Onlangs was ik te gast in het radioprogramma Koning sport van Luk Alloo samen met Jan Boskamp. De Rotterdammer oogt fit en het viel me direct op dat hij enkele kilootjes was kwijtgeraakt. Hij heeft zich een nieuwe linkerknie laten zetten, en na een geslaagde operatie maakt hij de fitnesszalen met zijn gekend enthousiasme onveilig. Jan is bezeten van voetbal, een echt voetbalbeest, even erg als Raymond Goethals. Het werd een hilarische uitzending, en er werd wat afgelachen, maar dat is wel eens anders geweest!
...

Onlangs was ik te gast in het radioprogramma Koning sport van Luk Alloo samen met Jan Boskamp. De Rotterdammer oogt fit en het viel me direct op dat hij enkele kilootjes was kwijtgeraakt. Hij heeft zich een nieuwe linkerknie laten zetten, en na een geslaagde operatie maakt hij de fitnesszalen met zijn gekend enthousiasme onveilig. Jan is bezeten van voetbal, een echt voetbalbeest, even erg als Raymond Goethals. Het werd een hilarische uitzending, en er werd wat afgelachen, maar dat is wel eens anders geweest! Tussen Anderlecht en RWDM was het tijdens onze periode haat en nijd, dat is het minste wat men kon zeggen. Alles is begonnen met een uitspraak in een krant van de voorzitter van de fusieclub, de grote bouwmagnaat Jean-BaptisteL'Ecluse. Hij verklaarde doodleuk dat RWDM de eerste ploeg van Brussel ging worden, en dat zijn taak maar zou zijn volbracht als hij een appartementsgebouw had neergepoot op het hoofdveld van paars-wit. Ook Michel Verschueren, de toenmalige manager van de Molenbekenaars, deed gretig mee aan de anti-Anderlechtcampagne. Merkwaardig, nietwaar? Dit alles was in het verkeerde keelgat geschoten van Constant Vanden Stock. Voor hem waren de matchen tegen de 'paljassen van L'Ecluse', zoals hij ze noemde, belangrijker geworden dan topwedstrijden tegen Standard of Club Brugge. Dat kon men aan alles merken. Iedereen op Anderlecht liep er nerveus bij voor de Brusselse derby en er werd met extra premies gesmeten, indien er werd gewonnen. Na onze Europacupkwalificatie tegen Olympiacos Piraeus in Griekenland dachten we een stapje in de wereld te zetten na de match. Brute pech, want de daaropvolgende zaterdag moesten we tegen onze aartsrivaal spelen. We mochten ons hotel niet uit, en 's nachts moest onze verzorger, Fernand Beeckman, op ronde, om onze kamers te controleren op onregelmatigheden. Een speler, wiens naam ik nu niet ga noemen - want ik heb Attila Ladinsky beloofd om eeuwig te zwijgen - liep tegen de lamp. Die lag te rollebollen met een plaatselijke schone toen Beeckman de deur van zijn kamer opende. Ik zou zijn boete niet graag betaald hebben! De grote baas van RWDM, de keizer van het Edmond Machtensstadion, was Jan Boskamp, die regelmatig ook nog een beetje olie op het vuur goot met verklaringen zoals: 'Ik haat Anderlecht.' Merkwaardig, nietwaar? Men kon als speler van Molenbeek beter maar goed staan met 'Den Bos', anders had je kans dat je loopbaan maar zeer kort was in het Brusselse. Dat mocht Paul Van Himst ondervinden, toen hij na aandringen van Michel Verschueren heiligschennis pleegde en overstapte naar RWDM. De reactie van Boskamp liet niet lang op zich wachten. In alle kranten verklaarde hij: "Nog een aanvallende middenvelder, waarom is dat nodig? We zullen elkaar voor de voeten lopen op het middenveld." Volgens Boskamp was Van Himst 'ne mauve', en dat zou altijd zo blijven! In het begin heeft de drievoudige Gouden Schoen het niet onder de markt gehad met de Hollander. De ploegafgevaardigde die Jan goed kende, moest zelfs bemiddelen om de plooien glad te strijken. Daarna ging het beter, maar de grote liefde op voetbalgebied is het toch nooit geworden. Niet veel later speelde Van Himst zijn eerste Brusselse derby aan de zijde van de vijand. 'Polle' werd als een verrader ontvangen door het Anderlechtpubliek. De match was een slachtpartij en Van Himst vroeg aan de rust zijn vervanging. Boskamp was voorbestemd om later trainer te worden van de fusieclub, maar dat is anders uitgedraaid. Na het ontslag van coach Jean-Pierre Borremans had Jan de ploeg een paar weken onder handen genomen. Hij peigerde zijn spelers af, maar ze wonnen wel match na match. Dat was echter niet naar de zin van sommige jonge spelers, die front tegen hem vormden. Ze wilden wel veel geld verdienen, maar zich keihard inzetten op training, neen, dat was te veel gevraagd! Sommigen waren trouwens altijd vermoeid of geblesseerd en kwamen maximaal twee keer per week trainen. Door al die toestanden kwam het tot een handgemeen tussen Franky Van der Elst en Boskamp. Het bestuur koos de zijde van de jongeren, die dan ook goedkoper waren, en het liedje was uit: 'Den Bos' kon vertrekken. Het begin van het einde voor RWDM. "Paul Van Himst heeft het ondervonden."