Chic volk in het Stadio Armando Picchi. Het was een mooie zomerdag in 2004 en Associazione Sportiva Livorno Calcio zou voor het eerst in 55 jaar opnieuw een thuismatch op het hoogste niveau spelen. Een match die Carlo Azeglio Ciampi, president van Italië en in zijn kinderjaren een fervent supporter van de club uit zijn geboortestad, niet wilde missen. 'Ik heb een slechte match gekozen', was het enige dat hij na de 1-2 tegen Chievo Verona kwijt wilde.

De week ervoor, op de openingsspeeldag, hadden de Amaranti ( Donkerroden) het grote AC Milan in Stadio Giuseppe Meazza - met 10.000 bezoekende supporters in de tribune - op 2-2 gehouden. Met dank aan de twee goals van Cristiano Lucarelli, een kind van de stad dat pas in 2003 - op zijn 27e - voor het eerst het rode shirt had aangetrokken. Hij had al in Spanje (Valencia) gespeeld en voetbalde op dat moment bij Torino, toen hij samen met enkele jeugdvrienden de promotiewedstrijd in de Serie C bijwoonde. Na het laatste fluitsignaal bestormde Lucarelli het veld en was hij overtuigd: 'Volgend seizoen kom ik hier voetballen. Sommige voetballers kopen een Ferrari of een jacht, ik heb genoeg aan een shirt van Livorno.' De legende wil dat hij in zijn geboortestad 50 procent minder verdiende dan in Turijn.

Oudere toeschouwers konden zich nog het beeld voor de geest halen toen Cristiano met zijn twee jaar jongere broer Alessandro van 's morgens tot 's avonds, op een veldje aan het ouderlijke huis, stond te voetballen. Niemand die ooit verwachtte dat ze samen in de Serie A, allebei in het shirt van Livorno, aan de aftrap zouden staan. Het verblijf van Alessandro bleef beperkt tot het eerste seizoen in de Serie A, waarna hij meer dan tien seizoenen in Parma zou spelen, maar de Italiaanse international bleef de Amaranti wél trouw.

Cristiano was opgegroeid in een troosteloze buurt aan de haven, waar hij als tiener gefascineerd geraakte door het ultralinkse gedachtegoed. De stad, waar de Partito Comunista Italiano was opgericht, én de verschillende groepen van ultra's kleurden donkerrood. Toen hij na omzwervingen door Spanje en Italië terugkeerde, stond hij erop om met het rugnummer 99 te spelen. Een verwijzing naar het stichtingsjaar van de fanatieke ultra's van Brigate Autonome Livorno (BAL), die elk jaar plichtsgetrouw de verjaardag vierden van Jozef Stalin.

Ploegmaats paradeerden in maatpakken over de piazze, Lucarelli droeg een versleten jeans en T-shirt van Che Guevara, op zijn linkerarm stond het logo van de club getatoeëerd. Mateloos populair bij de tifosi en 100 goals tussen 2003 en 2007 in een matig team, dat hij in 2006 naar de UEFA Cup schoot. Het leek op een eeuwigdurend liefdesverhaal, tot voorzitter Aldo Spinelli zijn trainer Daniele Arrigoni ontsloeg en Lucarelli uit solidariteit ook niet wilde blijven.

Hij verkaste naar Sjachtar Donetsk, zijn eerste liefde zakte het seizoen erop meteen naar de Serie B. En nog later naar het derde niveau. Niemand die er in de havenstad nog van opkeek. Een club van hoogtes en laagtes. Opgericht in 1915 en vier jaar later meteen tweede in de Prima Categoria, de latere Serie A, een kunstje dat het in volle oorlog (1943) nog eens overdeed. En, o ironie: de communistische club kende haar grootste successen in het Stadio Edda Ciano Mussolini, genoemd naar de dochter van de fascistische dictator Benito Mussolini.

Livorno Calcio

Opgericht

14/02/1915

Stad

Livorno (160.000 inwoners)

Kleuren

rood-zwart

Stadion

Armando Picchi (19.238)

Chic volk in het Stadio Armando Picchi. Het was een mooie zomerdag in 2004 en Associazione Sportiva Livorno Calcio zou voor het eerst in 55 jaar opnieuw een thuismatch op het hoogste niveau spelen. Een match die Carlo Azeglio Ciampi, president van Italië en in zijn kinderjaren een fervent supporter van de club uit zijn geboortestad, niet wilde missen. 'Ik heb een slechte match gekozen', was het enige dat hij na de 1-2 tegen Chievo Verona kwijt wilde. De week ervoor, op de openingsspeeldag, hadden de Amaranti ( Donkerroden) het grote AC Milan in Stadio Giuseppe Meazza - met 10.000 bezoekende supporters in de tribune - op 2-2 gehouden. Met dank aan de twee goals van Cristiano Lucarelli, een kind van de stad dat pas in 2003 - op zijn 27e - voor het eerst het rode shirt had aangetrokken. Hij had al in Spanje (Valencia) gespeeld en voetbalde op dat moment bij Torino, toen hij samen met enkele jeugdvrienden de promotiewedstrijd in de Serie C bijwoonde. Na het laatste fluitsignaal bestormde Lucarelli het veld en was hij overtuigd: 'Volgend seizoen kom ik hier voetballen. Sommige voetballers kopen een Ferrari of een jacht, ik heb genoeg aan een shirt van Livorno.' De legende wil dat hij in zijn geboortestad 50 procent minder verdiende dan in Turijn. Oudere toeschouwers konden zich nog het beeld voor de geest halen toen Cristiano met zijn twee jaar jongere broer Alessandro van 's morgens tot 's avonds, op een veldje aan het ouderlijke huis, stond te voetballen. Niemand die ooit verwachtte dat ze samen in de Serie A, allebei in het shirt van Livorno, aan de aftrap zouden staan. Het verblijf van Alessandro bleef beperkt tot het eerste seizoen in de Serie A, waarna hij meer dan tien seizoenen in Parma zou spelen, maar de Italiaanse international bleef de Amaranti wél trouw. Cristiano was opgegroeid in een troosteloze buurt aan de haven, waar hij als tiener gefascineerd geraakte door het ultralinkse gedachtegoed. De stad, waar de Partito Comunista Italiano was opgericht, én de verschillende groepen van ultra's kleurden donkerrood. Toen hij na omzwervingen door Spanje en Italië terugkeerde, stond hij erop om met het rugnummer 99 te spelen. Een verwijzing naar het stichtingsjaar van de fanatieke ultra's van Brigate Autonome Livorno (BAL), die elk jaar plichtsgetrouw de verjaardag vierden van Jozef Stalin. Ploegmaats paradeerden in maatpakken over de piazze, Lucarelli droeg een versleten jeans en T-shirt van Che Guevara, op zijn linkerarm stond het logo van de club getatoeëerd. Mateloos populair bij de tifosi en 100 goals tussen 2003 en 2007 in een matig team, dat hij in 2006 naar de UEFA Cup schoot. Het leek op een eeuwigdurend liefdesverhaal, tot voorzitter Aldo Spinelli zijn trainer Daniele Arrigoni ontsloeg en Lucarelli uit solidariteit ook niet wilde blijven. Hij verkaste naar Sjachtar Donetsk, zijn eerste liefde zakte het seizoen erop meteen naar de Serie B. En nog later naar het derde niveau. Niemand die er in de havenstad nog van opkeek. Een club van hoogtes en laagtes. Opgericht in 1915 en vier jaar later meteen tweede in de Prima Categoria, de latere Serie A, een kunstje dat het in volle oorlog (1943) nog eens overdeed. En, o ironie: de communistische club kende haar grootste successen in het Stadio Edda Ciano Mussolini, genoemd naar de dochter van de fascistische dictator Benito Mussolini.