"Voor het zwarte gat ben ik helemaal niet bang", zegt Ronny Van Rethy opgewekt. "Ik heb de knop altijd heel makkelijk kunnen omdraaien. Van mijnwerker naar profvoetballer, van profvoetballer naar arbeider. Van arbeider naar gepensioneerde zal ook wel lukken. Het woord verveling ken ik niet."
...

"Voor het zwarte gat ben ik helemaal niet bang", zegt Ronny Van Rethy opgewekt. "Ik heb de knop altijd heel makkelijk kunnen omdraaien. Van mijnwerker naar profvoetballer, van profvoetballer naar arbeider. Van arbeider naar gepensioneerde zal ook wel lukken. Het woord verveling ken ik niet." De omschakeling van het leven in de put naar dat van profvoetballer was ongetwijfeld de grootse verandering in het leven van Van Rethy. Bij een pure mijnploeg als het voormalige FC Beringen beleefde hij nog de grote dagen in de eerste klasse. "Wie aanspraak wil maken op een mijnwerkerspensioen, moest tien jaar in de mijn gewerkt hebben. Net voor die tien jaar verstreken, bood Antwerp me een profcontract aan. Ik wilde wel prof worden, maar wilde ook mijn voordelen als mijnwerker niet zomaar opgeven. Naast die vroege pensioenleeftijd kreeg je als mijnwerker immers ook nog een goedkope lening. George Kessler, toen de trainer bij Antwerp, zag die combinatie niet zitten, maar liet me toch tot oktober mijn tien jaar in de mijn volmaken. Met de vrije tijd die ik als profspeler plots had, wist ik aanvankelijk niet goed om te gaan. Ik miste mijn vrienden in de put. Er ging haast geen vrije middag voorbij of ik reed naar Beringen. Want dat is nu net het verschil : in het voetbal heb je collega's, in de mijn heb je vrienden. Vrienden voor het leven. Op achthonderd meter diepte is iedereen gelijk. Of je nu Belg bent, Turk, Marokkaan of Italiaan. Onder de grond bestaat geen racisme. Iedereen springt voor elkaar in de bres, de solidariteit is enorm. Elke ochtend om half zes zak je samen dat grote donkere gat in, waar je voor half twee ' s middags niet meer uitkomt." Ronny Van Rethy heeft de mijnmicrobe niet van vader op zoon meegekregen. Integendeel. Zijn ouders waren aanvankelijk resoluut gekant tegen zijn beroepskeuze. "Mijn grootvader," vertelt hij, "wel een mijnwerker, stierf als gevolg van de mijnziekte. Hij was amper 55. Vandaar de angst van mijn ouders. De jongens die de kolen afschraapten, hadden de zwaarste job. In het begin heb ik dat ook moeten doen. Soms zag je elkaar van op één meter afstand niet staan, tenzij via onze mijnwerkerslamp. Omdat die job wel heel goed betaald werd, waren er die het echt deden voor het geld. Vaak met fatale gevolgen. Onlangs hoorde ik nog een verhaal over een ex-collega die nog maar enkele maanden te leven heeft. Hij is amper 39."Eens hij in het eerste elftal van Beringen stond, kreeg hij beter werk in de mijn. "Hier en daar wat bijspringen en opkuisen. Voor mijn gezondheid hoef ik dus niet meteen te vrezen. Ik klopte in die tijd bijzonder lange dagen. Om twintig over vier uit de veren, om twee uur thuis snel een hapje eten, en dan weer weg naar de training. En dat tien jaar lang."Om van zijn 'vervroegd' pensioen te genieten moest Ronny Van Rethy gedurende vijftien jaar nog wel een andere job uitoefenen. "Na mijn profcarrière ging ik aan de slag als magazijnier in een truckcenter in Beringen, waar wisselstukken voor vrachtwagens worden ingevoerd. Mijn baas zit in de raad van bestuur van Heusden-Zolder. Allicht kan ik er vanaf volgende maand nog deeltijds aan de slag, want ik mag naast mijn pensioen nog een beperkt bedrag bijverdienen."Het voetbal zelf is sinds twee jaar voltooid verleden tijd. "Mijn zoon die bij Meerhout speelde, blesseerde zich aan de ruggenwervel en mag nooit meer sporten. Uit solidariteit ben ik er dan ook maar mee gestopt. Ook het eersteklassevoetbal volg ik enkel via de televisie en de kranten. Goal mis ik nooit en op zondag kijk ik om zeven uur naar Nederland. Ik heb de voorbije twee seizoenen geen drie wedstrijden bijgewoond." Zijn passie is er één voor motoren. "Al van toen ik kind was, was ik er gek van. Telkens als ik er in de verte één hoorde naderen, rende ik naar het poortje aan de straatkant. Toen ik met Antwerp in 1992 de beker won, heb ik mezelf een Harley Davidson aangeschaft (neemt ons mee naar de garage, waar hij fier zijn 'Softail heritage' 1340 cc laat zien). Deze hier is van mijn vrouw Marleen, een 'sportster 1200 custom', ook een Harley. Net als ik is ze wild van motoren. We trekken er heel vaak samen op uit. Heel leuk zijn de super-rally's in Tsjechië, waar we met bijna 15.000 motorfreaks uit heel Europa samenkomen en zeven dagen veel drinken en weinig slapen. We hebben wel een ruig imago, maar eigenlijk zijn we dat niet. Ook als voetballer was ik ondanks mijn oorbel en mijn tatoeages een propere speler." "Naast het voetbal", besluit hij, "vertoonde ik veel gelijkenissen met Patrick Goots, maar hij werd er vaker op afgerekend dan ik. We hielden van dezelfde muziek : AC/DC, Uriah Heep, Iron Maiden, White Snake. Op de club hadden ze geen problemen met mijn hardrockimago, al zagen ze niet graag dat ik met de motor naar de Bosuil kwam. Maar ik ben wie ik ben. Toen ik mijn contract bij Antwerp ging tekenen, raadde de voorzitter van Beringen me aan om een kostuum aan te trekken en mijn oorring uit te laten. Je denkt toch niet dat ik daarvoor gezwicht ben ?" door Stefan Van Loock'In het voetbal heb je collega's, in de mijn heb je vrienden.'