Het was in 1984, op de laatste dag van augustus. In zijn hotelkamer in Barcelona staarde Claude Criquielion somber voor zich uit. Buiten brandde de zon en de volgende dag stond op de selectieve omloop van Montjuich, hoog boven de Catalaanse hoofdstad, het wereldkampioenschap geprogrammeerd. Hoewel Criquielion hield van het repetitieve karakter van deze wedstrijd, gaf hij zichzelf geen enkele kans. Zelfvertrouwen was nooit de grootste bondgenoot in de carrière van de Waal. Toen hij in zijn eerste jaar als prof in de Ronde van Frankrijk als negende eindigde en iedereen enthousiast was omdat hij in een zware bergrit met de besten mee naar boven klom, zei hij dat hij als renner overgewaardeerd was. Een uitspraak die hij later nog verschillende keren zou herhalen.
...

Het was in 1984, op de laatste dag van augustus. In zijn hotelkamer in Barcelona staarde Claude Criquielion somber voor zich uit. Buiten brandde de zon en de volgende dag stond op de selectieve omloop van Montjuich, hoog boven de Catalaanse hoofdstad, het wereldkampioenschap geprogrammeerd. Hoewel Criquielion hield van het repetitieve karakter van deze wedstrijd, gaf hij zichzelf geen enkele kans. Zelfvertrouwen was nooit de grootste bondgenoot in de carrière van de Waal. Toen hij in zijn eerste jaar als prof in de Ronde van Frankrijk als negende eindigde en iedereen enthousiast was omdat hij in een zware bergrit met de besten mee naar boven klom, zei hij dat hij als renner overgewaardeerd was. Een uitspraak die hij later nog verschillende keren zou herhalen. Maar nu, in Barcelona, was het pessimisme zo groot dat Criquielion met zekerheid wist dat hij nooit de finish zou halen. Tot verbijstering van zijn ploegmaats nam hij zijn wasgerief mee naar de omloop, zodat hij zich meteen kon verfrissen als hij opgaf. Halverwege de koers zei een hijgende Criquielion tegen zijn ploegmaat Rudy Dhaenens dat hij naar het einde van de koers verlangde omdat deze omloop je geen seconde de kans gaf om op adem te komen. En toen ploegleider Albert De Kimpe op 50 kilometer van de aankomst met zijn wagen naast hem kwam rijden en het bevel gaf aan te vallen, wist Criquielion niet wat hij hoorde. Hij dacht dat De Kimpe gek was geworden. Nochtans: Criquielion reed goed, maar hij had dat zelf niet in de gaten, hij duwde een grotere versnelling dan de anderen, maar stond daar zelf niet bij stil. Toen Criquielion vervolgens in een vijfvoudige kopgroep verzeilde, demarreerde hij om te verhinderen dat een groep achtervolgers zou aansluiten. Niemand kon die aanval beantwoorden. Zo werd Claude Criquielion in Barcelona wereldkampioen en plaatste hij de kroon op zijn carrière. Claude Criquielion is nooit een winnaar geweest. Hij behaalde in zijn laatste jaar als amateur slechts vijf zeges, maar kreeg toch een contract bij Kas, een goed gestructureerde Spaanse ploeg met Belgische inslag. Hij verdiende er 16.000 frank per maand, 400 euro. En op het einde van het seizoen mocht hij zijn fiets houden. Die was 18.000 frank waard, 450 euro. Bij Kas kreeg Criquielion de gelegenheid om op termijn te werken. Hij liet zijn talent herhaaldelijk opspatten. Dat ontging niemand. Tot drie keer toe kreeg hij riante aanbiedingen van de ploegen van Francesco Moser en Beppe Saronni, maar hij durfde de stap naar Italië niet te zetten. In die tijd waren sponsors nog niet zo gul met vliegtuigtickets, je moest daar twee of drie maanden blijven en Criquielion vermoedde dat hij dat mentaal niet aankon en de heimwee zou knagen. Het was, zo zei hij achteraf vaak, de grootse fout die hij in zijn carrière maakte. Want de wedstrijden in Italië lagen hem, veel meer dan de koersen in België, waarin hij zich soms afvroeg of hij zijn tijd niet aan het verliezen was. Claude Criquielion begon altijd met dezelfde doelstellingen aan het seizoen. Hij legde het accent op de Waalse klassiekers en probeerde een behoorlijk klassement te rijden in de Tour. Hij had al heel snel in de gaten dat hij, zijn klimmerscapaciteiten ten spijt, het gestel miste om in de Ronde van Frankrijk een gooi te doen naar de eindzege. Omdat hij wist dat hij zo'n lange rittenwedstrijd nooit zonder inzinking zou doorkomen en omdat hij in het hooggebergte niet bij machte bleek bruuske versnellingen en ritmeveranderingen te beantwoorden. In 1986 bereikte hij met een vijfde plaats zijn hoogste klassering in de Tour. Veel meer waren de Ardense klassiekers voor hem op maat geknipt. Criquielion won twee keer de Waalse Pijl, maar Luik-Bastenaken-Luik, het absolute wielermonument in Wallonië, kon hij nooit op zijn erelijst schrijven. Hij werd twee keer tweede en één keer derde. Vaak botste hij op de slimme Italiaan Moreno Argentin,één enkele keer leidde een discussie met de Ier Stephen Roche tot de nederlaag. Beiden waren ontsnapt, telden op vijftien kilometer van het einde anderhalve minuut voorsprong, maar weigerden toen op kop door te drijven. Zodat Argentin nog kon aansluiten. Het verbitterde Criquielion niet. Evenzeer als door de Waalse klassiekers voelde hij zich aangesproken door de Ronde van Vlaanderen. Vanuit de tuin van zijn huis in Twee-Akren, vlak bij de taalgrens en de Vlaamse Ardennen, zag hij de Muur van Geraardsbergen en de Bosberg liggen. In de Ronde van Vlaanderen van 1987 zorgde Criquielion voor een van de grootste uitschieters uit zijn carrière. Hij rukte zich in de laatste vijftien kilometer uit een select kopgroepje los en vloog onweerstaanbaar en ontembaar naar Meerbeke. De teller van de volgauto toonde 60 kilometer per uur. Criquielion kende het parcours van de Ronde van Vlaanderen als zijn broekzak. Hij wist hoe de wind waaide en hij hield daar rekening mee toen hij zijn beslissende aanval plaatste. Nooit in zijn carrière, bedacht hij achteraf, reed hij sneller dan in die laatste vijftien kilometer. Tot vandaag is Claude Criquielion de enige Waal die ooit de Ronde van Vlaanderen won. Ook als prof legde Claude Criquielion geen imposante erelijst aan. In 1981 won hij bijvoorbeeld maar één wedstrijd, in Viane. In 1982 waren het er twee, de Brabantse Pijl en een kermiskoers. Maar in grote wedstrijden streed hij constant in de vuurlijn, dat maakte van hem telkens weer de kopman van de ploeg. Vooral dan bij Splendor, de ploeg waarvoor hij zeven jaar reed en waar de grote baas, Armand Marlair,hem koesterde als een zoon. In 1990 werd Criquielion nog op 33-jarige leeftijd Belgisch kampioen, in dienst van Lotto. Eind 1991 zette hij een punt achter zijn carrière. Dat was een opluchting, want de verplichting om constant op hoog niveau te rijden joeg hem op. Toen hij de fiets aan de haak hing, was de opluchting groot. De naam van Claude Criquielion zal eeuwig verbonden blijven aan het voor hem traumatische wereldkampioenschap van Ronse in 1988. Daar, op vijftien kilometer van zijn woonplaats, maakte hij zich klaar om voor de tweede keer wereldkampioen te worden. De Belgen reden de hele dag vooraan, de finale verliep volgens een vooraf uitgetekend scenario: Criquielion had zich uit een afgeslankt peloton losgerukt, samen met de Italiaan Maurizio Fondriest en de Canadees Steve Bauer. De Waal bleek zeker van zijn stuk. Geen meter van het parcours was hem onbekend. En vooral: hij wist hoe je de nijdige helling van de Kruisberg, waar het eindpunt lag van dit wereldkampioenschap, moest overwinnen. Het zat als het ware in zijn geest gebrand. Claude Criquielion twijfelde er niet aan dat hij in een spurt met drie voor de apotheose zou zorgen. En dan gebeurde het: op 75 meter van de streep kwakte de ruige en roekeloze Bauer hem tegen de omheining. Criquielion kwam ten val en de verbaasde Italiaan Fondriest pakte de wereldtitel. Het beeld van de protesterende Criquielion, die met het wiel in de hand en te midden van een almaar meer opborrelende volkswoede over de streep stapte, ging de hele wereld rond. Bauer, die in het West-Vlaamse Gullegem woonde, moest door de rijkswacht worden ontzet. Samen met collega Pierre Bilic hadden we Criquielion die dag gevolgd. De afspraak was om hem na de race 's avonds thuis op te zoeken. Criquielion was het niet vergeten. Hij vertelde tot diep in de nacht over die voor hem zo zwarte dag en vroeg zijn vrouw Linda op een gegeven moment om een fles champagne uit de frigo te halen. Vooraf gekoeld voor het geval hij wereldkampioen zou worden. Het was een emotioneel moment. Tot in de vroege ochtenduren stonden er honderden mensen voor de woning van Criquielion. De sympathiebetuigingen deden hem goed. Claudy, zoals de Waalse wielerprins vertederend werd genoemd, nam alle tijd om met de mensen te converseren. Ook in deze voor hem donkere uren toonde hij zijn ware aard: een altijd bereikbare kampioen, wars van vedetteneigingen en iedere vorm van egotripperij. Door die eenvoud verwierf hij ook in Vlaanderen een immens grote populariteit. Nooit in zijn carrière had Claude Criquielion geprobeerd om indruk te maken met opgeblazen verklaringen. Het drama van Ronse overschaduwde de carrière van Claude Criquielion. Hij probeerde juridisch zijn gelijk te halen, maar geen enkele instantie wilde met welk bewijsmateriaal dan ook rekening houden. Criquielion verloor zijn vertrouwen in het justitieapparaat en was er lang van overtuigd dat er achter één en ander bepaalde machinaties schuilden. Toen er hem op een gegeven moment van hogerhand geld werd aangeboden om de gerechtelijke stappen stop te zetten, weigerde Criquielion. Ook al voelde hij dat hij tegen windmolens aan het vechten was. Er ging geen week voorbij of Claude Criquielion werd over deze tragedie aangesproken. Nooit zou hij na dit WK nog op de Kruisberg trainen, hij kon dat mentaal niet aan. Het bleef een onuitwisbaar litteken. Ook al stelde hij vast dat hij, de niet-sprinter die altijd in de aanval ging, het maximum uit zijn carrière had gehaald. Op zijn vijfde had hij een fiets gekregen die hij beschouwde als een stuk speelgoed. "Als je daar dan dertig jaar lang mee mag spelen en je verdient nog geld ook, dan moet je heel dankbaar zijn", zei Criquielion ooit. Dankbaar was hij. En gelukkig. Ook na zijn actieve carrière. Tot die fatale dag die de hele wielerwereld verbijsterde. DOOR JACQUES SYSNooit reed Criquielion sneller dan in de laatste vijftien kilometer van de Ronde van Vlaanderen 1987.