Uitgerekend de dag dat we hem 's avonds in Novara zouden ontmoeten, werd hij 's namiddags in de thuismatch tegen Bologna na een botsing met een ploegmaat afgevoerd en gehospitaliseerd. Enkele uren later liet de perschef ons weten dat het niet zo goed met hem ging, dat hij geopereerd was en dat hij de eerste 24 uur geen bezoek mocht ontvangen. Maar om 23.36 uur ontvingen we een sms van hemzelf: 'Hey! Heb paar breuken en paar tanden kwijt. Waar ben je?' En: 'Wanneer je wilt kan je komen.' 's Anderendaags troffen we in het ziekenhuis een in het gezicht zwaar gehavende keeper aan die heel moeizaam sprak en zich optrok aan de woorden van de clubarts dat hij binnen een maand al zijn wederoptreden zou kunnen maken. Dat bleek ondertussen een iets te optimistische prognose.

Vijf weken later ontvangt Samir Ujkani ons bij zijn ouders in het West-Vlaamse Tielt. Zijn gezicht is ontzwollen en weer gaaf, hij praat opnieuw als voorheen en hoopt op dinsdag 29 november - anderhalve maand na het ongeval - met een masker opnieuw te kunnen aantreden in de bekerwedstrijd in Catania. "Het was een harde klap", zegt hij. "Meteen kreeg ik het gevoel dat alles kapot was van binnen. Ik verloor het bewustzijn niet, ik maakte alles bewust mee, voelde het bloed komen, ben op mijn zij blijven liggen, hoorde het kraken en probeerde zo weinig mogelijk na te denken.

"Gelukkig zijn de dokters in Novara voor zulke blessures bij de besten van Italië. Na twee weken mocht ik al fitnessen en na dertig dagen weer op het veld trainen, maar de eerste drie maanden moet ik nog om de twee à drie dagen op controle blijven gaan. Het was een speciale operatie. Ondanks al hun ervaring hier met dergelijke letsels was het de eerste keer dat ze zoiets zagen. Twee jukbeenderen kapot, mijn neus kapot, de hele rij eronder kapot, ... Acht breuken in totaal. Mijn voorste tanden zijn weg; die op de zijkant konden worden gered, maar staan door de slag allemaal bijna een centimeter naar binnen. Pas binnen zes maanden zullen ze eraan kunnen werken. Voorlopig zijn er alleen ijzeren plaatjes op gezet met haakjes om daar elastiekjes aan te bevestigen om mijn mond zo veel mogelijk dicht te houden. Nu moet ik die enkel nog 's nachts aandoen, maar de eerste veertien dagen liep ik daar ook overdag mee rond. Hoe meer ik mijn mond dichthoud, hoe sneller ik herstel, omdat die beenderen dan niet bewegen en vlugger weer aan elkaar kunnen groeien. Een gezicht kan je nu eenmaal niet in het gips steken."

Het hoort blijkbaar bij de risico's van het vak van voetballer. "Ik zeg altijd: zo is het hierboven geschreven en zo zal het moeten gaan. Je best doen, accepteren wat er gebeurt en er daarna ook weer het beste proberen van te maken, wat kan je anders doen? Gelovig ben ik niet, maar het is mijn manier van denken. Zoniet was ik met alles wat ik al meemaakte waarschijnlijk al in een crisis geraakt."

Het is zaterdagochtend en van moeder Mete krijgen we Turkse koffie met chocolaatjes voorgeschoteld. Samir wees ons net op de plaats tussen de sociale woningen waar hij destijds met andere kinderen uit de wijk soms tot 's avonds laat bleef sjotten - met voor een van de buren weleens iets te veel lawaai tot gevolg, herinnert hij zich. Emir, zijn drie jaar oudere broer, speelt nu bij Brindisi in de Serie D, zijn neef Donjet Shkodra zit bij tweedeklasser Sint-Niklaas en Yusef Filiz Cuzet bij derdeklasser Coxyde. Anderen voetballen niet meer, ondanks hun talent, voegt hij eraan toe.

"Ik was altijd de brave en mijn broer de bad boy", zegt hij. "Thuis niet, maar elders toonde hij zich vaak de belhamel: iemand met snel kokend bloed die ook tegen trainers zei wat hij dacht en daardoor problemen kreeg. Dat werd een minpunt in zijn carrière. Hein Vanhaezebrouck is de man die hem lanceerde. Emir was pas zeventien toen hij hem bij Harelbeke in de eerste ploeg zette, centraal achterin of op het middenveld; en daarna is hij hem nog gevolgd naar White Star Lauwe en naar KV Kortrijk. Maar toen beging hij de fout een Albanese makelaar te geloven. Die maakte hem wijs dat hij voor een eersteklasser in Albanië moest tekenen om in aanmerking te komen voor de nationale ploeg. Maar na drie maanden stond hij hier weer terug, gaf die club hem niet vrij en kon hij de rest van het seizoen nergens meer voetballen."

Kosovo

De Ujkani's zijn afkomstig van Resnik. "Een heel klein dorpje in Kosovo", vertelt Samir. "Van daar herinner ik mij onder meer veel koeien, en dat ik er altijd buiten in de natuur speelde. Van alle kinderen in de buurt was ik de jongste en daarom zetten ze mij altijd in doel. Ik weet nog dat we eens een penalty tegen kregen, dat een meisje dat keigoed kon voetballen hem ging trappen en dat ik hem absoluut wou stoppen. Het lukte mij ook, maar ik vloog wel met mijn hoofd tegen een houten paal en liep zo een gapende wonde op. Ook hier op straat gebeurden geregeld zulke dingen. Zo leerde ik al snel dat ik mij beter rustig kan houden." ( lacht)

Zes jaar was hij toen zijn ouders met hem, zijn broer en zijn zus Kosovo verlieten en naar België vluchtten. Vader Sadik legt uit waarom. "Ik werkte op kantoor in een fabriek dicht bij de hoofdstad Pristina, met de bus en de trein veertig minuten van bij ons. Een mooie werkplek. Maar zodra de Serviërs er zich baas zijn komen maken, begonnen de problemen en die werden almaar erger. Op een dag was er geld verdwenen en werd ik, die de lonen uitschreef, van diefstal beschuldigd. Ik vloog een maand in de gevangenis en mijn advocaat zei dat ik maar beter het land kon verlaten, want dat ik anders misschien tien jaar zou vastzitten. In 1994 zijn we gevlucht en uiteindelijk naar Tielt gekomen omdat er hier familie van ons woonde."

Moeder Mete: "Hier is het veel beter."

Samir: "Ik herinner mij die route nog, omdat we toen zo lang in de wagen zaten en ik dat leuk vond. Eerst gingen we naar Albanië en van daar met de boot naar Bari, waar vader iemand betaalde om ons alle vijf naar België te voeren."

België

In Tielt kon zijn voetbalcarrière beginnen. Want dat hij voetballer wou worden, wist hij al heel vroeg. "Ik was vijf jaar toen mijn vader mij in Kosovo meepakte om ergens in een café naar AC Milan tegen Barcelona te gaan kijken en ik zei: 'Daar wil ik spelen.' En toen we op de vlucht waren en voorbij Milaan reden, was het weer van dat. 'Hier wil ik spelen!'

"Ik wilde altijd al voetballen en in België kreeg ik de kans om mij bij een club aan te sluiten en er echt iets van te maken. Dan ben je ontzettend gedreven, omdat je weet dat er anderen in je plaats zouden willen zijn; en dan doe je dubbel hard je best om vooruit te raken. Je mag nooit vergeten van waar je komt en hoe hard het leven is."

Op zijn twaalfde kwam tweedeklasser Ingelmunster hem halen en vijf jaar later kreeg hij een kans bij Anderlecht. "Het eerste seizoen daar was een ramp, mede door blessures", zegt hij. "Niettemin gaven ze mij op het einde een contract van drie jaar. Van dan af aan ben ik almaar harder gaan werken. Als je als jonge gast eens mag meetrainen met Daniel Zitka en Silvio Proto weet je meteen waar je staat. Soms trainde ik drie keer per dag. Daar ben ik sterker van geworden.

"Ik dank veel aan Andy De Smet ( zie kader), aan Besnik Hasi, aan Jacky Munaron en aan beloftetrainer René Peeters. Zij zijn altijd in mij blijven geloven. Yves Vanderhaeghe is mij acht maanden lang aan mijn voordeur komen afhalen. Hij woonde in Roeselare en moest daarvoor dus een halfuur omrijden, maar deed dat elke dag weer met evenveel plezier. Ik weet nog dat heel de groep mij voor de kampioensviering meenam om iets te gaan drinken en dat Yves mij daarna weer naar huis bracht. Bij Anderlecht zag ik voor het eerst: hoe hoger je raakt, hoe eenvoudiger de mensen zijn."

En plots kon hij naar Italië. "Ik was opgeroepen voor een belofte-interland van Albanië, maar mocht niet gaan van Anderlecht omdat ik met de elitejeugd mee moest naar het internationale toernooi van Viareggio. Dat vond ik jammer. Bovendien werd ik ziek en zou ik ook naar daar niet kunnen meegaan. Maar wegens een sterfgeval werd dat beloftetoernooi met drie dagen verschoven en zo kon ik er toch nog bij zijn." Hij werd er uitgeroepen tot beste keeper en kort daarna getransfereerd naar Palermo. "Bij Anderlecht was ik vierde doelman en Herman Van Holsbeeck zei me dat het ook het daaropvolgende seizoen zo zou zijn. Hij zorgde voor een aantrekkelijke transfer en Harelbeke streek nog 40.000 euro opleidingsvergoeding op."

Italië

Ondertussen is hij aan zijn vijfde seizoen Italië bezig: eerst twee jaar Palermo en nu al zijn derde bij Novara Calcio, waarmee hij van de Serie C naar de Serie A promoveerde. "De eerste twee seizoenen werd ik uitgeleend, maar langer kan je hier niet uitgeleend worden. Daarom sloten beide clubs een nieuwe deal, waarin ook Pablo González werd betrokken, en is de situatie nu als volgt: Palermo kan mij nog terugkopen voor 2 miljoen euro, maar alleen maar in de periode van 1 tot 24 juni; en voor een verkoop aan een ander team is ook hun akkoord vereist."

Met Palermo maakte hij op 26 april 2009 zijn debuut in de Serie A tegen ... AC Milan. "En een week of twee later, op 12 mei, maakte ik ook mijn debuut bij het A-elftal van Albanië in een galawedstrijd tegen ... AC Milan!" Maar het kan nog straffer. "Normaal zou ik bij Palermo een week vroeger gedebuteerd hebben. De coach beloofde mij dat als we tegen Bologna enkele goals voor zouden staan, hij mij zou inbrengen. Bij 3-0 riep hij me bij zich om in te vallen, maar net op dat moment blesseerde er zich een speler en mocht ik weer gaan zitten. De daaropvolgende speeldag stonden we in Milaan met een man minder - na een uitsluiting - 3-0 achter en waren er zich drie veldspelers aan het opwarmen toen hij plots tegen me zei: 'Sta jij maar op, laat maar eens zien wat je kunt.' Ik deed nog 28 minuten mee tegen Beckham, Kaká en co. Super! Het was een stimulans om nog meer mijn best te doen. Ik koos er toen voor om eerste doelman te worden in de Serie C in plaats van tweede in de Serie A. Bij Novara is het echt begonnen.

"In Italië is mijn karakter nog meer gehard. Mijn eerste trainer was er Stefano Colantuono, die nu bij Atalanta Bergamo in dienst is. Die kon geweldig roepen en je werkelijk afmaken met woorden - voor sommigen werkte dat; maar misschien niet voor een supertalent als Cavani, als je ziet hoe hij nu bij Napoli presteert. Attilio Tesser bij Novara is een minder hevig type. Maar als hij boos wordt, weet ik wat me te doen staat: mond houden, analyseren en slikken. Want wie reageert, zit 's zondags in de tribune.

"Maakte ik bij Anderlecht een fout, dan zetten de middenvelders en de aanvallers dat recht door er één meer te maken. Maar in Italië is het onderlinge verschil doorgaans zo klein - zie waar Inter momenteel staat ( zestiende, nvdr) - dat elk foutje fataal kan zijn en daarom word je telkens meteen afgemaakt. En werkelijk alles wordt er geanalyseerd.

"De in het hedendaagse voetbal alomtegenwoordige jeugdvedetten worden daar meteen weggestuurd. Zelfs al zijn ze keigoed. Zelf ben ik iemand die er altijd voor heeft moeten werken; en de momenten waarop mijn gedachten misschien iets te hoog waren en mijn voeten van de grond gingen, ben ik gevallen. Eigenlijk moet je tot je veertigste zeggen: 'Ik bewees nog niets.' Want elk seizoen, elke wedstrijd, elk moment weer moet je ervoor zorgen dat je top bent. Als je dénkt dat je top bent, dan gaan je prestaties achteruit."

Kosovo (2)

In Kosovo is de gruwel inmiddels achter de rug. Maar de op 17 februari 2008 door de Albanese meerderheid eenzijdig uitgeroepen onafhankelijkheid wordt nog altijd maar erkend door 85 van de 193 leden van de Verenigde Naties. Voor de rest is het nog altijd een deel van Servië.

"We verloren veel familieleden", zegt Samir. "Twee van de vijf broers van mijn vader werden dood teruggevonden in hun afgebrand huis. En net na de oorlog kwam de vrouw van een neef met haar kindje om in een ongeval met een vrachtwagen. Een oom zat met zijn zoon in de gevangenis en maakte van alles mee. Ze kenden heel veel geluk dat ze het overleefden.

"Voor ons waren het evenmin gemakkelijke tijden, want gedurende lange periodes wisten we van niets. Slechts af en toe konden ze ons bellen om te laten weten hoe het daar met hen ging. Ondertussen zijn we al heel vaak terug geweest en is er ginder duidelijk beterschap. Wegen en gebouwen worden er vernieuwd, maar voor wie een sportcarrière ambieert, is er nog altijd geen toekomst. Ik ken er een ongelooflijk getalenteerde keeper van zestien die niet naar het buitenland raakt omdat Kosovo internationaal niet algemeen erkend wordt als onafhankelijk land en blijkbaar niemand het risico wil nemen met wat een transfer van zo'n jongen juridisch inhoudt."

Dan trof hij het als ambitieus Kosovaars keepertje veel beter in België. "Absoluut. Onze ouders deden ook alles om het hier allemaal in orde te krijgen. Nooit kwam ik iets te kort. Ik weet nog dat ik keepershandschoenen van een bepaald merk wilde, maar ze uiteindelijk toch niet wou omdat ze drieduizend frank kostten. 'Neen,' zei mijn vader, 'je krijgt ze!' Punt uit. Zij geloofden enorm in ons.

"Het is altijd belangrijk geweest dat ik met hen en met Andy kon praten over simpele dingen die het verschil maken in het leven. Ik weet nu: voetbal is evenzeer hoe je je gedraagt buiten het voetbal. In wie geregeld negatief in het nieuws komt, zijn niet veel clubs geïnteresseerd, denk ik. Mijn vader is ook wel een rustig type. Hij praat niet zo veel. Wanneer er vroeger familie op bezoek kwam en er ontstonden discussies, dan luisterde hij vooral en zei hij de juiste dingen. Ik was de kleinste en zat daar dan bij, terwijl de andere kinderen buiten bezig waren. Nu besef ik hoe belangrijk dat is.

"Eigenlijk leid ik een heel kalm en eenvoudig leven. Ik woon op een appartement in het centrum van Novara en ga af en toe naar beneden omdat er daar een café is van een Kosovaar waar ik mij thuis voel en die eten voor mij klaarmaakt als ik alleen ben. Mijn vriendin Elke woont nog in België, in Helchteren, en studeert communicatiemanagement in Hasselt. Maar ze komt zo vaak mogelijk af en is ook iemand die mij op ieder moment steunt en mij tegelijk met de voeten op de grond houdt.

"Voetbal en familie, dat is het ongeveer. Het liet mij toe om telkens progressie te maken. Want mocht ik uitgaan, dan zou ik daar fysiek onder lijden, denk ik. In de Albanese cultuur moet de jongste zoon voor de ouders zorgen en ik ben heel blij dat ik dat kan doen en dat de feeling tussen hen en mij uitstekend is. Zij staan onvoorwaardelijk achter mij. Als ik het eens moeilijk heb, komen ze af en dat helpt altijd."

Zijn zus treedt de huiskamer binnen. 'Mijn zusje' noemt hij haar. Ljiridona Ujkani woont met haar man en haar twee kinderen wat verderop en ontfermde zich destijds geregeld over haar zes jaar jongere broertje. "Ik ben vroeger vaak met hem mee geweest naar het voetbal", zegt ze. "Onze ouders konden niet autorijden en bij uitwedstrijden ging ik mee met andere mensen om hem te kleden en te wassen. Het is tof voor hem dat hij nu in Italië speelt, maar niet voor mij, want ik zie hem niet veel meer. Ik zou liever hebben dat hij weer in België komt voetballen."

En de grote jeugddroom opgeven? Het rood-zwarte shirt van Albanië draagt hij al, is dat van AC Milan uit zijn gedachten verdwenen? Nu hij in de Serie A bij een club zit die maar een kilometer of vijftig van San Siro is gelegen? "Dat blijft een droom", zegt hij. "Maar ik ben ook realistisch: als ik daar wil raken, moet ik er eerst voor zorgen dat ik drie seizoenen op rij topniveau haal. Dan kan ik misschien in aanmerking komen om er een kans te krijgen."

Vorige week keepte Samir Ujkani voor de eerste keer weer in de bekerwedstrijd in Catania, met een masker weliswaar.

"Het ging echt heel goed", laat hij weten, "en we wonnen! Super."

DOOR CHRISTIAN VANDENABEELE - BEELDEN IMAGEGLOBE

"Mijn voorste tanden zijn weg; die op de zijkant konden worden gered, maar staan door de slag allemaal bijna een centimeter naar binnen."

"Bij Anderlecht zag ik voor het eerst: hoe hoger je raakt, hoe eenvoudiger de mensen zijn."

"Eigenlijk moet je tot je veertigste zeggen: ik bewees nog niets."

"Yves Vanderhaeghe is mij acht maanden lang aan mijn voordeur komen afhalen."

Uitgerekend de dag dat we hem 's avonds in Novara zouden ontmoeten, werd hij 's namiddags in de thuismatch tegen Bologna na een botsing met een ploegmaat afgevoerd en gehospitaliseerd. Enkele uren later liet de perschef ons weten dat het niet zo goed met hem ging, dat hij geopereerd was en dat hij de eerste 24 uur geen bezoek mocht ontvangen. Maar om 23.36 uur ontvingen we een sms van hemzelf: 'Hey! Heb paar breuken en paar tanden kwijt. Waar ben je?' En: 'Wanneer je wilt kan je komen.' 's Anderendaags troffen we in het ziekenhuis een in het gezicht zwaar gehavende keeper aan die heel moeizaam sprak en zich optrok aan de woorden van de clubarts dat hij binnen een maand al zijn wederoptreden zou kunnen maken. Dat bleek ondertussen een iets te optimistische prognose. Vijf weken later ontvangt Samir Ujkani ons bij zijn ouders in het West-Vlaamse Tielt. Zijn gezicht is ontzwollen en weer gaaf, hij praat opnieuw als voorheen en hoopt op dinsdag 29 november - anderhalve maand na het ongeval - met een masker opnieuw te kunnen aantreden in de bekerwedstrijd in Catania. "Het was een harde klap", zegt hij. "Meteen kreeg ik het gevoel dat alles kapot was van binnen. Ik verloor het bewustzijn niet, ik maakte alles bewust mee, voelde het bloed komen, ben op mijn zij blijven liggen, hoorde het kraken en probeerde zo weinig mogelijk na te denken. "Gelukkig zijn de dokters in Novara voor zulke blessures bij de besten van Italië. Na twee weken mocht ik al fitnessen en na dertig dagen weer op het veld trainen, maar de eerste drie maanden moet ik nog om de twee à drie dagen op controle blijven gaan. Het was een speciale operatie. Ondanks al hun ervaring hier met dergelijke letsels was het de eerste keer dat ze zoiets zagen. Twee jukbeenderen kapot, mijn neus kapot, de hele rij eronder kapot, ... Acht breuken in totaal. Mijn voorste tanden zijn weg; die op de zijkant konden worden gered, maar staan door de slag allemaal bijna een centimeter naar binnen. Pas binnen zes maanden zullen ze eraan kunnen werken. Voorlopig zijn er alleen ijzeren plaatjes op gezet met haakjes om daar elastiekjes aan te bevestigen om mijn mond zo veel mogelijk dicht te houden. Nu moet ik die enkel nog 's nachts aandoen, maar de eerste veertien dagen liep ik daar ook overdag mee rond. Hoe meer ik mijn mond dichthoud, hoe sneller ik herstel, omdat die beenderen dan niet bewegen en vlugger weer aan elkaar kunnen groeien. Een gezicht kan je nu eenmaal niet in het gips steken." Het hoort blijkbaar bij de risico's van het vak van voetballer. "Ik zeg altijd: zo is het hierboven geschreven en zo zal het moeten gaan. Je best doen, accepteren wat er gebeurt en er daarna ook weer het beste proberen van te maken, wat kan je anders doen? Gelovig ben ik niet, maar het is mijn manier van denken. Zoniet was ik met alles wat ik al meemaakte waarschijnlijk al in een crisis geraakt." Het is zaterdagochtend en van moeder Mete krijgen we Turkse koffie met chocolaatjes voorgeschoteld. Samir wees ons net op de plaats tussen de sociale woningen waar hij destijds met andere kinderen uit de wijk soms tot 's avonds laat bleef sjotten - met voor een van de buren weleens iets te veel lawaai tot gevolg, herinnert hij zich. Emir, zijn drie jaar oudere broer, speelt nu bij Brindisi in de Serie D, zijn neef Donjet Shkodra zit bij tweedeklasser Sint-Niklaas en Yusef Filiz Cuzet bij derdeklasser Coxyde. Anderen voetballen niet meer, ondanks hun talent, voegt hij eraan toe. "Ik was altijd de brave en mijn broer de bad boy", zegt hij. "Thuis niet, maar elders toonde hij zich vaak de belhamel: iemand met snel kokend bloed die ook tegen trainers zei wat hij dacht en daardoor problemen kreeg. Dat werd een minpunt in zijn carrière. Hein Vanhaezebrouck is de man die hem lanceerde. Emir was pas zeventien toen hij hem bij Harelbeke in de eerste ploeg zette, centraal achterin of op het middenveld; en daarna is hij hem nog gevolgd naar White Star Lauwe en naar KV Kortrijk. Maar toen beging hij de fout een Albanese makelaar te geloven. Die maakte hem wijs dat hij voor een eersteklasser in Albanië moest tekenen om in aanmerking te komen voor de nationale ploeg. Maar na drie maanden stond hij hier weer terug, gaf die club hem niet vrij en kon hij de rest van het seizoen nergens meer voetballen." De Ujkani's zijn afkomstig van Resnik. "Een heel klein dorpje in Kosovo", vertelt Samir. "Van daar herinner ik mij onder meer veel koeien, en dat ik er altijd buiten in de natuur speelde. Van alle kinderen in de buurt was ik de jongste en daarom zetten ze mij altijd in doel. Ik weet nog dat we eens een penalty tegen kregen, dat een meisje dat keigoed kon voetballen hem ging trappen en dat ik hem absoluut wou stoppen. Het lukte mij ook, maar ik vloog wel met mijn hoofd tegen een houten paal en liep zo een gapende wonde op. Ook hier op straat gebeurden geregeld zulke dingen. Zo leerde ik al snel dat ik mij beter rustig kan houden." ( lacht) Zes jaar was hij toen zijn ouders met hem, zijn broer en zijn zus Kosovo verlieten en naar België vluchtten. Vader Sadik legt uit waarom. "Ik werkte op kantoor in een fabriek dicht bij de hoofdstad Pristina, met de bus en de trein veertig minuten van bij ons. Een mooie werkplek. Maar zodra de Serviërs er zich baas zijn komen maken, begonnen de problemen en die werden almaar erger. Op een dag was er geld verdwenen en werd ik, die de lonen uitschreef, van diefstal beschuldigd. Ik vloog een maand in de gevangenis en mijn advocaat zei dat ik maar beter het land kon verlaten, want dat ik anders misschien tien jaar zou vastzitten. In 1994 zijn we gevlucht en uiteindelijk naar Tielt gekomen omdat er hier familie van ons woonde." Moeder Mete: "Hier is het veel beter." Samir: "Ik herinner mij die route nog, omdat we toen zo lang in de wagen zaten en ik dat leuk vond. Eerst gingen we naar Albanië en van daar met de boot naar Bari, waar vader iemand betaalde om ons alle vijf naar België te voeren." In Tielt kon zijn voetbalcarrière beginnen. Want dat hij voetballer wou worden, wist hij al heel vroeg. "Ik was vijf jaar toen mijn vader mij in Kosovo meepakte om ergens in een café naar AC Milan tegen Barcelona te gaan kijken en ik zei: 'Daar wil ik spelen.' En toen we op de vlucht waren en voorbij Milaan reden, was het weer van dat. 'Hier wil ik spelen!' "Ik wilde altijd al voetballen en in België kreeg ik de kans om mij bij een club aan te sluiten en er echt iets van te maken. Dan ben je ontzettend gedreven, omdat je weet dat er anderen in je plaats zouden willen zijn; en dan doe je dubbel hard je best om vooruit te raken. Je mag nooit vergeten van waar je komt en hoe hard het leven is." Op zijn twaalfde kwam tweedeklasser Ingelmunster hem halen en vijf jaar later kreeg hij een kans bij Anderlecht. "Het eerste seizoen daar was een ramp, mede door blessures", zegt hij. "Niettemin gaven ze mij op het einde een contract van drie jaar. Van dan af aan ben ik almaar harder gaan werken. Als je als jonge gast eens mag meetrainen met Daniel Zitka en Silvio Proto weet je meteen waar je staat. Soms trainde ik drie keer per dag. Daar ben ik sterker van geworden. "Ik dank veel aan Andy De Smet ( zie kader), aan Besnik Hasi, aan Jacky Munaron en aan beloftetrainer René Peeters. Zij zijn altijd in mij blijven geloven. Yves Vanderhaeghe is mij acht maanden lang aan mijn voordeur komen afhalen. Hij woonde in Roeselare en moest daarvoor dus een halfuur omrijden, maar deed dat elke dag weer met evenveel plezier. Ik weet nog dat heel de groep mij voor de kampioensviering meenam om iets te gaan drinken en dat Yves mij daarna weer naar huis bracht. Bij Anderlecht zag ik voor het eerst: hoe hoger je raakt, hoe eenvoudiger de mensen zijn." En plots kon hij naar Italië. "Ik was opgeroepen voor een belofte-interland van Albanië, maar mocht niet gaan van Anderlecht omdat ik met de elitejeugd mee moest naar het internationale toernooi van Viareggio. Dat vond ik jammer. Bovendien werd ik ziek en zou ik ook naar daar niet kunnen meegaan. Maar wegens een sterfgeval werd dat beloftetoernooi met drie dagen verschoven en zo kon ik er toch nog bij zijn." Hij werd er uitgeroepen tot beste keeper en kort daarna getransfereerd naar Palermo. "Bij Anderlecht was ik vierde doelman en Herman Van Holsbeeck zei me dat het ook het daaropvolgende seizoen zo zou zijn. Hij zorgde voor een aantrekkelijke transfer en Harelbeke streek nog 40.000 euro opleidingsvergoeding op." Ondertussen is hij aan zijn vijfde seizoen Italië bezig: eerst twee jaar Palermo en nu al zijn derde bij Novara Calcio, waarmee hij van de Serie C naar de Serie A promoveerde. "De eerste twee seizoenen werd ik uitgeleend, maar langer kan je hier niet uitgeleend worden. Daarom sloten beide clubs een nieuwe deal, waarin ook Pablo González werd betrokken, en is de situatie nu als volgt: Palermo kan mij nog terugkopen voor 2 miljoen euro, maar alleen maar in de periode van 1 tot 24 juni; en voor een verkoop aan een ander team is ook hun akkoord vereist." Met Palermo maakte hij op 26 april 2009 zijn debuut in de Serie A tegen ... AC Milan. "En een week of twee later, op 12 mei, maakte ik ook mijn debuut bij het A-elftal van Albanië in een galawedstrijd tegen ... AC Milan!" Maar het kan nog straffer. "Normaal zou ik bij Palermo een week vroeger gedebuteerd hebben. De coach beloofde mij dat als we tegen Bologna enkele goals voor zouden staan, hij mij zou inbrengen. Bij 3-0 riep hij me bij zich om in te vallen, maar net op dat moment blesseerde er zich een speler en mocht ik weer gaan zitten. De daaropvolgende speeldag stonden we in Milaan met een man minder - na een uitsluiting - 3-0 achter en waren er zich drie veldspelers aan het opwarmen toen hij plots tegen me zei: 'Sta jij maar op, laat maar eens zien wat je kunt.' Ik deed nog 28 minuten mee tegen Beckham, Kaká en co. Super! Het was een stimulans om nog meer mijn best te doen. Ik koos er toen voor om eerste doelman te worden in de Serie C in plaats van tweede in de Serie A. Bij Novara is het echt begonnen. "In Italië is mijn karakter nog meer gehard. Mijn eerste trainer was er Stefano Colantuono, die nu bij Atalanta Bergamo in dienst is. Die kon geweldig roepen en je werkelijk afmaken met woorden - voor sommigen werkte dat; maar misschien niet voor een supertalent als Cavani, als je ziet hoe hij nu bij Napoli presteert. Attilio Tesser bij Novara is een minder hevig type. Maar als hij boos wordt, weet ik wat me te doen staat: mond houden, analyseren en slikken. Want wie reageert, zit 's zondags in de tribune. "Maakte ik bij Anderlecht een fout, dan zetten de middenvelders en de aanvallers dat recht door er één meer te maken. Maar in Italië is het onderlinge verschil doorgaans zo klein - zie waar Inter momenteel staat ( zestiende, nvdr) - dat elk foutje fataal kan zijn en daarom word je telkens meteen afgemaakt. En werkelijk alles wordt er geanalyseerd. "De in het hedendaagse voetbal alomtegenwoordige jeugdvedetten worden daar meteen weggestuurd. Zelfs al zijn ze keigoed. Zelf ben ik iemand die er altijd voor heeft moeten werken; en de momenten waarop mijn gedachten misschien iets te hoog waren en mijn voeten van de grond gingen, ben ik gevallen. Eigenlijk moet je tot je veertigste zeggen: 'Ik bewees nog niets.' Want elk seizoen, elke wedstrijd, elk moment weer moet je ervoor zorgen dat je top bent. Als je dénkt dat je top bent, dan gaan je prestaties achteruit." In Kosovo is de gruwel inmiddels achter de rug. Maar de op 17 februari 2008 door de Albanese meerderheid eenzijdig uitgeroepen onafhankelijkheid wordt nog altijd maar erkend door 85 van de 193 leden van de Verenigde Naties. Voor de rest is het nog altijd een deel van Servië. "We verloren veel familieleden", zegt Samir. "Twee van de vijf broers van mijn vader werden dood teruggevonden in hun afgebrand huis. En net na de oorlog kwam de vrouw van een neef met haar kindje om in een ongeval met een vrachtwagen. Een oom zat met zijn zoon in de gevangenis en maakte van alles mee. Ze kenden heel veel geluk dat ze het overleefden. "Voor ons waren het evenmin gemakkelijke tijden, want gedurende lange periodes wisten we van niets. Slechts af en toe konden ze ons bellen om te laten weten hoe het daar met hen ging. Ondertussen zijn we al heel vaak terug geweest en is er ginder duidelijk beterschap. Wegen en gebouwen worden er vernieuwd, maar voor wie een sportcarrière ambieert, is er nog altijd geen toekomst. Ik ken er een ongelooflijk getalenteerde keeper van zestien die niet naar het buitenland raakt omdat Kosovo internationaal niet algemeen erkend wordt als onafhankelijk land en blijkbaar niemand het risico wil nemen met wat een transfer van zo'n jongen juridisch inhoudt." Dan trof hij het als ambitieus Kosovaars keepertje veel beter in België. "Absoluut. Onze ouders deden ook alles om het hier allemaal in orde te krijgen. Nooit kwam ik iets te kort. Ik weet nog dat ik keepershandschoenen van een bepaald merk wilde, maar ze uiteindelijk toch niet wou omdat ze drieduizend frank kostten. 'Neen,' zei mijn vader, 'je krijgt ze!' Punt uit. Zij geloofden enorm in ons. "Het is altijd belangrijk geweest dat ik met hen en met Andy kon praten over simpele dingen die het verschil maken in het leven. Ik weet nu: voetbal is evenzeer hoe je je gedraagt buiten het voetbal. In wie geregeld negatief in het nieuws komt, zijn niet veel clubs geïnteresseerd, denk ik. Mijn vader is ook wel een rustig type. Hij praat niet zo veel. Wanneer er vroeger familie op bezoek kwam en er ontstonden discussies, dan luisterde hij vooral en zei hij de juiste dingen. Ik was de kleinste en zat daar dan bij, terwijl de andere kinderen buiten bezig waren. Nu besef ik hoe belangrijk dat is. "Eigenlijk leid ik een heel kalm en eenvoudig leven. Ik woon op een appartement in het centrum van Novara en ga af en toe naar beneden omdat er daar een café is van een Kosovaar waar ik mij thuis voel en die eten voor mij klaarmaakt als ik alleen ben. Mijn vriendin Elke woont nog in België, in Helchteren, en studeert communicatiemanagement in Hasselt. Maar ze komt zo vaak mogelijk af en is ook iemand die mij op ieder moment steunt en mij tegelijk met de voeten op de grond houdt. "Voetbal en familie, dat is het ongeveer. Het liet mij toe om telkens progressie te maken. Want mocht ik uitgaan, dan zou ik daar fysiek onder lijden, denk ik. In de Albanese cultuur moet de jongste zoon voor de ouders zorgen en ik ben heel blij dat ik dat kan doen en dat de feeling tussen hen en mij uitstekend is. Zij staan onvoorwaardelijk achter mij. Als ik het eens moeilijk heb, komen ze af en dat helpt altijd." Zijn zus treedt de huiskamer binnen. 'Mijn zusje' noemt hij haar. Ljiridona Ujkani woont met haar man en haar twee kinderen wat verderop en ontfermde zich destijds geregeld over haar zes jaar jongere broertje. "Ik ben vroeger vaak met hem mee geweest naar het voetbal", zegt ze. "Onze ouders konden niet autorijden en bij uitwedstrijden ging ik mee met andere mensen om hem te kleden en te wassen. Het is tof voor hem dat hij nu in Italië speelt, maar niet voor mij, want ik zie hem niet veel meer. Ik zou liever hebben dat hij weer in België komt voetballen." En de grote jeugddroom opgeven? Het rood-zwarte shirt van Albanië draagt hij al, is dat van AC Milan uit zijn gedachten verdwenen? Nu hij in de Serie A bij een club zit die maar een kilometer of vijftig van San Siro is gelegen? "Dat blijft een droom", zegt hij. "Maar ik ben ook realistisch: als ik daar wil raken, moet ik er eerst voor zorgen dat ik drie seizoenen op rij topniveau haal. Dan kan ik misschien in aanmerking komen om er een kans te krijgen." Vorige week keepte Samir Ujkani voor de eerste keer weer in de bekerwedstrijd in Catania, met een masker weliswaar. "Het ging echt heel goed", laat hij weten, "en we wonnen! Super."DOOR CHRISTIAN VANDENABEELE - BEELDEN IMAGEGLOBE"Mijn voorste tanden zijn weg; die op de zijkant konden worden gered, maar staan door de slag allemaal bijna een centimeter naar binnen." "Bij Anderlecht zag ik voor het eerst: hoe hoger je raakt, hoe eenvoudiger de mensen zijn." "Eigenlijk moet je tot je veertigste zeggen: ik bewees nog niets." "Yves Vanderhaeghe is mij acht maanden lang aan mijn voordeur komen afhalen."