten in 70 A-interlands, geen andere dingen te doen? Tot hij dus uiteindelijk toch aan de telefoon kwam. Toen je dan later de kleedkamer van Rapid Wien betrad, hingen op een prikbord uittreksels uit dat magazine. Het proza over Club Luik van collega Pierre Bilic was het Weense bastion binnengesmokkeld. Hans Krankl bleek een erg innemende man te zijn, die als voetballer werd gedreven door het instinct dat goalgetters kenmerkt en over een staalharde linker beschikte. Hij vertelde op een haast lyrische manier over zijn tweejarig verblijf bij FC Barcelona, over de rillingen die hij kreeg toen 100.000 toeschouwers voor iedere thuiswedstrijd het Catalaans volkslied zongen. Hij was heel gelukkig dat hij nu, bij zijn voormalige club Rapid Wien, in het trainersvak mocht debuteren en dat hij weer structuur kreeg in een op drift geslagen ploeg. Als jonge trainer die, zo benadrukte hij, zich in de gedachtewereld van de spelers kon verplaatsen. Hij vertelde ook dat hij na iedere wedstrijd met de groep samen ging eten, omdat je zo kameraadschap kweekte, na overwinningen maar veel meer nog na nederlagen. En hij zei dat hij bij de komende Europese tegenstander, Club Luik dus, één voetballer had gezien die hem heel erg had geïmponeerd: Jean-François de Sart. Anderhalf uur lang praatte Hans Krankl met gloed en passie. Tijdens het interview kwamen er via het secretariaat vijf telefoons voor de Rapidtrainer, maar hij bromde telkens: "Zeg dat ik er niet ben." Toen werd ons duidelijk waarom we zeventien keer moesten bellen. Vreemd dat Hans Krankl het als trainer nooit zou maken. Op een korte passage bij de Duitse tweedeklasser Fortuna Köln na bleef hij in Oostenrijk. Tussen 2002 en 2005 was hij drie jaar bondscoach van Oostenrijk, vervolgens duurde het vier jaar voor LASK Linz hem contacteerde. Zijn verblijf daar duurde drie maanden. Nadien zette de vorige maand 61 geworden Hans Krankl een punt achter zijn trainerscarrière. Dat hij als trainer nooit de top bereikte, heeft hij moeten accepteren. Hij had het zich toen, tijdens het interview, allemaal anders voorgesteld. Toen we hem vroegen of hij nog een droom had, moest hij geen seconde nadenken: "Trainer worden van Barcelona." Heel even sloot hij toen de ogen. Alsof hij zichzelf weer in Camp Nou waande. In zijn hoofd speelde het Catalaanse volkslied.