Op een terras op de Brusselse Grote Markt, daar begon midden jaren negentig het verhaal van QIKFoot, schetst Paul De Knop, professor aan de VUB en hoofd van het project samen met, namens de voetbalbond, Michel Sablon. Uit het gesprek dat De Knop daar voerde met de voorzitter van de turnfederatie groeide het idee om een meetinstrument te ontwikkelen voor de kwaliteit van turnclubs. IKGym vormde de basis voor de vertaling van kwaliteitsonderzoek naar andere sporten.
...

Op een terras op de Brusselse Grote Markt, daar begon midden jaren negentig het verhaal van QIKFoot, schetst Paul De Knop, professor aan de VUB en hoofd van het project samen met, namens de voetbalbond, Michel Sablon. Uit het gesprek dat De Knop daar voerde met de voorzitter van de turnfederatie groeide het idee om een meetinstrument te ontwikkelen voor de kwaliteit van turnclubs. IKGym vormde de basis voor de vertaling van kwaliteitsonderzoek naar andere sporten. Aanvankelijk toonden de beleidsverantwoordelijken van de voetbalbond weinig interesse. Na het financieel succesvol verlopen Euro 2000 nam de bereidwilligheid om te investeren toe. Plots zag de bond wel de noodzaak in om de kwaliteit van de jeugdopleiding in België te verbeteren. QIKFoot kreeg een plaats in het kader van het globale project Futurofoot van Michel Sablon. De VUB sloot een contract met de bond, die er 110.000 euro voor veil had. De ontwikkelaars van QIKFoot, Jo Van Hoecke, die ook al IKGym ontwikkelde, en Hugo Schoukens, gewezen jeugdcoördinator bij RWD Molenbeek, werkten twee jaar om het meetinstrument op punt te stellen. Via een grondige bevraging bij twaalf ligaclubs en een aantal voetbalexperts in jeugdopleiding als Franky Vercauteren, Ariël Jacobs en Marc Van Geersom, kwamen ze tot 290 criteria om de kwaliteit van de jeugdwerking van de Belgische eerste- en tweedeklassers te toetsen. Die criteria kregen allemaal een wegingsfactor mee en werden ondergebracht in 9 dimensies. Na een pilootstudie bij vijf clubs - om zeker te zijn dat het instrument wel degelijk een correct beeld geeft van de kwaliteit van een jeugdwerking - startten Schoukens en Van Hoecke in februari 2003 met hun audits. "Waarbij het zeker niet alleen onze bedoeling was om de clubs te evalueren," zegt Van Hoecke, "maar vooral ook om ze bij te staan bij het verbeteren van de kwaliteit.""Meten om te weten en te kunnen verbeteren, was het uitgangspunt", preciseert Schoukens. "We hebben ook voor een stuk aan begeleiding gedaan, advies gegeven. Ons werk werd bovendien geapprecieerd. De voorzitter van het jeugdbestuur van RC Genk, bijvoorbeeld, verwoordde zijn dankbaarheid als volgt : 'Deze audit heeft er mee voor gezorgd dat de neuzen hier intern in dezelfde richting wijzen.' Een mooi compliment voor de dynamiek die het project binnen de clubs zelf teweegbracht."Na meer dan 750 uren analyse presenteerden beide ontwikkelaars gisteren hun bevindingen. Ze gingen langs bij 33 van de 36 ligaclubs - KV Mechelen (wegens de licentieproblematiek), Strombeek (wegens de onduidelijkheid omtrent hun jeugdopleiding) en Club Luik (wegens een onvolledig dossier) namen niet deel. Een eerste algemene vaststelling is dat de clubs qua organisatie hoog scoren. "Dat komt omdat het jeugdorganigram meestal op poten staat", verklaart Schoukens. "De taken staan goed omschreven, maar met het oog op de toekomst is het belangrijk dat de mensen die instaan voor de jeugdopleiding meer slagkracht krijgen."Het feit dat de jeugdverantwoordelijken met een theoretisch opleidingsplan werken en dat de technisch directeur jeugdopleiding bijna overal voetbalspecifiek is opgeleid (minstens een Uefa B-diploma), vormen andere sterke punten bij de meeste clubs. Positief bleek ook dat álle clubs hun jeugdspelers op regelmatige tijdstippen evalueren en tevens evaluatiegesprekken houden met de voetballers zelf en hun ouders. Uiteraard vonden de onderzoekers ook globale pijnpunten, die ze vanuit hun positieve benadering liever omschrijven als 'actiepunten'. Zo constateerden ze dat meer dan 75 procent van de jeugdbesturen self-supporting is, dat die jeugdbesturen met andere woorden geen financiële steun krijgen van het algemeen bestuur. Ook kwam aan het licht dat er vaak een behoorlijk verschil ligt tussen theorie en praktijk wat het opleidingsplan betreft : het is er wel, maar het wordt niet altijd uitgevoerd. In tegenstelling tot de spelers worden de trainers zelden geëvalueerd. Een ander probleem vormt de beperkte beslissingskracht van de scouts, die meestal slechts een adviserende rol krijgen. Het onderzoek maakte ook duidelijk dat de trainingsintensiteit niet of onvoldoende toeneemt met de leeftijd : jongens van zestien jaar trainen niet veel meer dan voetballertjes van tien jaar. Qua ondersteuning, tot slot, waarmee onder meer medische, mentale en studiebegeleiding bedoeld wordt, haalt het leeuwendeel van de clubs een zware onvoldoende. De bond, de clubs en de projectleiders spraken na deze eerste audit af om niet in te gaan op individuele gevallen, maar de clubs onder te brengen in vijf zogenaamde clusters. In de eerste plaats valt op dat de eersteklassers beduidend hoger scoren dan de tweedeklassers. Waar de deelnemers aan de Jupiler Liga nog een globale eindscore behalen van 58 procent, moeten de clubs die een trapje lager spelen met een buis naar huis (42,5 procent). In cluster 1 en 2 vinden we dan ook geen enkele tweedeklasser terug. Cluster 1 herbergt de clubs die een totaalscore behalen van 70 procent of meer, én bovendien op acht van de negen kwaliteitsdimensies (organisatie, strategie en beleid, scouting, opleiding, ondersteuning, accommodatie, communicatie, personeelsbeleid en effectiviteit) 60 procent of meer halen, én minstens aan 16 van de 20 kritische succesfactoren (belangrijkste kwaliteitscriteria) beantwoorden. De uitverkorenen die de titel Summa Cum Laude krijgen, zijn, in die volgorde : Germinal Beerschot, RC Genk en, opvallend, Beveren. Die drie clubs mogen voortaan pronken met de beste jeugdwerking van het land. Cluster 2 (60 procent, 7/9, 12/20) verzamelt Club Brugge, Lierse, Westerlo, Moeskroen en Standard met een gevorderde jeugdopleiding. Het verschil met cluster 1 is meestal te wijten aan de afwezigheid van de opvolging van de opleidingsprocedures, of het gebrek aan evaluatie en bijsturing van de technische staf. Negen clubs mogen nog spreken van een degelijke jeugdopleiding (50 procent, 6/9, 8/20) : AA Gent, Sint-Truiden, Anderlecht, Charleroi, Lokeren en de (op dat moment) tweedeklassers Cercle Brugge, Ronse, Roeselare en Zulte-Waregem. Lokeren valt op in dit rijtje, want kreeg het van de profliga niet de hoogste dotatie uit de Champions Leaguepot wegens zijn goede jeugdwerking ? De clubs met een toereikende jeugdopleiding (maar eigenlijk al gebuisd) zijn La Louvière, Lommel, Geel, VW Hamme, Deinze, Patro Maasmechelen en Ingelmunster. Cluster 5 tot slot spreekt van clubs met een jeugdopleiding in ontwikkeling, waar onderontwikkeld een hardere, maar misschien wel correctere term geweest zou zijn. Daarbij Denderleeuw, Eupen, Dessel, Heusden-Zolder, Tienen, Visé, Virton én de eersteklassers Bergen en Antwerp. De oudste club van het land is met andere woorden nog steeds in ontwikkeling, een trage (en tragische ?) ontwikkeling. door Roel Van den broeckBeerschot, Genk en Beveren mogen pronken met de beste jeugdwerking van het land.