Exact drie jaar geleden, eind december 2008, stond op deze pagina's een interview met Roland Juhász (28). De vaste waarde in de verdediging van Anderlecht was op dat moment net verkozen tot 'Voetballer van het Jaar' in zijn vaderland Hongarije. Maar het gesprek bleef ons vooral bij omdat Juhász toen emotioneel sprak over het verlies van zijn vader, die een jaar eerder gestorven was. József Juhász was in april 2007, op amper 47-jarige leeftijd, bezweken aan een hartaanval.

"Ik herinner me nog goed hoe ik het nieuws vernam", vertelde Roland toen. "We waren op afzondering voor een bekerwedstrijd en we kregen net theorie. Mijn moeder probeerde mij te bellen, wat op zich al vreemd is, want normaal gezien belden we altijd even ná de wedstrijd. Nooit ervoor. Ik liet dus bellen, maar daarop stuurde ze meteen een sms dat ze me dringend moest spreken. Ik dacht dat het over mijn grootmoeder ging, die toen geopereerd werd, en antwoordde dat ze me later moest bellen. Maar dan stuurde ze dat berichtje dat mijn vader dood was. Ik wist totaal niet hoe ik moest reageren...

"De dood van mijn vader was een enorme klap, vooral omdat het zo onverwacht kwam. Er was geen vuiltje aan de lucht, hij ging zoals elke dag naar het werk en plots was het gedaan. Van mijn vaderskant blijft er nu niemand over. ( zucht) Die periode na de dood van mijn vader was echt moeilijk. Ik heb geen broers of zusters, dus mijn moeder stond er thuis nagenoeg alleen voor. Ik voelde me vanuit België zo hulpeloos.

"Soms denk ik er nog aan, vooral als ik naar Hongarije terugkeer. Wanneer ik door het ouderlijke huis loop, word ik er geconfronteerd met al die herinneringen aan vroeger: de pantoffels van mijn vader die altijd op dezelfde plek stonden, bijvoorbeeld. Dan krijg ik het moeilijk. Ik praat daar zelden over, maar het is het rotste gevoel dat ik ooit gekend heb. Maar misschien blijkt binnen een aantal jaren dat de dood van mijn vader een kantelmoment in mijn leven betekende."

Het waren openhartige woorden die in schril contrast stonden met de sportieve hoogconjunctuur die Juhász op dat moment beleefde met Anderlecht.

Respect vanuit België

December, opnieuw. De periode dat we allen de voeten onder tafel schuiven bij de familie en klinken op het voorbije en het komende jaar. Roland Juhász ontving onlangs de prijs voor Hongaars voetballer van het Jaar. Net zoals drie jaar geleden. Een mooie aanleiding, zo leek ons, om met Roland Juhász even stil te staan bij het heden en het verleden. Heeft het verlies van zijn vader hem nu inderdaad veranderd?

Met zijn permissie trokken we Roland achterna naar zijn ouderlijke huis in Tápiószentmárton, een dorpje van om en bij de 5000 inwoners op een klein uurtje rijden van hoofdstad Boedapest - waar Roland een appartement heeft en zijn late tienerjaren doorbracht. Zijn moeder Kollar Erzsebét (53), een montere en hartelijke dame, woont er nog steeds in hetzelfde huis waar Roland opgroeide.

Het eerste wat opvalt is de innige band die de rijzige verdediger heeft met zijn moeder. Zonder veel woorden, maar met subtiele gebaren en veelzeggende blikken. We zien een heel andere Roland dan de nogal stuurse verdediger op het voetbalveld. Buiten schijnt een blije herfstzon, alsof ze mee kijkt naar de taferelen in het huis.

Terwijl we plaatsnemen voor het interview merken we dat er in de woonkamer nauwelijks foto's van József te bespeuren zijn. Daar is een goede reden voor...

Kollar: "Het eerste jaar na zijn dood wilde ik niet met zijn afbeelding geconfronteerd worden."

Roland: "Anderhalf jaar lang heeft mama ook niets verplaatst in huis. De pantoffels en kleren van mijn vader bleven allemaal onaangeroerd."

Kollar: "De eerste drie maanden na zijn dood heb ik zelfs elke dag het bed opgemaakt alsof hij er nog was. Pas na die tijd besefte ik: hij is er niet meer. Er waren twee oplossingen: zelfmoord plegen of sterk zijn en vechten."

Ze koos gelukkig voor het tweede. Na het plotse overlijden van haar man probeerde Kollar haar zinnen te verzetten door een tijdelijke verhuis naar Brussel, bij haar zoon Roland.

Roland: "Maar dat werkte niet, ze heeft het slechts twee weken uitgehouden in België. Dit is haar thuis, hier in Tápiószentmárton. Mijn grootouders wonen vlakbij. "

Kollar: "Toen Roland destijds naar Brussel vertrok deed dat pijn. Dat gevoel van gemis wordt elk jaar erger, merk ik. Ik kijk er telkens enorm naar uit als hij met de nationale ploeg terug in het land is en een dagje vroeger of later kan langskomen. Maar goed, ik besef dat het voor zijn carrière noodzakelijk was om naar het buitenland te vertrekken."

Roland: "Sinds de dood van mijn vader heeft ze het heel moeilijk met mijn afwezigheid."

Kollar: "Als ik erop terugkijk, vind ik dat alles zo snel ging. Ik zie hem nog zijn eerste profcontract tekenen bij MTK Boedapest. Soms maak ik me de bedenking dat het tof zou geweest zijn om een 'normale' zoon te hebben. Eentje die na de schooluren thuis kwam en met wie je samen aan tafel zat voor het avondeten. Roland was al vanaf zijn dertien jaar constant op pad: om zes uur 's ochtends vertrok hij naar school en 's avonds zagen we hem pas om tien uur terug, na zijn training."

Roland: "We hebben een plan: wanneer ik na mijn carrière terugkeer naar Hongarije komt ze in de wijk bij mij en mijn dochtertje in Boedapest wonen. Op die manier hopen we toch een beetje verloren tijd in te halen."

Kollar: "Pas op, ik zie dat Roland het in België goed heeft. Hij woont er in een mooi huis, de supporters respecteren hem. Anderlecht is goed voor Roland."

Roland: "Ik moet zeggen dat ik die waardering ook voel. Zeker de laatste jaren. Afgelopen zomer, met die interesse van Glasgow Rangers, merkte ik toch ook dat ze me op de club graag zouden houden."

Kollar: "Vooral na het overlijden van zijn vader kreeg Roland veel steun van de Anderlechtfans. De begrafenis was op vrijdag en twee dagen later speelde Roland al mee op Gent. Ik heb nadien op Youtube gezien welke reactie de supporters hadden. Mooi."

En wat vond de mama eigenlijk dat Roland amper twee dagen na de begrafenis al gewoon weer op een voetbalveld stond?

Kollar: "Ik begreep hem. Frankie Vercauteren vertelde dat het belangrijk kon zijn om toch te spelen."

Roland: "Achteraf bekeken vond ik het een goede beslissing. Ik kon er mijn zinnen verzetten. Dat is altijd al zo geweest: op een voetbalveld zet ik alle privéproblemen van mij af. Alsof er een knopje omgedraaid wordt in mijn hoofd."

Carpe diem

De dagen zijn nu anders in Tápiószentmárton. De familie Juhász probeert tegenwoordig meer te genieten van de 'kleine dingen des levens'. Roland heeft dat duidelijk moeten leren. Als tiener was hij al een kereltje dat vaak piekerde en vooral op tekortkomingen focuste. Het plotse verlies van zijn vader heeft hem daarin veranderd. Het is dus toch een kantelmoment geweest, zoals hij het zich enkele jaren geleden hardop afvroeg.

Kollar: "Roland is altijd zijn eigen grootste criticus geweest. Soms meer dan goed voor hem was."

Roland: "Ik ben veel positiever geworden, meer carpe diem. Ik heb met mijn ogen gezien hoe mijn vader altijd heel hard werkte en vergat te profiteren van het leven. Mijn vader was een zeer sterke man. Hij ging gewoon naar het werk zoals altijd en ineens, zonder enige aanleiding, stuikte hij ineen. Toen de dokter ter plaatse kwam, was het al te laat... er waren geen defibrillators in de ziekenwagen. Ik bied trouwens al enkele jaren financiële steun aan een kliniek, zodat ze tenminste het nodige materiaal kunnen aanschaffen.

"Mijn vader was een erg gesloten man. Volgens mij is dat introverte karakter mee de oorzaak van zijn hartfalen. Hij hield veel problemen voor zichzelf. Alleen in de laatste maanden voor zijn dood veranderde hij plots. Ik had hem nooit eerder zien wenen, maar in die periode wel. Als ik op bezoek kwam en ik gaf hem een geschenk, zag ik dat zijn ogen waterig stonden. Dat was een nieuw gegeven. Sindsdien besef ik nog veel meer dan vroeger dat het belangrijk is om soms je hart te kunnen luchten. Met mama kan dat. Dat is altijd zo geweest. De dingen werden verteld zoals ze zijn, face to face."

Kollar: "Ik zie meteen aan Rolli wanneer er iets scheelt."

Roland: "En omgekeerd ook. De hele familie hangt stevig aan elkaar. Ook de grootouders, de tantes en nonkels. Iedereen woont hier in het dorp. Mijn mama heeft zeven zussen en broers. Iedereen kwam kijken naar mijn matchen. Zelfs nu nog."

Verbaal agressiever

Kollar Erzsébet werkt al ruim dertig jaar als administratief verantwoordelijke in een landbouwbedrijf. Hoewel haar zoon nu goed geld verdient, wijzigde er nooit iets aan haar levensstijl. Nog steeds rijdt ze elke ochtend met de fiets naar haar werk, twee kilometer verderop. Kollar: "Ik hoef geen nieuwe wagen of huis. Materiële zaken interesseren me niet. Trouwens, door die fietstochtjes doe ik tenminste een beetje aan sport."

"Toen ik onlangs een nieuwe computer kocht voor haar, heb ik dat zelfs stiekem moeten doen, anders zou ze dat nooit aanvaarden", schuddebolt Roland. Kollar: "Wij zijn simpele mensen en dat wil ik zo houden. Daarom ben ik vooral fier dat Roland zichzelf is gebleven. Veel collega-voetballers vergeten wel eens waar ze vandaan komen."

Roland: "Wanneer ik hier in het dorp klasgenoten van vroeger tegenkom, vragen ze me soms: ken je me nog? Ik vind dat een vreemde vraag. Waarom zou ik hen vergeten zijn? Omdat ik nu goed geld verdien?!

"Papa verdiende zijn brood als elektricien. We hadden net genoeg om rond te komen. Ik ben opgegroeid met de mentaliteit: voor wat, hoort wat. Je mag het jezelf niet te gemakkelijk maken."

Kollar: "Vanaf zijn tien jaar trok hij zijn plan. Hij ging alleen naar de school en de trainingen. Ik weende veel, maar ik wilde het hem niet verbieden want we zagen hoe erg hij op dat voetbal gesteld was. Het vroeg wel een serieuze investering van ons. Om je zoon een degelijke voetbalopleiding aan te bieden moest je toch over wat financiële reserves beschikken. Er waren veel jongetjes die konden voetballen, maar vaak konden hun ouders de opleiding niet betalen."

Roland: "Mijn ouders hebben samen met enkele andere ouders uit de buurt hun schouders gezet onder de plaatselijke club. Ze zorgden ervoor dat we elk jaar in Frankrijk een jeugdtoernooi konden spelen en zorgden dan voor eten, transport en uitrustingen. Als tienjarige sta je daar niet bij stil, maar voetbal was een dure sport. Op een bepaalde leeftijd besefte ik dat en zei ik tegen mijn ouders: 'Ik zal nooit profvoetballer worden, want ik wil niet dat jullie alles opofferen voor mij.'

"Om je een idee te geven: mijn favoriete voetbalschoenen waren Adidas Copa Mundial, mama deed elk jaar de moeite om mij een nieuw paar te kopen. Die schoenen kostten haar de helft van haar maandelijks inkomen. Zonder overdrijven. Daarom nam ik het voetbal ook zo serieus."

Kollar: "Ik heb hem ooit eens gevraagd om niet te gaan trainen. Ik zag dat hij oververmoeid was en ik zei tegen hem dat één training missen niet het einde van de wereld zou betekenen. Maar Roland ging niet akkoord: een training missen behoorde niet tot de opties."

Roland: "Ik heb vaak met blessures gespeeld. Zo heb ik op mijn twaalfde eens op eigen houtje mijn vinger gespalkt door de plastieken latjes van mijn scheenbeschermers te gebruiken."

Kollar: "Op het veld is hij een echte krijger, maar ik begrijp waarom. Die verandering was nodig. Vroeger was hij een timide, braaf jongetje. Als je het in het profvoetbal wilt maken, moet je harder zijn. Het was ook geen bruuske transformatie, eerder een geleidelijke evolutie."

Roland: "De laatste twee jaar ben ik agressiever geworden, vooral verbaal dan. Ik breng wat meer peper in de wedstrijd. Omdat ik vind dat we met een rustige, brave groep zitten bij Anderlecht. Terwijl je soms iemand nodig hebt die de boel scherp houdt."

Hongaars voetballer van het decennium

De pruttelende pot op het fornuis geeft ons subtiel aan dat het tijd is om het gesprek af te ronden en ons bandopnemertje opzij te schuiven voor een bord vers gedraaide boerenworsten. "Speciaal in het dorp gemaakt", knipoogt Roland. "Ze houden hier zelfs elk jaar een WK worstendraaien."

Na het tafelen toont Roland ons nog zijn vroegere slaapkamer, die tegenwoordig dienst doet als trofeeënkast. We wijzen op een grote beker die onderaan staat. "Gekregen voor mijn verkiezing tot Hongaars voetballer van het decennium", glundert Roland. "Gekozen door spelers en bondsmensen. Het is een trofee die me zeer dierbaar is."

In de hoek van de kamer staat een synthesizer in de doos opgeborgen. De Anderlechtman grijnst eens: "Voor ik in clubverband ging voetballen, speelde ik piano. Tweemaal per week kreeg ik pianoles. Ik was eigenlijk behoorlijk goed... al was mijn vader daar meer van overtuigd dan mijn moeder."

Buiten heeft de zon zijn eindsprint richting horizon ingezet. Roland verrast ons: "Telkens als ik hier ben, ga ik ook even dag zeggen aan mijn vader. Als jullie willen, kunnen jullie mee naar het kerkhof."

We rijden achter Roland en zijn moeder mee. Het kerkhof van Tápiószentmárton baadt in een paarsoranje herfstgloed. Het kerkhof is in twee delen opgesplitst: links liggen de reformisten, rechts de katholieken. We begeven ons naar het gangpad rechts. Roland groet zijn vader. Hij en zijn moeder gaan sereen en spontaan met het intieme moment om, ondanks onze aanwezigheid.

Het moment is echter gekomen om moeder en zoon hun schaarse tijd samen te gunnen. We nemen afscheid en enkele tellen later springen de lichten van onze wagen automatisch aan. De zon is ondertussen achter de horizon verdwenen. In onze achteruitkijkspiegel zien we moeder en zoon arm in arm van het kerkhof wandelen.

DOOR MATTHIAS STOCKMANS - BEELDEN IMAGEGLOBE

"Roland is altijd zijn eigen grootste criticus geweest. Soms meer dan goed voor hem was." moeder Kollar

"Anderhalf jaar lang heeft mama niets verplaatst in huis. De pantoffels en kleren van mijn vader bleven allemaal onaangeroerd." Roland Juhász

Exact drie jaar geleden, eind december 2008, stond op deze pagina's een interview met Roland Juhász (28). De vaste waarde in de verdediging van Anderlecht was op dat moment net verkozen tot 'Voetballer van het Jaar' in zijn vaderland Hongarije. Maar het gesprek bleef ons vooral bij omdat Juhász toen emotioneel sprak over het verlies van zijn vader, die een jaar eerder gestorven was. József Juhász was in april 2007, op amper 47-jarige leeftijd, bezweken aan een hartaanval. "Ik herinner me nog goed hoe ik het nieuws vernam", vertelde Roland toen. "We waren op afzondering voor een bekerwedstrijd en we kregen net theorie. Mijn moeder probeerde mij te bellen, wat op zich al vreemd is, want normaal gezien belden we altijd even ná de wedstrijd. Nooit ervoor. Ik liet dus bellen, maar daarop stuurde ze meteen een sms dat ze me dringend moest spreken. Ik dacht dat het over mijn grootmoeder ging, die toen geopereerd werd, en antwoordde dat ze me later moest bellen. Maar dan stuurde ze dat berichtje dat mijn vader dood was. Ik wist totaal niet hoe ik moest reageren... "De dood van mijn vader was een enorme klap, vooral omdat het zo onverwacht kwam. Er was geen vuiltje aan de lucht, hij ging zoals elke dag naar het werk en plots was het gedaan. Van mijn vaderskant blijft er nu niemand over. ( zucht) Die periode na de dood van mijn vader was echt moeilijk. Ik heb geen broers of zusters, dus mijn moeder stond er thuis nagenoeg alleen voor. Ik voelde me vanuit België zo hulpeloos. "Soms denk ik er nog aan, vooral als ik naar Hongarije terugkeer. Wanneer ik door het ouderlijke huis loop, word ik er geconfronteerd met al die herinneringen aan vroeger: de pantoffels van mijn vader die altijd op dezelfde plek stonden, bijvoorbeeld. Dan krijg ik het moeilijk. Ik praat daar zelden over, maar het is het rotste gevoel dat ik ooit gekend heb. Maar misschien blijkt binnen een aantal jaren dat de dood van mijn vader een kantelmoment in mijn leven betekende." Het waren openhartige woorden die in schril contrast stonden met de sportieve hoogconjunctuur die Juhász op dat moment beleefde met Anderlecht. December, opnieuw. De periode dat we allen de voeten onder tafel schuiven bij de familie en klinken op het voorbije en het komende jaar. Roland Juhász ontving onlangs de prijs voor Hongaars voetballer van het Jaar. Net zoals drie jaar geleden. Een mooie aanleiding, zo leek ons, om met Roland Juhász even stil te staan bij het heden en het verleden. Heeft het verlies van zijn vader hem nu inderdaad veranderd? Met zijn permissie trokken we Roland achterna naar zijn ouderlijke huis in Tápiószentmárton, een dorpje van om en bij de 5000 inwoners op een klein uurtje rijden van hoofdstad Boedapest - waar Roland een appartement heeft en zijn late tienerjaren doorbracht. Zijn moeder Kollar Erzsebét (53), een montere en hartelijke dame, woont er nog steeds in hetzelfde huis waar Roland opgroeide. Het eerste wat opvalt is de innige band die de rijzige verdediger heeft met zijn moeder. Zonder veel woorden, maar met subtiele gebaren en veelzeggende blikken. We zien een heel andere Roland dan de nogal stuurse verdediger op het voetbalveld. Buiten schijnt een blije herfstzon, alsof ze mee kijkt naar de taferelen in het huis. Terwijl we plaatsnemen voor het interview merken we dat er in de woonkamer nauwelijks foto's van József te bespeuren zijn. Daar is een goede reden voor... Kollar: "Het eerste jaar na zijn dood wilde ik niet met zijn afbeelding geconfronteerd worden." Roland: "Anderhalf jaar lang heeft mama ook niets verplaatst in huis. De pantoffels en kleren van mijn vader bleven allemaal onaangeroerd." Kollar: "De eerste drie maanden na zijn dood heb ik zelfs elke dag het bed opgemaakt alsof hij er nog was. Pas na die tijd besefte ik: hij is er niet meer. Er waren twee oplossingen: zelfmoord plegen of sterk zijn en vechten." Ze koos gelukkig voor het tweede. Na het plotse overlijden van haar man probeerde Kollar haar zinnen te verzetten door een tijdelijke verhuis naar Brussel, bij haar zoon Roland. Roland: "Maar dat werkte niet, ze heeft het slechts twee weken uitgehouden in België. Dit is haar thuis, hier in Tápiószentmárton. Mijn grootouders wonen vlakbij. " Kollar: "Toen Roland destijds naar Brussel vertrok deed dat pijn. Dat gevoel van gemis wordt elk jaar erger, merk ik. Ik kijk er telkens enorm naar uit als hij met de nationale ploeg terug in het land is en een dagje vroeger of later kan langskomen. Maar goed, ik besef dat het voor zijn carrière noodzakelijk was om naar het buitenland te vertrekken." Roland: "Sinds de dood van mijn vader heeft ze het heel moeilijk met mijn afwezigheid." Kollar: "Als ik erop terugkijk, vind ik dat alles zo snel ging. Ik zie hem nog zijn eerste profcontract tekenen bij MTK Boedapest. Soms maak ik me de bedenking dat het tof zou geweest zijn om een 'normale' zoon te hebben. Eentje die na de schooluren thuis kwam en met wie je samen aan tafel zat voor het avondeten. Roland was al vanaf zijn dertien jaar constant op pad: om zes uur 's ochtends vertrok hij naar school en 's avonds zagen we hem pas om tien uur terug, na zijn training." Roland: "We hebben een plan: wanneer ik na mijn carrière terugkeer naar Hongarije komt ze in de wijk bij mij en mijn dochtertje in Boedapest wonen. Op die manier hopen we toch een beetje verloren tijd in te halen." Kollar: "Pas op, ik zie dat Roland het in België goed heeft. Hij woont er in een mooi huis, de supporters respecteren hem. Anderlecht is goed voor Roland." Roland: "Ik moet zeggen dat ik die waardering ook voel. Zeker de laatste jaren. Afgelopen zomer, met die interesse van Glasgow Rangers, merkte ik toch ook dat ze me op de club graag zouden houden." Kollar: "Vooral na het overlijden van zijn vader kreeg Roland veel steun van de Anderlechtfans. De begrafenis was op vrijdag en twee dagen later speelde Roland al mee op Gent. Ik heb nadien op Youtube gezien welke reactie de supporters hadden. Mooi." En wat vond de mama eigenlijk dat Roland amper twee dagen na de begrafenis al gewoon weer op een voetbalveld stond? Kollar: "Ik begreep hem. Frankie Vercauteren vertelde dat het belangrijk kon zijn om toch te spelen." Roland: "Achteraf bekeken vond ik het een goede beslissing. Ik kon er mijn zinnen verzetten. Dat is altijd al zo geweest: op een voetbalveld zet ik alle privéproblemen van mij af. Alsof er een knopje omgedraaid wordt in mijn hoofd." De dagen zijn nu anders in Tápiószentmárton. De familie Juhász probeert tegenwoordig meer te genieten van de 'kleine dingen des levens'. Roland heeft dat duidelijk moeten leren. Als tiener was hij al een kereltje dat vaak piekerde en vooral op tekortkomingen focuste. Het plotse verlies van zijn vader heeft hem daarin veranderd. Het is dus toch een kantelmoment geweest, zoals hij het zich enkele jaren geleden hardop afvroeg. Kollar: "Roland is altijd zijn eigen grootste criticus geweest. Soms meer dan goed voor hem was." Roland: "Ik ben veel positiever geworden, meer carpe diem. Ik heb met mijn ogen gezien hoe mijn vader altijd heel hard werkte en vergat te profiteren van het leven. Mijn vader was een zeer sterke man. Hij ging gewoon naar het werk zoals altijd en ineens, zonder enige aanleiding, stuikte hij ineen. Toen de dokter ter plaatse kwam, was het al te laat... er waren geen defibrillators in de ziekenwagen. Ik bied trouwens al enkele jaren financiële steun aan een kliniek, zodat ze tenminste het nodige materiaal kunnen aanschaffen. "Mijn vader was een erg gesloten man. Volgens mij is dat introverte karakter mee de oorzaak van zijn hartfalen. Hij hield veel problemen voor zichzelf. Alleen in de laatste maanden voor zijn dood veranderde hij plots. Ik had hem nooit eerder zien wenen, maar in die periode wel. Als ik op bezoek kwam en ik gaf hem een geschenk, zag ik dat zijn ogen waterig stonden. Dat was een nieuw gegeven. Sindsdien besef ik nog veel meer dan vroeger dat het belangrijk is om soms je hart te kunnen luchten. Met mama kan dat. Dat is altijd zo geweest. De dingen werden verteld zoals ze zijn, face to face." Kollar: "Ik zie meteen aan Rolli wanneer er iets scheelt." Roland: "En omgekeerd ook. De hele familie hangt stevig aan elkaar. Ook de grootouders, de tantes en nonkels. Iedereen woont hier in het dorp. Mijn mama heeft zeven zussen en broers. Iedereen kwam kijken naar mijn matchen. Zelfs nu nog." Kollar Erzsébet werkt al ruim dertig jaar als administratief verantwoordelijke in een landbouwbedrijf. Hoewel haar zoon nu goed geld verdient, wijzigde er nooit iets aan haar levensstijl. Nog steeds rijdt ze elke ochtend met de fiets naar haar werk, twee kilometer verderop. Kollar: "Ik hoef geen nieuwe wagen of huis. Materiële zaken interesseren me niet. Trouwens, door die fietstochtjes doe ik tenminste een beetje aan sport." "Toen ik onlangs een nieuwe computer kocht voor haar, heb ik dat zelfs stiekem moeten doen, anders zou ze dat nooit aanvaarden", schuddebolt Roland. Kollar: "Wij zijn simpele mensen en dat wil ik zo houden. Daarom ben ik vooral fier dat Roland zichzelf is gebleven. Veel collega-voetballers vergeten wel eens waar ze vandaan komen." Roland: "Wanneer ik hier in het dorp klasgenoten van vroeger tegenkom, vragen ze me soms: ken je me nog? Ik vind dat een vreemde vraag. Waarom zou ik hen vergeten zijn? Omdat ik nu goed geld verdien?! "Papa verdiende zijn brood als elektricien. We hadden net genoeg om rond te komen. Ik ben opgegroeid met de mentaliteit: voor wat, hoort wat. Je mag het jezelf niet te gemakkelijk maken." Kollar: "Vanaf zijn tien jaar trok hij zijn plan. Hij ging alleen naar de school en de trainingen. Ik weende veel, maar ik wilde het hem niet verbieden want we zagen hoe erg hij op dat voetbal gesteld was. Het vroeg wel een serieuze investering van ons. Om je zoon een degelijke voetbalopleiding aan te bieden moest je toch over wat financiële reserves beschikken. Er waren veel jongetjes die konden voetballen, maar vaak konden hun ouders de opleiding niet betalen." Roland: "Mijn ouders hebben samen met enkele andere ouders uit de buurt hun schouders gezet onder de plaatselijke club. Ze zorgden ervoor dat we elk jaar in Frankrijk een jeugdtoernooi konden spelen en zorgden dan voor eten, transport en uitrustingen. Als tienjarige sta je daar niet bij stil, maar voetbal was een dure sport. Op een bepaalde leeftijd besefte ik dat en zei ik tegen mijn ouders: 'Ik zal nooit profvoetballer worden, want ik wil niet dat jullie alles opofferen voor mij.' "Om je een idee te geven: mijn favoriete voetbalschoenen waren Adidas Copa Mundial, mama deed elk jaar de moeite om mij een nieuw paar te kopen. Die schoenen kostten haar de helft van haar maandelijks inkomen. Zonder overdrijven. Daarom nam ik het voetbal ook zo serieus." Kollar: "Ik heb hem ooit eens gevraagd om niet te gaan trainen. Ik zag dat hij oververmoeid was en ik zei tegen hem dat één training missen niet het einde van de wereld zou betekenen. Maar Roland ging niet akkoord: een training missen behoorde niet tot de opties." Roland: "Ik heb vaak met blessures gespeeld. Zo heb ik op mijn twaalfde eens op eigen houtje mijn vinger gespalkt door de plastieken latjes van mijn scheenbeschermers te gebruiken." Kollar: "Op het veld is hij een echte krijger, maar ik begrijp waarom. Die verandering was nodig. Vroeger was hij een timide, braaf jongetje. Als je het in het profvoetbal wilt maken, moet je harder zijn. Het was ook geen bruuske transformatie, eerder een geleidelijke evolutie." Roland: "De laatste twee jaar ben ik agressiever geworden, vooral verbaal dan. Ik breng wat meer peper in de wedstrijd. Omdat ik vind dat we met een rustige, brave groep zitten bij Anderlecht. Terwijl je soms iemand nodig hebt die de boel scherp houdt." De pruttelende pot op het fornuis geeft ons subtiel aan dat het tijd is om het gesprek af te ronden en ons bandopnemertje opzij te schuiven voor een bord vers gedraaide boerenworsten. "Speciaal in het dorp gemaakt", knipoogt Roland. "Ze houden hier zelfs elk jaar een WK worstendraaien." Na het tafelen toont Roland ons nog zijn vroegere slaapkamer, die tegenwoordig dienst doet als trofeeënkast. We wijzen op een grote beker die onderaan staat. "Gekregen voor mijn verkiezing tot Hongaars voetballer van het decennium", glundert Roland. "Gekozen door spelers en bondsmensen. Het is een trofee die me zeer dierbaar is." In de hoek van de kamer staat een synthesizer in de doos opgeborgen. De Anderlechtman grijnst eens: "Voor ik in clubverband ging voetballen, speelde ik piano. Tweemaal per week kreeg ik pianoles. Ik was eigenlijk behoorlijk goed... al was mijn vader daar meer van overtuigd dan mijn moeder." Buiten heeft de zon zijn eindsprint richting horizon ingezet. Roland verrast ons: "Telkens als ik hier ben, ga ik ook even dag zeggen aan mijn vader. Als jullie willen, kunnen jullie mee naar het kerkhof." We rijden achter Roland en zijn moeder mee. Het kerkhof van Tápiószentmárton baadt in een paarsoranje herfstgloed. Het kerkhof is in twee delen opgesplitst: links liggen de reformisten, rechts de katholieken. We begeven ons naar het gangpad rechts. Roland groet zijn vader. Hij en zijn moeder gaan sereen en spontaan met het intieme moment om, ondanks onze aanwezigheid. Het moment is echter gekomen om moeder en zoon hun schaarse tijd samen te gunnen. We nemen afscheid en enkele tellen later springen de lichten van onze wagen automatisch aan. De zon is ondertussen achter de horizon verdwenen. In onze achteruitkijkspiegel zien we moeder en zoon arm in arm van het kerkhof wandelen. DOOR MATTHIAS STOCKMANS - BEELDEN IMAGEGLOBE"Roland is altijd zijn eigen grootste criticus geweest. Soms meer dan goed voor hem was." moeder Kollar "Anderhalf jaar lang heeft mama niets verplaatst in huis. De pantoffels en kleren van mijn vader bleven allemaal onaangeroerd." Roland Juhász