La Grande Bellezza, de naam van de Italiaanse Oscarwinnende film uit 2013, omschrijft perfect het type speler dat de huidige Italiaanse bondscoach Roberto Mancini was in de jaren 80. De nummer tien vormde bij Sampdoria met Gianluca Vialli een geducht aanvalsduo in wat toen onder het goedkeurend oog van de steenrijke eigenaar/voorzitter Paolo Mantovani niet alleen de scudetto (1991) in eigen land won. Sampdoria was in die jaren een heuse Europese topploeg die in vier jaar liefst drie keer in een Europese finale stond. Slechts één daarvan won het, in 1990 tegen het Anderlecht van Aad de Mos. Twee jaar later zat kapitein Mancini in tranen op het veld na de nipt verloren finale van de Champions League tegen Barcelona, waarbij zijn ploeg pas in de verlengingen de duimen had moeten leggen.
...

La Grande Bellezza, de naam van de Italiaanse Oscarwinnende film uit 2013, omschrijft perfect het type speler dat de huidige Italiaanse bondscoach Roberto Mancini was in de jaren 80. De nummer tien vormde bij Sampdoria met Gianluca Vialli een geducht aanvalsduo in wat toen onder het goedkeurend oog van de steenrijke eigenaar/voorzitter Paolo Mantovani niet alleen de scudetto (1991) in eigen land won. Sampdoria was in die jaren een heuse Europese topploeg die in vier jaar liefst drie keer in een Europese finale stond. Slechts één daarvan won het, in 1990 tegen het Anderlecht van Aad de Mos. Twee jaar later zat kapitein Mancini in tranen op het veld na de nipt verloren finale van de Champions League tegen Barcelona, waarbij zijn ploeg pas in de verlengingen de duimen had moeten leggen. Alleen kon Mancini zijn immens talent nooit verzilveren bij de nationale ploeg. De bondscoach die hem op zijn achttiende voor het eerst selecteerde, Enzo Bearzot - wereldkampioen met de Squadra in 1982 - stuurde hem in 1984 tijdens een Noord-Amerikaanse toernee na een avondje stappen ook weer naar huis. Ook het WK 1994, waar Italië wereldkampioen had kunnen worden, maakte hij niet mee, ook al had hij in de kwalificatiewedstrijden nog een aantal doelpunten gemaakt. Maar Mancini voetbalde op instinct, en was niet de grootste werker, waardoor toenmalig bondscoach Arrigo Sacchi in die rol Roberto Baggio en Gianfranco Zola voor het WK verkoos. Vanuit zijn eigen ervaring is Mancini goed geplaatst om de jonge talenten van Italië te behoeden voor de valkuilen die ze op jonge leeftijd moeten omzeilen. Daar slaagt hij ook goed in. Toen hij in mei 2018 aan de slag ging nadat Carlo Ancelotti vriendelijk voor de eer bedankt had, wachtte hem niet de meest aantrekkelijke job. Na de opdoffer waarin Italië er in november 2017 niet in slaagde zich ten koste van Zweden te plaatsen voor het WK 2018 haakten monumenten als Gianluigi Buffon en Daniele De Rossi af. Italië leek als voetballand wel een wereld met uitstervende dinosauriërs en een steeds kleiner wordende vijver om uit te vissen. Marcello Lippi die Italië in 2006 naar de wereldtitel voerde kon nog kiezen uit 60% Italiaanse spelers in de Serie A, bij Mancini was die vijver al flink opgedroogd tot 34%. Niet dat hij daar ook maar één keer over zeurde. 'Men zegt dat Italië geen talent meer heeft, maar dat is niet zo', gaf hij al kort na zijn aanstelling aan. 'Goeie spelers zijn hier altijd geweest in dit land. Het kwam er gewoon op aan ze vertrouwen te geven en wat te wachten.' Gemakkelijk was het niet wat de nieuwe bondscoach moest doen, gaf ook Marcello Lippi aan, die in 2006 de laatste wereldtitel met Italië veroverde: 'Ik moest destijds niet bouwen, gewoon de beste spelers nemen. Roberto moet wel opbouwen. Zijn voornaamste verdienste is dat hij een boodschap gaf aan de clubs: dat ze jong talent hebben. Je moet ze enkel oproepen en opstellen.' De laatste Italiaanse ploeg die een eindronde van een groot toernooi meemaakte, het Italië van Antonio Conte, was op het EK 2016 gemiddeld 28 jaar en negen maanden oud. In één jaar bracht Mancini die gemiddelde leeftijd terug tot 26 jaar en 131 dagen. Vandaag is ook voormalig bondscoach Arrigo Sacchi een fan van de man die hij in 1994 als speler thuis liet van het WK. 'Wat een emotie om Italië baas op het veld en in het spel te zien. De nieuwe bondscoach schonk ons een aanvallend team. Het is de eerste keer dat de nationale ploeg meer durf en lef toont dan onze topclubs. Deze nationale ploeg kan een positief model zijn voor het Italiaanse clubvoetbal, met een opwaardering van jonge voetballers.' Dat was ook de oproep die Mancini aan de clubs deed, dat eerste jaar: 'Durf uw jonge talenten op te stellen.' Om er in gedachten meteen aan toe te voegen: anders doe ik het wel. Verbaasd zag de publieke opinie hoe de bondscoach niet aarzelde om spelers op te roepen die niet eens een basisplaats hadden in de Serie A of zelfs nog nooit een eersteklassewedstrijd hadden gespeeld. Nicolò Zaniolo werd zo de vierde speler ooit die werd opgeroepen voor de Squadra zonder één wedstrijd in eerste klasse. Ook middenvelder Sandro Tonali kreeg zijn eerste selectie toen Brescia nog in tweede klasse speelde, al had hij bij zijn debuut wel al een paar maanden eersteklasse-ervaring met zijn intussen naar de Serie A gepromoveerde club. Precies zoals hij het gewild had, voltrok zich in de Serie A de evolutie waarop Mancini hoopte. Niet vanzelfsprekend in een land waar Frank de Boer zich er in zijn korte periode als Intertrainer over verbaasde dat men voetballers van 24 of 25 jaar nog baby-calciatori noemde 'terwijl je bij ons in Nederland uiterlijk op je negentiende al geen jonge voetballer meer bent.' Plots haastten de clubs zich om de door Mancini opgestelde internationals speelkansen te geven of weg te kopen bij hun kleine clubs. Want in tegenstelling tot vroeger is de Squadra niet meer gebaseerd op één of twee blokken spelers uit één of twee clubs. Voor sommige interlands stelde de bondscoach spelers op van negen verschillende clubs. Al gauw verhuisde Tonali naar Milan, en Nicolò Barella van Cagliari naar Inter. Mancini kijkt, zeer on-Italiaans, verder dan het volgende resultaat, hij wil als Italiaans bondscoach een verschil maken. 'Ooit zei Johan Cruijff: 'Italië kan niet winnen, maar tegen Italië kan je wel verliezen.' Ik wil die oude aanpak veranderd zien, van vooral geen goal tegen krijgen en denken dat we er dan wel één zullen maken. Op dag één heb ik mijn spelers gezegd: we moeten het anders aanpakken, anders keert iedereen zich van de nationale ploeg af. We kunnen niet doorgaan met altijd maar met 1-0 te winnen. Laten we risico's nemen en, als we een goal tegen krijgen, geduldig verder voetballen. Sacchi heeft gelijk: na een eerste goal gemaakt te hebben moet je op zoek naar de tweede, en daarna naar een derde. Spelers houden van aanvallend voetbal. In de nationale ploeg amuseren ze zich. Ze zijn me enthousiast gevolgd, en we hebben alles gewonnen.' Het gevolg is dat hij de Grande Bellezza die hem als speler typeerde ook op zijn team heeft overgezet. Dat is wat hem na drie jaar zo tevreden stemt, net voor de aftrap van zijn eerste grote toernooi: 'Dat we er in geslaagd zijn om een nationale ploeg samen te stellen waar iedereen van houdt, die de mensen bevalt.'