Ingrid Braem (64): 'Thuis heb ik een Lieve-Vrouwke van Lourdes. Vóór elke match zeg ik tegen haar: 'Lieve-Vrouwke, alstublieft, breng Beveren geluk.' Ik ben een beetje gelovig. Het gebeurt dat ik naar de kapel van Gaverland ga om een noveenkaars van negen dagen aan te steken. Dat is dan ook voor de match nadien. En dan zet ik twee gewone kaarsen bij de Heilige Theresia. Soms helpt dat.
...

Ingrid Braem (64): 'Thuis heb ik een Lieve-Vrouwke van Lourdes. Vóór elke match zeg ik tegen haar: 'Lieve-Vrouwke, alstublieft, breng Beveren geluk.' Ik ben een beetje gelovig. Het gebeurt dat ik naar de kapel van Gaverland ga om een noveenkaars van negen dagen aan te steken. Dat is dan ook voor de match nadien. En dan zet ik twee gewone kaarsen bij de Heilige Theresia. Soms helpt dat. 'Hier in de perszaal staan drie kaarsen in mijn kast: een van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, een van Onze-Lieve-Vrouw van Geluk en een van de Heilige Rita. Maar die van de Heilige Rita steek ik nooit meer aan; naar het schijnt brengt die geen geluk. Ook mijn andere laat ik de laatste tijd in de kast. Onze jongens spelen goed zonder dat die kaarsen branden. Als de ploeg het terug wat lastiger krijgt, steek ik ze weer aan. 'Al vanaf de jaren negentig schenk ik hier koffie voor de journalisten en de fotografen. De meesten zijn heel beleefd, maar er zijn er wel bij die thuis geen eten krijgen, denk ik. Als hier sandwiches staan, vliégen sommigen daarnaartoe. Dan nemen ze er een paar tegelijk. Dat vind ik overdreven. Vroeger zag je hier ook journalisten die vóór de match al drie of vier pinten dronken. Ik vroeg de voorzitter eens of we niet beter enkel bier nog zouden serveren als de wedstrijd gedaan is. Hij gaf mij gelijk. 'Als alle journalisten na de match naar huis zijn, trek ik nog eens naar boven. Ik blijf graag nog wat plakken. Maar de meeste mensen zijn dan al weg. De sfeer is niet meer zoals vroeger. Toen stond er een discobar en werd hier tot vier uur gedanst. 'De schoonste tijd beleefden we toen Herman Helleputte hier trainer was van de Ivorianen. Ik kwam toen helpen om de spelers eten te geven. Jeanine, de zus van Herman, kookte en ik diende mee op. Die Ivorianen zeiden allemaal mammie tegen ons. We kregen zo verschrikkelijk veel vriendschap van hen; dat was echt leutig. Op een keer bracht Boubacar Copa voor Jeanine en mij zelfs eens een kleed mee uit Ivoorkust, een lang gewaad, dat viel tot op de grond, in allerlei kleuren, met een rechthoekig uitgesneden hals. Schoon was het niet, ik dacht direct: ik ga dat aandoen om mee te kuisen. Maar zelfs daarvoor heb ik het uiteindelijk nooit gedragen. Het was wel enorm sympathiek van Copa. 'Met die Ivorianen maakten wij van alles mee. Als zij spinaziestoemp met worsten kregen, moest je er zeker bij blijven, anders had de ene alle worsten en de andere geen enkele. Ik weet ook nog dat Emmanuel Eboué eens per ongeluk een worst liet vallen op de schoot van Mohammed Diallo en dat Diallo toen Eboué meteen naar de keel vloog, woest omdat er een vlek op zijn broek zat. Maar even later was dat weer voorbij. Op een keer kropen die Ivorianen ook eens met een glazen fles water onder de douche. Natuurlijk brak die fles. Toen moest iemand de scherven gaan opruimen. Dat is mij lang doorgestoken: 'Gij tussen al die blote Afrikanen, toen hebt ge uw ogen wel uitgekeken, zeker?' Maar ik heb echt gewoon dat glas opgeruimd en naar niks anders gekeken.'