Onze chocola

László Bölöni (64): 'Ik ben geboren in Transsylvanië ( het noordwestelijke deel van Roemenië, nvdr), in de stad Targu Mures. Eerst leefden we in een klein en vochtig huis. Dat was niet goed voor onze gezondheid. Dus verhuisden we naar Tirnaveni, veertig kilometer verderop, waar mijn grootvader een huis had. Mijn vader werkte als boekhouder, maar hij stierf jong, al op zijn 52e. Mijn moeder werkte in een fabriek waar men plastic ballen maakte. Dat had zo zijn voordelen voor mij. ( lacht) Als kind leed ik nog niet onder het communisme; ik hield me enkel bezig met spelen. Eten was er genoeg, al lag onze tafel natuurlijk niet elke dag vol snoep. Rond mijn zevende kon ik voor het eerst eens zwarte chocola proeven. Bucarest, heette die.'
...

László Bölöni (64): 'Ik ben geboren in Transsylvanië ( het noordwestelijke deel van Roemenië, nvdr), in de stad Targu Mures. Eerst leefden we in een klein en vochtig huis. Dat was niet goed voor onze gezondheid. Dus verhuisden we naar Tirnaveni, veertig kilometer verderop, waar mijn grootvader een huis had. Mijn vader werkte als boekhouder, maar hij stierf jong, al op zijn 52e. Mijn moeder werkte in een fabriek waar men plastic ballen maakte. Dat had zo zijn voordelen voor mij. ( lacht) Als kind leed ik nog niet onder het communisme; ik hield me enkel bezig met spelen. Eten was er genoeg, al lag onze tafel natuurlijk niet elke dag vol snoep. Rond mijn zevende kon ik voor het eerst eens zwarte chocola proeven. Bucarest, heette die.' 'Ik verafschuwde het communistische systeem. Het was door en door bekrompen. Het maakte dat stelen en bedriegen haast natuurlijk werden. De winkels waren leeg. Je kon geen brood meer kopen. Buitenlandse producten, zoals boeken, waren sowieso onvindbaar. Elke maand had je recht op één kilogram vlees en veertig liter benzine. Via sluipwegen zocht iedereen oplossingen. Ik speelde bij de ploeg van het leger ( Steaua Boekarest, nvdr) en reed met een 4x4 diesel, een ARO-jeep, natuurlijk gefabriceerd in Roemenië. In die tijd kon je in Roemenië geen Mercedes kopen, zelfs niet als je er de centen voor had. Dat merk kwam het land niet binnen. De enige merken die je zag rondrijden, waren de Renault 12, op benzine, en de ARO, op diesel. In de drie jaar dat ik met mijn ARO rondreed, tankte ik maar vier keer aan de pomp. De rest van mijn diesel haalde ik bij camioneurs die ik in ruil wat vlees gaf of een ticket voor een match. Door met Steaua Europees kampioen te worden, bezorgden wij het land goede propaganda. Dus kregen de spelers van Steaua faciliteiten. Wij mochten naar speciale winkels, waar we zaken vonden die niet te koop waren voor andere mensen. Dat was niet fraai en oneerlijk, maar zo ging het nu eenmaal.' 'Net als andere postcommunistische landen maakte Roemenië een moeilijke transitie door van een totalitair systeem naar een liberaal systeem. Na het communisme is Roemenië eerst vervallen in anarchie. Roemenië heeft zijn tijd nodig gehad om het woord democratie ten volle te begrijpen. Democratie betekent niet dat alles veroorloofd is. Intussen gaat het veel beter met Roemenië. De Roemenen hebben erg veel talent. Wij beschikken over uitzonderlijke informatici en ingenieurs. Spijtig genoeg kunnen die mensen zich niet altijd bewijzen in eigen land. Als jongeren betere kansen zien in het buitenland, vertrekken ze. Veel mensen die hier aan de nieuwe tribune van Antwerp werkten, waren van Roemeense origine.' 'Onze beste voetballer tot nog toe is: GheorgheHagi. Zijn talent en zijn linker heb ik altijd enorm geapprecieerd.' 'Decennialang was er niks wat Roemenië verliet en niks wat het land binnenkwam. Het is dus niet onlogisch dat jullie niet veel weten over het land. Maar zoals in elk land zijn er prachtige plaatsen. Wij hebben in Roemenië alles: de zee en de bergen, de Karpaten. Een echte aanrader is de Donaudelta in het oosten. De Donau mondt er via drie armen uit in de Zwarte Zee. Maar natuurlijk ben ik het beste thuis in Transsylvanië. Daar zijn Sibiu en Cluj-Napoca mijn favoriete steden, na Targu Mures natuurlijk, mijn eigen stad. Die heeft een prachtig centrum en een fenomenale bibliotheek, die wereldwijd bekendheid geniet.' 'Belgen snappen grapjes maar heel traag. Ze nemen alles letterlijk en serieus. Er was eens een man die een héél goed mopje kende. Diegenen aan wie hij het vertelde, moesten zo hard lachen dat ze eraan doodgingen. De man vertelde het eerst aan een Roemeense professor. Die begon te lachen en stierf. Dan vertelde hij het aan een Amerikaanse militair. Ook die begon te schateren en viel dood. Uiteindelijk vertelde die man het ook aan zijn neef, een Belgische agent. Eerst gebeurde er niets. Na een week werd die agent ziek. Twee maanden later stierf hij.' ( smaalt)