Onze taal

'Toen ik aankwam in Beveren, wisten veel mensen niet eens dat Luxemburg een eigen taal heeft. 'Ik ben Laurent', dat wordt in het Luxemburgs: 'Ech sin den Laurent'. Dat lijkt op 'Je suis Laurent' en 'Ich bin Laurent', maar als ik een hele uitleg in het Luxemburgs doe tegen Fransen, Duitsers of Belgen, begrijpen ze er geen snars van.
...

'Toen ik aankwam in Beveren, wisten veel mensen niet eens dat Luxemburg een eigen taal heeft. 'Ik ben Laurent', dat wordt in het Luxemburgs: 'Ech sin den Laurent'. Dat lijkt op 'Je suis Laurent' en 'Ich bin Laurent', maar als ik een hele uitleg in het Luxemburgs doe tegen Fransen, Duitsers of Belgen, begrijpen ze er geen snars van. 'Wij, Luxemburgers, zijn de enigen die Luxemburgs praten en we zijn maar met 600.000; dat verplicht ons om andere talen te leren. In de lagere school worden de lessen gegeven in het Frans en het Duits; in het middelbaar hoor je vooral Frans. Luxemburgs is een vak op zich, maar de klemtoon ligt veel meer op de andere talen, want in het latere leven spreek je wel Luxemburgs, maar moet je het haast nooit schrijven. Als je vandaag in Luxemburg een brief krijgt van een advocaat of de politie, is die altijd opgesteld in het Frans of het Duits. Voor een Luxemburger is het dan ook aartsmoeilijk geworden om zijn eigen taal zonder fouten te schrijven. Vaak zet de ene Luxemburger op een 'e' een accent grave, de andere gebruikt een accent aigu en nog een andere een trema. 'Kennis van andere talen komt de Luxemburgers van pas als ze willen praten met een van de vele grensarbeiders. Iedere dag komen een massa Duitsers, Fransen en Belgen naar Luxemburg om te werken. Vaak wordt gezegd dat er tussen acht uur 's ochtends en zes uur 's avonds dubbel zoveel mensen in Luxemburg zijn als 's nachts. (lacht) Mooi is dat wij, Luxemburgers, daar een heel open houding aan overhouden ten opzichte van andere culturen en nationaliteiten. Bij ons vind je veel Italianen, Portugezen en mensen uit de Balkan en toch levert dat geen problemen op. Wij weten dat we buitenlanders nodig hebben, want er is meer werk dan de Luxemburgers zelf kunnen opknappen.' 'Als kind woonde ik in Clervaux, in het noorden. Clervaux is klein maar toch heel mooi en bijzonder rustig. Hoteluitbaters zeggen dat veel mensen uit Londen, Parijs en andere lawaaierige plaatsen naar Clervaux komen om er enkele dagen te genieten van de stilte in de bossen. 'Op mijn veertiende verhuisden we naar Deiffelt, een petieterig dorp vlak bij Clervaux. Er wonen nog geen 200 mensen. Zo'n plaatsje is typerend voor het noorden, waar er geen hoge gebouwen of files zijn maar wel veel natuur. De mensen in het noorden zijn dan ook minder gestresseerd dan de mensen in het zuiden, waar de banken en de grote steden zijn, zoals Luxemburg-stad, Differdange, Dudelange en Esch. Daar zeggen ze al plagend dat de mensen in het noorden nog allemaal met de tractor rijden.' 'Als kind keek ik altijd vol bewondering naar Jef Strasser, later mijn trainer bij Fola Esch. Ik zag hem vaak spelen in het nationale stadion. Dan stond ik achter het doel met onze blauw-wit-rode vlag op mijn gezicht geschminkt. 'Ik vind het jammer dat zo weinig mensen de nationale ploeg komen steunen bij interlands. Enerzijds is dat geen wonder: ons stadion is het lelijkste van Europa. Anderzijds is dat niet het enige probleem. Als er in de sport niet meteen positieve resultaten zijn, interesseert het de Luxemburgers niet. Voorlopig komt er enkel veel volk als we tegen Frankrijk spelen. En dan komen de meesten nog om Frankrijk te zien. Nochtans leveren we met de nationale ploeg nu goed werk. We spelen niet meer zo laag als vroeger. De huidige bondscoach, Luc Holtz, wil dat we opbouwen en risico's nemen, ook achteraan. De resultaten zijn er. Onlangs wonnen we tegen Albanië en tegen Noord-Ierland pakten we al eens vier punten in twee matchen.' 'Als je naar Luxemburg komt, kun je niet rond Luxemburg-stad. Dat is het Antwerpen van Luxemburg, in die zin dat de stad een bepaalde ambiance uitstraalt. Enerzijds heeft onze hoofdstad een heel moderne kant, anderzijds een heel oude. Je kunt er nog de kazematten betreden, een eeuwenoude, ondergrondse militaire vestigingsgordel. Twee weken moet je niet boeken in Luxemburg-stad, maar voor een weekend is het prachtig.' KRISTOF DE RYCK