Sommige wekkers lijken wat later te zijn afgegaan, maar op de Bosuil is er op deze donderdagochtend toch al veel beweging. Terwijl de Rode Duivels zich voorbereiden op een galawedstrijd die hen definitief de kwalificatie voor het EK zal opleveren, leeft de Great Old in zijn eigen wereld. Op het menu van de dag staat een vriendschappelijke wedstrijd, waarvoor de interlandbreak de Antwerpse spelerskern niet al te veel heeft afgeroomd.
...

Sommige wekkers lijken wat later te zijn afgegaan, maar op de Bosuil is er op deze donderdagochtend toch al veel beweging. Terwijl de Rode Duivels zich voorbereiden op een galawedstrijd die hen definitief de kwalificatie voor het EK zal opleveren, leeft de Great Old in zijn eigen wereld. Op het menu van de dag staat een vriendschappelijke wedstrijd, waarvoor de interlandbreak de Antwerpse spelerskern niet al te veel heeft afgeroomd. Na een videoanalyse die wat uitgelopen is, excuseert László Bölöni zich uitvoerig omdat hij iets later op de afspraak verschijnt. De Roemeense coach van Royal Antwerp FC zet zich haastig neer in de Diamond Bar, de ontvangstruimte op de Bosuil, waar het geluid van de koffiemachine het ritme bepaalt. Hij zet zijn bril af, waarmee hij zijn gesprekspartner dwingt om hem aan te kijken in zijn felblauwe ogen. Niet alleen Bölöni's woorden zijn in staat om iemand te hypnotiseren.U bent 66 jaar en daarmee de oudste trainer in de Jupiler Pro League. Wat drijft u nog om deze job uit te oefenen? László Bölöni: 'Van kindsbeen af zit ik in het voetbal. Wanneer ze mij vroegen wat ik later wilde worden, antwoordde ik steevast: voetballer en timmerman. Ik heb gestudeerd, ben getrouwd en begon te werken als tandarts, maar het voetbal is heel die tijd mijn belangrijkste bezigheid gebleven. Op een bepaald moment wilde ik ook aan de slag gaan als taxichauffeur, maar het voetbal heb ik nooit laten vallen. In het boek dat ik probeer te schrijven, zeg ik dat een kind soms geboren wordt met een bal. In mijn geval was dat zo, denk ik.' Is het plezier dat u beleeft als trainer anders dan dat als voetballer? Bölöni: 'Dat is totaal verschillend. Voetballen is een plezier. Een ploeg klaarstomen en opstellen is hard werk.' Een werk dat veel energie vergt en waarbij je desondanks niet alles onder controle hebt. Is dat moeilijk om te aanvaarden? Bölöni: 'Je moet aanvaarden dat je in het leven niet alles kunt doen. Dat geldt niet alleen voor een voetbaltrainer. Als een chirurg zijn werk moet doen, dan komt er ook een anesthesist aan te pas, en een assistent. De chirurg staat ook niet in voor alles. Het gebeurt maar zelden in het leven dat je iets helemaal alleen doet. Een groot verschil met andere sectoren is dat er in het voetbal competitie heerst. Mijn vrouw was vroeger actrice en we hebben veel gepraat over de verschillen tussen onze jobs. Mijn argument was dat, wanneer zij op de scène verscheen, absoluut iedereen wilde dat het spektakel slaagde. Wanneer ik op het terrein stap, zijn er minstens elf personen - en soms ook het publiek - die niet willen dat ik slaag. Daarom is mijn spektakel moeilijker dan dat van haar, vind ik.' U hebt het over een spektakel. Ziet u dat als een plicht die u hebt ten opzichte van de supporters, de toeschouwers? Bölöni: 'Neen, neen. Achter dat spektakel gaat er ook nog een competitie schuil. Welke van die twee is prioritair? Ik hoor commentatoren en analisten op tv vaak verkondigen dat het spektakel te wensen overliet, maar als het resultaat goed is, wordt alles vergeven. Behaal je geen resultaat daarentegen, dan ben je sowieso veroordeeld. Dan maakt het niet uit of je voor spektakel gezorgd hebt of niet.' Wordt het begrip 'spektakel' soms verward met 'goed voetbal'? Bölöni: 'Goed voetbal is volgens mij niet altijd interessant voor het publiek. Solide zijn, goede aanvallen in elkaar steken, agressief en fysiek aanwezig zijn: dat kan ook voor een goede wedstrijd zorgen zonder dat je iets speciaals hebt laten zien. Soms hoor ik zeggen dat we een slechte Champions Leaguefinale zagen, maar de finale van de Champions League kán niet slecht zijn! Dat er weinig spektakel was, maakt niet uit voor de winnaar. Er zijn maar heel weinig toeschouwers die louter en alleen voor het spektakel komen. De mensen komen in de eerste plaats naar het stadion om hun ploeg te zien winnen.' Kijkt u zelf vaak naar voetbal op tv? Bölöni: 'Neen, zeer weinig. Ik kijk wel graag naar de wedstrijden van de Champions League.' Was het op een bepaald moment in uw carrière belangrijk om veel wedstrijden te bekijken? Bölöni: 'Mijns inziens heb je noch als speler noch als trainer de tijd om alle wedstrijden te volgen. Je bent bezig met je eigen wedstrijd. Heb je dan de dag nadien zin om nog eens voetbal te kijken? Dat betwijfel ik. Als trainer ben je verplicht om je tegenstanders aan het werk te zien en een analyse te maken. Dat doe ik dan ook. Ook toppers als Club Brugge-Standard of Anderlecht-Standard zal ik volgen, maar andere wedstrijden bekijken kan ik niet. Mijn eigen wedstrijd voorbereiden vergt immers al veel energie. Het zou niet slecht zijn als wij ook af en toen eens konden ademhalen.' Puur als ontspanning kijkt u weinig of niet naar voetbalwedstrijden? Bölöni: 'Alleen naar de Champions League. En zelfs dan - en ik wil mijn ploeg niet vergelijken met FC Barcelona - kijk ik meestal als trainer en dus niet als een neutrale toeschouwer.' Moet u zich inhouden om niet te proberen de beste ploegen te imiteren? Moet u zichzelf er vaak aan herinneren welk spelersmateriaal u voorhanden hebt? Bölöni: 'Ik zag de wedstrijd tussen Standard en Arsenal en was het eens met een opmerking van een van de commentatoren. Zijn collega stelde dat Standard niet goed georganiseerd voetbalde en te veel duels verloor. Daarop reageerde de andere: 'Je mag niet vergeten dat het budget van Arsenal 600 miljoen euro bedraagt.' Een supportershart houdt daar vaak geen rekening mee. Zelfs wij als trainers vergeten dat wel eens. Als trainer van Standard heb ik het ook ooit opgenomen tegen Arsenal, je kunt die ploegen niet vergelijken. Om tegen dat soort teams op te boksen moet je tactisch top zijn en mentaal fris, want het verschil is enorm. Het is geen uitspraak van mij, maar van Michel Platini: de trainer kan dertig procent bijdragen, de rest komt van de spelersgroep waarover je beschikt.' Zowel bij Standard als bij Antwerp hebt u zich snel aangepast aan de Belgische competitie. Bölöni: 'Je mag niet vergeten dat België ergens mijn tweede vaderland is. Ik werd hier fantastisch ontvangen en voelde me hier van bij het begin uitstekend in mijn vel. Jammer genoeg moest ik hier op een zeker ogenblik vertrekken, maar de manier en de filosofie van werken in België passen me als gegoten. Dat maakte het gemakkelijk voor mij om hier terug te keren. Ik kon als het ware de draad weer oppikken waar ik hem had neergelegd.' We zien toch een groot verschil bij Antwerp: u hebt hier snel gekozen voor individuele mandekking. Bölöni: 'Dat had te maken met de spelers die ik ter beschikking had toen ik hier aankwam. Hun vechtlust, hun strijdvaardigheid, was hun belangrijkste kwaliteit. We kwamen uit de tweede afdeling, we mochten niet over ons heen laten lopen. Maar analisten en experten vergissen zich soms: ik ben geen Guy Roux die te allen tijde individuele mandekking eist. Elke speler heeft zijn zone en binnen die zone moet hij in staat zijn om zijn gevaarlijkste tegenstander af te stoppen. Soms duiken twee tegenstanders op in dezelfde zone en dan moet een speler intelligent genoeg zijn om te kiezen voor de gevaarlijkste. Ik verkies dus individuele mandekking, maar dan binnen de zone waarin de speler in kwestie opereert.' Individuele dekking vergemakkelijkt de duels en daardoor ook de omschakeling. Is daarin uitblinken een van de belangrijkste zaken in het hedendaagse voetbal? Bölöni: 'Bij grote clubs in grote competities mag je aan je spelers vragen dat ze alles beheersen. De bal recupereren begint niet op je eigen speelhelft maar op die van de tegenstander, tenminste als je daarvoor de spelers hebt. In België heeft niet elk team die. Iets anders: je begint de opbouw van achteren uit, ook weer als je daarvoor de spelers hebt. Heb je die niet en probeer je dat toch, dan brengt dat meer problemen met zich mee dan oplossingen. Dus kies je misschien beter voor iets anders.' Denken sommige coaches bij hun tactiek te vaak aan wat in de mode is en verliezen ze daarbij de efficiëntie uit het oog? Bölöni: 'Sommige coaches durven bepaalde keuzes te maken. Soms loont dat, soms betalen ze daarvoor een dure prijs.' Welke spelstijl staat u het meest aan? Bölöni: 'Ik ben een grote fan van in twee tijden spelen. Dat is heel moeilijk want het vraagt intelligente voetballers. Versta me goed: ik heb het over twee baltoetsen, maar ik sluit daarbij de schoonheid en de efficiëntie van geslaagde dribbels niet uit en lange ballen evenmin. Ik hou van het voetbal waarmee we uitblonken toen ik bij Steaua Boekarest speelde. We speelden in twee tijden en domineerden in Europa. Op drie jaar tijd speelden we twee Europese finales. Het was een beetje zoals Barça nu. Die ploeg beschikt bovendien over ene Lionel Messi om het verschil te maken. Onze passing was snel omdat we in staat waren om sneller te denken dan de anderen. Om dat voetbal te brengen - ik herhaal het - moet je het spelerspotentieel bezitten.' Kun je profvoetballers nog leren om sneller te denken? Is het daar niet te laat voor? Bölöni: 'Als trainer probeer je dat, maar dat lukt uiteraard niet altijd. Sommige mensen worden geboren als vioolspelers en anderen moeten er jarenlang voor oefenen. Maar je zult altijd die ene met het meeste talent hebben die de bovenhand neemt. In mijn carrière heb ik met twee spelers gewerkt die al na drie woorden wisten waar ik naartoe wilde: Raphaël Varane bij Lens en Cristiano Ronaldo bij Sporting.' Qua fysieke voorbereiding en paraatheid zetten voetballers de laatste jaren enorme stappen. Is 'de ruimtes vinden' daarom tegenwoordig de grootste uitdaging voor trainers?Bölöni: 'Twintig jaar geleden trapten de verdedigers de bal zo ver mogelijk weg. Nu voetballen ze ook verzorgd uit. Voetbal is een industrie geworden. Vroeger leerden de beste spelers voetballen op pleintjes of op straat, nu verblijven ze in een fabriek die ze een opleidingscentrum of academy noemen. Spelers ondergaan vandaag de dag naast technische ook fysieke en psychologische tests. Het voetbal is compleet veranderd en daar moet je rekening mee houden. Dat is trouwens een van de redenen waarom een aantal Oost-Europese landen minder excelleren dan weleer. Het is geen kwestie van een gebrek aan talent. Hier wordt talent in zekere zin 'geproduceerd', terwijl in die landen de staatssubsidies uit het voetbal verdwenen zijn. Die lacune werd niet opgevuld en ze hinken steeds verder achterop. Maar dat wil niet zeggen dat je er geen begaafde voetballers meer aantreft.' Diego Simeone zei ooit: 'Als je niet over de beste auto beschikt, dan moet je kijken hoe je je tegenstander een lekke band kunt bezorgen.' Bepaalt dat ook het metier van een trainer? Bölöni: 'Als ik aan een wedstrijd deelneem, dan gebruik ik alle middelen om te winnen.' Hoe ziet de ideale wedstrijd er voor uw ploeg uit? Bölöni: 'Ik houd van defensieve zekerheid. Daarnaast wil ik een middenveld dat zowel verdedigend als aanvallend kan denken en vijf, zes spelers die vooraan het verschil kunnen maken.' Krijgen trainers soms niet te veel media-aandacht, terwijl het de spelers zijn die de wedstrijden winnen? Bölöni: 'Het zijn altijd de spelers die de wedstrijden winnen en de trainers die ze verliezen. Eens te meer is de waarheid hier dat voetbal een industrie geworden is. De media leven ook van het voetbal en het voetbal leeft van de tv-uitzendingen en vooral de tv-gelden. Het is een zachte drug die de wereld in zijn ban houdt, tot tevredenheid van ons, die ervan leven.' Is dat eigen aan het voetbal? Bölöni: 'Kunt u zich een ander spektakel inbeelden dat zoveel teweegbrengt als het voetbal? Overal ter wereld brengt deze sport duizenden mensen samen in het stadion, elke zaterdag en zondag en vaak zelfs in het midden van de week. Op dat vlak kent het voetbal zijn gelijke niet. Zelfs met de beste acteurs of zangers ter wereld krijg je geen 15.000 of 20.000 mensen samen in Antwerpen en ook nog eens 15.000 in Mechelen, twintig kilometer hiervandaan.' Heeft dat te maken met de onvoorspelbaarheid van het resultaat? Bölöni: 'Dat speelt waarschijnlijk een rol, ja. Maar ook in andere sporten kun je het resultaat moeilijk voorspellen. En toch is voetbal koning.' Hoe komt dat volgens u? Bölöni: 'Ik kan me vergissen, maar volgens mij is het voetbal de enige sport die je met je voeten beoefent. Dat is het minst fijne, het minst - laat ons zeggen - begaafde lichaamsdeel. Er gaat bijgevolg meer onhandigheid mee gepaard. Daarnaast levert de industrie van het voetbal onafgebroken heel goede spelers af, van wie er een aantal zelfs geen prof worden. In Frankrijk kun je voetballers met behoorlijk veel talent in derde of vierde klasse aan het werk zien. Daarom zijn er ook zo vaak verrassingen in de beker: die gemotiveerde jongens kunnen met de besten concurreren. In het basketbal gaat het tussen twee of drie clubs. We kunnen het ook over tennis hebben. David Goffin vind ik een geweldige speler, omdat ik me kan vereenzelvigen met zijn vechtersmentaliteit, met zijn volharding. Maar als Goffin het opneemt tegen Roger Federer of Novak Djokovic, dan weet je op voorhand wie er aan het langste eind zal trekken. Je komt er veel minder verrassingen tegen.' Bestaat uw job er niet in om verrassingen zoveel mogelijk uit te sluiten? Bölöni: 'Ik hou niet van verrassingen, zelfs niet van aangename. Ik verkies een spelletje schaken boven een spelletje poker. Het liefst bereken ik alles en ik meen dat ik daardoor niet zelden het maximum uit een collectief weet te halen. Het lukt me niet altijd, maar toch dikwijls genoeg. Het is vermoeiend voor mijn spelers, en ook voor mij, maar in competitie met anderen is dat uiteindelijk wat telt.'