De Europese pogingen van een Club Brugge in volle opbouwfase bewezen het nog eens afgelopen zomer: een driemansverdediging installeren vraagt tijd. Na het resultaat op
...

De Europese pogingen van een Club Brugge in volle opbouwfase bewezen het nog eens afgelopen zomer: een driemansverdediging installeren vraagt tijd. Na het resultaat op KV Mechelen en de manier van spelen tegen PSG dacht men even dat algemene wetten niet voor het Anderlecht van Hein Vanhaezebrouck gelden. Maar zondag bewees het tactisch plan van Albert Stuivenberg dat paars-wit nog niet helemaal op punt staat om het spel mét de bal te beheersen. Het plan van Genk was gestoeld op een eenvoudige vaststelling. Een 3-4-2-1 is het moeilijkst te verdedigen wanneer één van de twee spelers achter de diepe spits de bal krijgt. Daarom stelden de Limburgers alles in het werk om Sofiane Hanni en Pieter Gerkens klemvast te zetten eens aan de bal. Dat gebeurde in een zone waar Genk maar één speler had, maar dat was dan wel Sander Berge die als geen ander het spel leest. Genk deed er alles aan opdat de bal niet hoog belandde bij de thuisploeg. Het maakte dat in de eerste helft, toen de bezoekers nog fysiek en mentaal fris zaten, de thuisploeg alle moeite van de wereld had om met de bal de middenlijn over te geraken. Met een ruit op het middenveld drukte namens Genk Alejandro Pozuelo op Kara die daardoor niet kon uitvoetballen, terwijl de twee Genkse spitsen, Marcus Ingvartsen en Ally Samatta, de andere twee paars-witte verdedigers voor hun rekening namen, Olivier Deschacht en Leander Dendoncker.Achter die eerste linie kregen Sven Kums en Adrien Trebel de bal vooral aangespeeld met de rug naar doel, opgejaagd door Siebe Schrijvers en Roeslan Malinovski.Met die vijf tegen vijf in de eerste linie geraakte de thuisploeg te zelden in zijn spel waardoor de Anderlechtspelers achterin verplicht werden te vaak onprecieze lange ballen naar voor te sturen, waar Lukasz Teodorczyk onmachtig stond te wezen, geklemd als hij zat tussen Omar Colley en Joseph Aidoo. Dus moest Anderlecht op eigen helft een numerieke meerderheid krijgen om onder die hoge pressing uit te komen, maar bij gebrek aan automatismen lukte dat niet. Frank Boeckx bij het rondspelen achterin betrekken, om zo tot 6 tegen 5 te komen op eigen helft, deed men niet. Het voetenspel van Boeckx is minder goed dan dat van Matz Sels.Dus was het aan Dennis Appiah die bij balverlies de vierde verdediger werd van paars-wit, om af te haken en mee te helpen in de opbouw. Als hij hoog staat, is de Fransman moeilijk aanspeelbaar voor zijn ploegmaats, en een makkelijke prooi voor Jere Uronen die meteen aan hem ging kleven wanneer hij toch de bal had. Het maakte dat de thuisploeg vast zat. Omdat Henry Onyekuru te ver voetbalde van de zone van de waarheid vormde hij geen reële bedreiging voor Genk. Maar omdat de Genkenaars nog altijd moeten zwoegen om hun balbezit in reële kansen om te zetten, had Anderlecht vooralsnog de match kunnen winnen toen Onyekuru in het begin van de tweede helft de paal trof. Een ongelukkig lot voor paars-wit, waarbij Kums voor één keer Appiah kon bedienen die uitzonderlijk zo laag was teruggezakt dat hij zich van Uronen kon ontdoen, terwijl ook Gerkens en Hanni in die fase aanspeelbaar waren. Dat Anderlecht net door dat samenspel zo dicht bij een doelpunt kwam, was geen toeval. Maar de goal viel niet. Wel vijf minuten later aan de overzijde. Guillaume Gautier