"Wat er van mij als vijfentwintigjarige was geworden als ik in Brazilië was gebleven ? Waarschijnlijk was ik dan onderwijzer geworden voor jonge kinderen. Ik kan goed met kinderen om, mijn moeder merkte dat ook. Zij wilde graag dat ik in het onderwijs stapte. Dat had gekund. In mijn jonge jaren was ik altijd een van de beste leerlingen. Zolang ik gemotiveerd was, haalde ik goede punten. Maar eens veertien, vijftien jaar was dat niet langer het geval. Dat komt omdat ik toen een andere droom kreeg : profvoetballer worden. Toen was het afgelopen met de hoge cijfers op school. Ik kon mijn gedachten niet meer bij mijn boeken houden, tot grote wanhoop van mijn moeder.
...

"Wat er van mij als vijfentwintigjarige was geworden als ik in Brazilië was gebleven ? Waarschijnlijk was ik dan onderwijzer geworden voor jonge kinderen. Ik kan goed met kinderen om, mijn moeder merkte dat ook. Zij wilde graag dat ik in het onderwijs stapte. Dat had gekund. In mijn jonge jaren was ik altijd een van de beste leerlingen. Zolang ik gemotiveerd was, haalde ik goede punten. Maar eens veertien, vijftien jaar was dat niet langer het geval. Dat komt omdat ik toen een andere droom kreeg : profvoetballer worden. Toen was het afgelopen met de hoge cijfers op school. Ik kon mijn gedachten niet meer bij mijn boeken houden, tot grote wanhoop van mijn moeder. "Profvoetballer worden is niet gemakkelijk als je opgroeit in een klein stadje in Brazilië. Toen ik op mijn achttiende de kans kreeg om naar België te komen, wist ik dat ik ze moest grijpen, dat er geen tweede kans meer zou komen. Nu ben ik dan ook blij dat ik naar hier kwam. "Wat ik me vroeger van het leven op vijfentwintig voorstelde ? Op mijn achttiende keek ik daar echt naar uit, naar mijn vijfentwintigste. In interviews met andere keepers naar wie ik opkeek, las ik elke keer weer dat vijfentwintig jaar voor een doelman de ideale leeftijd is : je voelt je nog jong, maar je hebt al de ervaring die een doelman nodig heeft om goed te zijn. Nu bén ik vijfentwintig ! Eindelijk ! En het klopt : ik voel me nog jong. "Twee keer per jaar keer ik terug naar het dorpje waar ik vandaan kom : Purilandia is maar een voorschoot groot, het telt amper 4000 inwoners en ligt op 400 kilometer van Rio de Janeiro. Iedereen kent er iedereen, later wil ik er terug naartoe. Mijn toekomstig huis staat er al, mijn vrouw is ook van daar afkomstig. We kennen elkaar van kindsbeen af. Purilandia is een aardige plek om te wonen : het leven is er goed, de zon schijnt, er is geen armoede of misdaad. "Als ik met Kerstmis terugga, ontmoet ik weer al mijn vrienden van vroeger die met mij op school zaten. Andere vijfentwintig-jarigen : zij die daar bleven en de anderen die net als ik een droom najoegen en naar Rio trokken. Voor de kerstdagen komt iedereen weer naar huis. Twee van mijn schoolvrienden van vroeger zijn leraar, één wordt dokter, een ander studeert voor sportmanager. Zij die me goed kennen, vinden me niet heel erg veranderd. Of misschien toch een beetje. Dat komt ervan als je zes jaar in Europa verblijft. Hier werd ik ernstiger. Toen ik hier aankwam, grapte en dolde ik de hele tijd. Tot ik snapte dat je best lol mag maken, maar dat van mij verwacht wordt dat ik me ernstig gedraag als ik met mijn werk bezig ben. Ik kan dat nu scheiden. Ik weet wanneer ik dingen serieus moet aanpakken en wanneer ik mag lachen. Als je me vraagt hoe ik wil dat ze later in België aan mij terugdenken naast het veld ? Dat ik iemand was die mensen liet lachen, die hen probeerde een goed gevoel te bezorgen. "Toen ik in Antwerpen aankwam, dacht ik niet dat ik hier andere Brazilianen zou ontmoeten. Maar pas wisten ze dat ik hier voetbalde of ze kwamen naar me toe. Op 1 mei hebben we altijd een groot feest met alle Brazilianen in Antwerpen. Met meer dan 500 zijn we dan, ik schrik daar elke keer weer van. "Antwerpen is een heerlijke stad om te wonen. Ik kan met iedereen opschieten. Zelfs met Antwerpsupporters. Ze plagen me wel, maar er is respect. Het moeilijkste als je hier belandt, is de taal. Ik kon de eerste weken met niemand praten. In het begin trok ik veel op met Dagano. Omdat hij alleen Frans sprak, leerde ik beetje bij beetje Frans. Ik had daar een boek voor. Later trok ik op met de ex-Joegoslaven Marinovic en Svetlicic. Samen leerden we Engels. Met Cruz oefen ik nu mijn Spaans. Het gevolg is dat ik wel Nederlands begrijp, maar het niet spreek, omdat ik door wat ik net aanhaalde weinig contact had met Neder-landstaligen. Ik was altijd samen met anderstaligen. Misschien helpt me dat later. Aan mijn verblijf hier houd ik straks een flinke talenkennis over. Maar ik sluit niet uit dat ik ooit toch nog verder studeer." door Geert Foutré