De kerstverlichting werpt een zacht licht door het glas van de serre. In de hoek staan drie planten, de bladeren zijn licht gekruld door de tubes die er tegenaan hangen. Ertegenover steunt tegen de muren een immense banner met daarop Eli Iserbyt, hij juicht uitbundig, zijn gezicht onder de modderspetters na een gewonnen koers. Ernaast een ingelijste foto als hij zijn vriendin Puck Moonen kust, wat bekers en dan nog de plaat van zijn winst bij de wereldkampioenschappen bij de beloften. Op het Perzische tapijt zijn twee fietsen op een standaard geplaatst, over de rand van vier kartonnen dozen puilt fietskledij.
...

De kerstverlichting werpt een zacht licht door het glas van de serre. In de hoek staan drie planten, de bladeren zijn licht gekruld door de tubes die er tegenaan hangen. Ertegenover steunt tegen de muren een immense banner met daarop Eli Iserbyt, hij juicht uitbundig, zijn gezicht onder de modderspetters na een gewonnen koers. Ernaast een ingelijste foto als hij zijn vriendin Puck Moonen kust, wat bekers en dan nog de plaat van zijn winst bij de wereldkampioenschappen bij de beloften. Op het Perzische tapijt zijn twee fietsen op een standaard geplaatst, over de rand van vier kartonnen dozen puilt fietskledij. Het mag duidelijk zijn: de aanbouw in huize Iserbyt is geconfisqueerd door de jongste zoon en zijn vriendin. 'Dat is niet altijd een fietshoek geweest, hoor.' De stem klinkt vanuit de keuken. Het is pa Iserbyt. 'We hadden er iets heel anders mee in gedachten. Het moest een zithoek worden met een open haard en een flatscreen aan de muur.'Joost Iserbyt lacht. Hij weet ook: de sport van zijn zoon en diens vriendin is voor het gezin net zo belangrijk als voor het koppel zelf. De hoek met fietsspullen spreidt zich verder uit tot aan de houten tafel. Daar liggen sokken, sportbh's en helmen over verdeeld. Aan die tafel zitten Eli en Puck, de West-Vlaming en de Nederlandse. In Bavikhove is hun thuis. Eli werd er geboren, Puck woont sinds een jaar vrijwel bij haar vriend en zijn ouders en broer. Deze zomer gaan ze officieel samenwonen: het stel kocht een huis in Kuurne, eveneens een deelgemeente van Harelbeke. Twee jaar en twee maanden zijn ze nu samen. 'Een vriendin van haar was ook veldrijdster, ook een Nederlandse', kijkt Eli Iserbyt terug. 'Ik had weleens contact met die vriendin op de koers, maar meer dan een goeiendag zeggen, was dat niet. Ik zag dat Puck altijd reageerde op de foto's die haar vriendin op Instagram plaatste. Zo heb ik haar opgezocht en zijn we beginnen berichtjes te sturen naar elkaar.' Moonen: 'Ik kende hem van naam, maar ik wist niet zo heel veel van hem. We hebben een paar keer afgesproken in Antwerpen, dat ligt in het midden.' Van het Noord-Brabantse Oirschot in Nederland tot Bavikhove is het tweehonderd kilometer. In het begin wisselden de twee de tripjes naar elkaar af. 'Ik ben steeds minder in Nederland', zegt Moonen. 'Het is praktischer om hier te zijn. In de Vlaamse Ardennen is het beter trainen en inmiddels staat hier ook al mijn gerief, ik ken de baan hier beter, ga hier ook naar de kine.' Gerief, de baan, kine. Het mag duidelijk zijn: Puck Moonen is al aardig ingeburgerd in het Vlaamse. Ze praat met een Nederlands accent, maar haar zinnen zijn doorspekt met Belgische woorden. 'Ik ben redelijk ver-Belgischt, ja. Mijn ouders lachen daar een beetje mee. Ze kunnen Eli ook niet zo goed verstaan, omdat hij zo plat spreekt. Ik versta het West-Vlaams perfect. Maar ik voel me nog wel een Hollander in België. Ik bén hier ook de Hollander. In mijn Belgische vriendengroep noemen ze mij ook zo. En Stoeme Hollander is hier ook een beetje een geuzennaam geworden, hè. Ik voel me hier echt thuis, maar als ik weer eens een gat in de weg moet ontwijken, kan ik wel verlangen naar de Nederlandse punctualiteit. De wegen daar zijn toch een pak beter, hè? En boerenkool met rookworst, dat mis ik. Hier kijken ze je dan heel raar aan.' Iserbyt: 'Je bent nog wel echt een Hollander, hè?' Hij grijnst. Toen de veldrijder thuiskwam met zijn Nederlandse vriendin keken zijn ouders wel even raar op. 'Een Hollandse... In België is dat wel iets... Zeker in West-Vlaanderen. In de buurt weten ze ook allemaal wie mijn vriendin is. Maar dat is geen probleem.' De verschillen zijn er. Maar de overeenkomsten zeker ook. Het koersen is een gemeenschappelijke passie; voor Eli Iserbyt in het veldrijden, voor Puck Moonen op de weg. Toch groeiden beiden niet op met die sport, maar met dat andere spelletje: voetbal. Zowel Iserbyt als Moonen stond als kind op het veld met de bal aan de voet. Ook ging de wielrenster lange tijd paardrijden, in haar familie dé sport bij uitstek. Voor Iserbyt bestond het weekend op zaterdag uit voetbal, op zondag stapte hij met zijn vader de mountainbike op. 'Maar dat was niet meer dan een hobby, een bezigheid. Wel zorgden we ervoor dat we om drie uur terug waren om de cross te kijken.' Op een dag werd Iserbyt aangesproken. 'Door iemand die opleiding gaf aan jonge gasten die willen veldrijden. Of ik een keer wilde langskomen, want ik had talent, zei hij. In mijn eerste ploegske zat de zoon van Johan Museeuw. Via Johan heb ik mijn trainer leren kennen. Die traint mij nog altijd.' Nog altijd werkt de veldrijder samen met dezelfde mensen. 'Zij waren er vroeger al, toen ik nog niets van niveau had. Als je hogerop komt, trek je ook mensen aan die er willen bij horen, maar als het slecht gaat, zie je ze niet meer.' Voor Moonen was het koersen eerst een uitlaatklep, een nieuwe bezigheid. En uiteindelijk ook de wereld waarin ze een nieuw leven kon opbouwen. De Nederlandse kende een moeilijke jeugd door pesterijen. 'Het zit nog wel diep. Allez, ik vind van mijzelf dat ik het goed heb verwerkt; het werkt als motivatie, dat zeker. Ik ben er sterker door geworden. Kritiek raakt me niet meer. Maar soms kom ik op een punt dat ik denk: het is er nog niet helemaal uit.' Iserbyt: 'Het zit in een kamertje en de deur is toe. Maar als je deur opendoet, zit het er nog wel. Als we erover spreken, zie ik dat nog. Wat zeiden ze vroeger? Dat je lelijk was toch? Nu zien ze dat toch anders, denk ik.' Nu heeft Moonen ruim 250.000 volgers op Instagram en roemen haar fans de looks van de sportieve schone. 'In het begin keek ik wel raar op van de reacties, daar zitten soms echt bizarre berichten tussen. Nu ben ik het meer gewend, maar het blijft wel grappig. Vanochtend nog, stuurde iemand me een bericht dat hij graag mijn zweet zou willen drinken. Dan denk je: what the fuck? Of het verzoek om foto's van mijn voeten te sturen...' Iserbyt grijnst erom. Hij schudt het hoofd; nee, hij vindt het niet moeilijk. 'Ik vind het juist leuk dat zij het nu zo goed doet.' Het is een wereld van verschil met de jonge Moonen die op school haar draai niet kon vinden. 'Ik was klein en mager, echt zo'n plank, met scheve tanden. Het waren vooral jongens die me pestten. Ik heb hen nooit meer gezien. Wel heb ik eens opgezocht wat ze deden, ze stonden in de supermarkt of achter de bar. Als ze me nu zien? Ik hoop niet dat ze met me op date willen. Als ik hen zie draai ik hen de nek om.' Het begon op de basisschool. 'Ik dacht dat het zou overgaan in het middelbaar onderwijs. Bijna iedereen in mijn klas ging naar een andere school. Met drie anderen ging ik naar het vwo (voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, soort van voortgezette opleiding in Nederland, nvdr). Met twee van hen kwam ik wel redelijk overeen. Maar juist die derde begon ook daar dingen over mij rond te bazuinen. Vanaf de eerste dag begon het zo opnieuw. Ik stelde me voor in de klas en vertelde wat mijn hobby's zijn. Ik was toen paardenfan, reed paard en tekende paarden. Dan begonnen ze meteen te hinniken. Daarna liep ik door de gangen en hoorde mensen hetzelfde doen als ik voorbij liep. Zo ging dat jaren door.' Iserbyt: 'Je hebt het ook altijd zelf moeten doen, hè? Die verwerking.' Moonen: 'Ik zat elke dag alleen, praatte met niemand, niemand wilde met mij in een groep. Eigenlijk zat ik elke dag alleen maar thuis. Geen vriendinnen, niks, niemand, jarenlang.' Ze is even stil. 'Ik heb lange tijd echt diep gezeten. Het ging slecht met me. Ik had nergens meer zin in. Ik wilde niet meer opstaan, niet douchen, niet meer naar school. Elke dag meldde ik me ziek. In de derde en vierde ben ik niet veel op school geweest. Ik was depressief.' Haar ouders kregen in de gaten dat ze niet meer naar school ging en haar punten dramatisch zakten. 'Ik was een streber, maar na een tijd interesseerde het me gewoon niet meer. Mijn ouders wisten wel wat er speelde en zijn ook naar school gegaan om erover te praten, maar daar is nooit echt iets uitgekomen. Zij hadden zelf ook hun problemen, dus ik denk dat ze het niet echt hebben kunnen zien. Er was thuis zoveel aan de hand dat het ook logisch was dat ik depressief was en niets meer wilde.' Moonen slaagde uiteindelijk wel voor het Atheneum. 'Ik weet nog altijd niet hoe ik dat voor elkaar heb gekregen. Maar zo was een hoofdstuk afgesloten. Ik kon verder. In het wielrennen had ik gelukkig een uitdaging gevonden en daar leerde ik ook mensen kennen. Meer en meer werd dat mijn wereld. Nu gaat alles goed.' Elke dag fietste Moonen ruim twaalf kilometer naar school, alleen. En zo ontstond het idee: ik wil een racefiets. 'Ik bezorgde kranten en werkte in de supermarkt om te kunnen sparen voor een fiets. Toen ik negenhonderd euro had, heb ik er een gekocht. Maar daarmee bleek van alles mis, echt een afdankertje. Ik heb hem verkocht en een nieuwe gekocht: die bleek dan weer te groot te zijn. Ik kende er niets van, modderde maar wat aan. Het was altijd een miserie met die fietsen. 'Ondertussen reed ik er wel elke dag mee naar school. Ik dacht daardoor dat ik goed was in fietsen en wilde weleens een wedstrijd rijden. Ik vond via via een club waar ze officiële koersen organiseerden, maar in mijn eerste wedstrijd werd ik er al in de tweede bocht afgereden en ben vijf of zes keer gedubbeld.' Zo ging het aanvankelijk elke wedstrijd, maar Moonen hield vol. Een tijd later besloot ze wél te gaan trainen, twee keer per week. Haar opponenten in het peloton deden dat echter dagelijks. 'Zij hadden stuk voor stuk goed materiaal en superfanatieke ouders. Kwam ik daar aan in mijn eentje met mijn krakkemikkige fiets. Ik heb toen wél iemand ontmoet die me wat tips gaf: dat ik wat afwisselender moest trainen, en zo. Die aanwijzingen ben ik gaan opvolgen en ineens begon ik mijn wedstrijden uit te rijden. Dan heb ik een meerdaagse gereden en daar kon ik voor de eerste keer steeds mee in het peloton en stond zodoende goed in het klassement. Toen kwam er ineens een ploeg: of ik het jaar erna als belofte bij hen wilden komen rijden. Daarna is het opwaarts gegaan.' Voor haar vriend Iserbyt ging het bij de start van zijn loopbaan iets gemakkelijker. Gesteund door zijn ouders, vond hij zijn weg. Toch kende ook hij een moeilijke periode. Na het veelbelovende jaar in 2016 - waarin hij wereldkampioen werd bij de beloften - ging het vorig seizoen moeizamer. De veldrijder riep de hulp in van een mental coach die hem sinds twee maanden helpt zijn gedachten te ordenen. 'Het veldrijden is een kleine wereld, maar er zijn veel factoren die je kunnen doen wankelen. Er is veel bullshit in die wereld. Mensen van een ander kamp die je proberen onderuit te halen door dingen te verkondigen die niet waar zijn. Of journalisten die je woorden anders opschrijven. Vorige week was hier iemand die dingen heeft opgeschreven die hij zelf had verzonnen. In mijn woorden liet hij mij mijn teammaten afbreken. Ik heb hem gezegd dat hij nooit meer hoeft te bellen.' Het is nieuw voor Iserbyt. 'Vroeger als je sportte, was alles goed hè? Werd je tiende, dat was goed. Nu ben ik wereldkampioen geworden bij de beloften en als ik daarna tweede of derde werd, was het: oei. Het was iets totaal nieuws voor mij dat mensen kritiek uitten. Ik heb toen samen met mijn moeder besloten om hulp in te schakelen. Je kunt het wel alleen willen doen, maar je begint gewoon paranoïde te worden en achter alles iets te zoeken. Van het minste dat iemand een opmerking gaf, had ik direct het gevoel dat ik werd afgekraakt. En dat voelde ik in mijn spieren. Ik bleek heel vatbaar voor kritiek.' Iserbyt haalt de test aan die hij deed met zijn mental coach. 'Je duwt je duim en wijsvinger op elkaar en maakt zo een O. Als iemand zegt: 'Je bent heel goed' dan kun je die twee vingers niet uit elkaar duwen. Maar mocht iemand zeggen: 'Hoe slecht ben jij wel niet, jij kunt er niets van' dan werkte dat direct op mijn spieren: je kon die vingers uit elkaar duwen. Bij Puck is dat anders. Als je tegen haar zegt: 'Je bent lelijk, je bent slecht en kunt niks', gaat ze juist harder drukken. Zij heeft door haar verleden daarmee leren omgaan, zij haalt daar motivatie uit. Maar als ik in de wedstrijd een foutje maakte, sloeg de stress in en was het direct gedaan. Terwijl als ik nu een fout maak, dan denk ik: het is gepasseerd en blijf sterk.' Hij vaart wel bij de hulp die hij krijgt. 'Nog altijd zijn er verwachtingen rondom mijn persoon, maar ik hecht er nu geen waarde meer aan. Vorig jaar nog wel. Daarin ben ik snel gegroeid. Het zit vaak in kleine dingen, soms moet je die eerst ondergaan. Als jonge gast in de jeugdcategorieën won ik al mijn crossen omdat ik wegreed in de eerste ronde en te goed was om ingehaald te worden. Maar nu botste ik tegen andere renners, wist totaal niet wat me overkwam. En dat is het mooiste. Mensen zeggen dat ik vorig jaar een slecht seizoen had, maar dat jaar was zoveel leerzamer dan al die jeugdjaren. Een cross winnen is mooi, maar pas door tegen de muur te rijden, word je echt beter.'